(reclame)


Je recente CD, DVD, plaat of boek geresenceerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent CD, DVD, record or book reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!


CD Recensies



30 december 2011

PAUSE ‘N’ REWIND/ THE UNKOOL HILLBILLIES
Unkool Records, 201101

De oorsprong van de band ligt in 2002 en hun eerste volledige album dateert van 2003 (hetgeen een daverend succes bleek in hun thuisbasis), dus nieuwkomers zijn deze Zweden zeker niet. Maar misschien zijn ze net iets te unkool om internationaal bekend te zijn? Voor mij zijn ze in ieder geval de grote onbekenden (al werden hun eerdere CD’s in de gedrukte B.A. en hun laatste CD op deze digitale plek besproken. Hfdred.) Tijd dus om ze eens wat nader te leren kennen (voor degenen die ze ook nog wil kunnen aanraken, die hebben daartoe de gelegenheid in april 2012 als ze ons land aandoen). Ze hebben in ieder geval het lovenswaardige doel om de rock ‘n’ roll te behouden voor deze en nakomende generaties. Mooi. Hun rock ‘n’ roll is opvallend main stream, het geijkte werk. Voor getrainde rock ‘n’ roll-oortjes iets te mak. Het doet me denken aan de doorsnee rock ‘n’ roll uit de tweede helft van de revival, in de early 80’s, zoals van bijv. Dave Edmunds, zij het minder commercieel. In de verte horen we met enige fantasie wat Bill Haley, Jerry Lee en Chuck Berry, om een idee te geven. De wapenfeiten van de sinds 2009 in deze bezetting spelende Richard Andersson (mondharmonica), Anders Umegard (piano), Stefan Asplund (gitaar), Mats Brobäck (drums) en Raimo Oxhammar (ritmegitaar) beperken zich tot een TV-optreden voor de Zweedse TV in 2007, een Europese plus Amerikaanse tour in 2010 en hun grote ‘scene hit’ Rap Is Crap (2005) over de ‘muziek’ op de hedendaagse radiostations: wat een statement! You’re right brother. Volgens Anders waren er zelfs rap-artiesten die de song cool vonden. Zullen de tekst wel niet hebben begrepen, door de grote hoeveelheid begeleidende muziek, die je in rap immers mist. Pianist Anders neemt merendeels de leadvocals voor zijn rekening, afgewisseld met Richard. Ik hoef echter niet te vermelden welke songs, want verschil hoor je nauwelijks tussen beiden. Bij alle nummers (dus van beide zangers!) bekruipt me het sterke gevoel, dat ze consequent iets de toon zingen. Dit is wellicht alleen interessant voor de puristen, de dansers zal het wellicht geen bal interesseren. De vocale versterking in de gedaante van de lieftallige blonde Little Karen alias Karin Johansson daarentegen, is geheel andere koek. Dat smaakt beter! Haar songs zijn ook de sterkste van het album, niet alleen zangmatig. Het schijnt dat het door haar gezongen nummer, met begeleiding van de band, You’re The One, in 2009 een favoriet is geweest op Zweedse radiostations. Op het album is ook gastmuzikant Otto Gryting (saxofoon) prominent aanwezig. Als je een echte vloerveger bent, dan kom je aardig op je kosten. Ding Ring-A-Ding Ding swingt al aardig, echte piano-rock ‘n’ roll. Hangover is een mid-tempo shuffle rocker uit de pen van bevriende Amerikaan Darrin Mazzilli en gaat meer richting New Orleans stijl. Lekker jumpen en jiven in Spend Some Time With Me, om daarna te genieten van Karin in Bad Investment Blues, dat gewoon een spetterende rocker is. Een beetje Long Tall Ernie ontwaren we in het up-tempo Pause ‘N’ Rewind, alvorens de Zweedse schone ons meeneemt in een Jerry Lee achtige stomper: Window View. Mocht je onweerstaanbare drang voelen mee te willen zingen, dan kan dat, want het booklet bevat alle lyrics van de eigen composities van de hand van Anders die, net als jullie redacteur, graag songs schrijft met een message. Alleen bij het van Carl Perkins resp. Little Richard geleende Gone Gone Gone resp. Send Me Some Lovin’, wordt je geacht de tekst van buiten te kennen. Send Me Some Lovin’ heeft die 70’s ‘eerste revival helft’ touch, die ik ietwat te modern vind, maar smaken verschillen nu eenmaal. Call Me Up heeft duidelijk invloeden van Dave Edmunds, maar ik moet verrassend genoeg bekennen dat het wellicht het beste nummer van het album is. Oeps. Zitvlees krijg je er zeker niet van. Zowel van Karin als Unkool Hillbillies een prima muzikale prestatie. Het zijn van die nummers, die je normaliter op de radio hoort, zo’n hit-achtig deuntje is het. Dat men niet vies is van instrumentaal, bewijst de band in Rauchan. Tja, wat is het? Geen Spotnicks, geen Ventures, geen Shadows, geen surf… gewoon een heerlijke gitaar-instro met Mexicaanse inslag in het ritme. Everlasting Love Blues is geen blues, maar een poppige rocker met voor mijn gevoel een zigeunermuziek feeling. Jumpen doen we weer in Watch My Signals. Een instrumentale piano/ twangy guitar rocker weergalmt in Hillybilly Twist. Netjes. Gone Gone Gone is een swingende bluesharp rocker en is echt iets voor vliegende petticoats. Cool. Blisters klinkt weer iets moderner en daarin kan de blonde zangeres nog eens een keer haar zangkunstjes tonen, uhm, laten horen. Ook dit nummer valt weer in de categorie, stoelen en tafels aan de kant. Als je dan moe gezweet bent van al het dansen, krijg je nog steeds geen rust. Want het album wordt verlaten in een raketvaart met de live-opname (opgenomen in jazzclub Stampen) One More Time.
Al met al een behoorlijk dansalbum. De band is van mening dat het een must is voor iedere rockabilly fan of 50’s rock ‘n’ roll fan. Het is zeker geen rockabilly-album. Punt. (Puur) 50’s kan ik het evenmin noemen, ook al liggen de roots van de nummers natuurlijk wel daar. Maar het geheel heeft een te moderne touch om als 50’s rock ‘n’ roll album te gelden, daarvoor is het te weinig hepcat. Het is niet een bepaalde stijl of alleen vintage of alleen revival, het is een mix van alles wat, met de nadruk op piano, sax en bluesharp. Dus meer richting Louisiana/ New Orleans black inspired rock ‘n’ roll. Liefhebbers van pompende piano’s en dansbare rock ‘n’ roll hebben met dit album de juiste muziek in handen. Of het dan ‘pause and rewind’ is, of mogelijk zelfs ‘repeat’, laat ik graag aan de luisteraar over. Meer informatie in het Engels op: www.unkool.se (Henri Smeets)


BITS AND PIECES/ JOHN GUSTER
Blue Lake Records, BLR-CD25

John Guster alias Juan Rodriguez uit de zonnige zuidelijke helft van Europa, presenteert zich hier als een one man band, maar wordt ook bijgestaan door zijn band The Engineers. Zelfs zonder deze band is zijn sound ingenieus te noemen. Daarover zo meteen meer. Even terug in de tijd: van 1993 tot en met 1998 trad hij regelmatig op, voornamelijk in Zwitserland, met zijn toenmalige eigen band The Thunder Jets. Daarna concentreerde hij zich meer op het opnemen van andere bands voor zijn eigen JCR Recording Service. Dat is overigens een pure 50’s studio, net als Lightning Recording Service in Berlijn. Die opnames verschenen, en verschijnen nog steeds, op zijn eigen label Blue Lake Records. Live treedt hij solo op, begeleidt door ad hoc muzikanten of gewoon met The Engineers. Hoe dan ook, dit album staat op naam van John Guster himself. Overigens waren de opnames niet bedoeld voor release via een album. Nou ja, we mogen best wel blij zijn dat de songs nu wel onze oren bereiken. Bijgestaan door o.a. bands als Mars Attacks en Grizzly Family neemt Juan ons mee terug in de tijd en blijven we steken rond 1955/1956 zowat. Als je een fan bent van echte 50’s (sounding) rockabilly, dan is deze zilveren schijf een absoluut hebbedingetje. Daarvan word je meteen al overtuigd in opener Young And Wild. Je hebt het idee net een plaat te hebben ontdekt van een obscure vergeten Amerikaanse 50’s rockabilly. Am I Right heeft wat Hayden Thompson trekjes, met gitaarmatig Mystery Train invloeden. Trouwens, ik kan me niet aan het idee onttrekken dat Elvis Sun-rockabillystomper als blauwdruk heeft gediend voor dit nummer hier. Niet alleen rockabilly is te horen, ook de black rock ‘n’ roll hoek is vertegenwoordigd in het nummer You’ve Got What It Takes van Dinah Washington, hier ten gehore gebracht door Barbara Clifford van Chicago band The Honey Bees. Het doet me denken aan de sound van Mickey & Sylvia (bekend van Love Is Strange). Bad Bad Boy is weer wat je noemt traditionele 50’s rockabilly. Sonny Burgess wordt stijlmatig herleefd in Gotta Get Another Girl. De scheurende rockabilly Go Go V8 Ford mag de gelijknamige autofabrikant wat mij betreft gebruiken voor haar reclamespots! Het is echt te horen dat de man veel ervaring heeft met het opnemen van pure 50’s styled vintage rock ‘n’ roll. Don’t Need Your Lovin’ Baby is weer een zwarte rocker, in de stijl die klinkt als wat ooit eens als basis moet hebben gediend voor The Paladins. Het vrolijke Round The World doet Sun-achtig aan, net als The Cats Were Jumpin’, ook al mis je op deze opnames wel de karakteristieke Sun-echo. Ain’t That A Dilly sluit het album in die waardige stijl af. Op de laatste twee songs vind ik de stem van Juan overigens veel gelijken op die van de Zweedse neo-rockabilly zanger Red Hot Max.
Het album is met tien nummers eigenlijk veel te kort, want het smaakt naar meer. Desondanks kunnen we blij zijn, dat deze nummers, die niet bedoeld waren om uitgebracht te worden, nu niet liggen te verstoffen om ooit door archeologen onder een dikke laag grond vandaan gehaald te worden. Hier kun je je rockabillyhart ophalen: www.bluelake.ch (Henri Smeets)


 

 

Trilogie: Schlageracts go rock ‘n’ roll:
THE LAST ROCK & ROLL SHOW/ ROY BLACK & THE CANNONS
Rhythm Island Records, geen catalogusnummer
JUGENDSÜNDEN/ MARY ROOS
Bear Family Records, BCD 16521 CH
DIE POLYDOR JAHRE/ UDO JÜRGENS
Koch Universal Music, 060252779749

Deze albums hier bevatten obscure rock ‘n’ roll-pareltjes uit de jeugdjaren van latere schlagerartiesten. In dat opzicht is de titel Jugendsünden (jeugdzonden) wel toepasselijk bij de toen als ‘duivels’ aangeduide rock ‘n’ roll.

Roy Black & The Cannons.
Duitsland was, in tegenstelling tot andere Europese landen toen, bij uitstek een rock ‘n’ roll-orkest land. Dat wil zeggen: zanger(es) werd begeleid door een groot orkest. Bandjes die platen mochten vereren met rock ‘n’ roll waren exotische uitzonderingen, waartoe vóór 1963 alleen Paul Würges & The Rocking Allstars, The Geisha Brothers en The Tonics behoorden, alvorens pas met de opkomst van de beat massaal de bandjes de Duitse platen gingen bevolken. Zelfs Peter (Kraus) & Die Rockies was gewoon Peter met begeleiding van het orkest Erwin Halletz. Gezien de overdaad aan rock ‘n’ roll-platen in Duitsland (dit in tegenstelling tot Nederland, waar relatief weinig rock ‘n’ roll op plaat werd gezet in vergelijking met het buitenland), was er wellicht geen behoefte aan live-opnames, want echte live-opnames van Duitse acts op plaat, en ook nu nog op CD, zijn ware rariteiten. Wat in de jaren zestig wel gebruikelijk was, was het toevoegen van een nep-live effect, meestal tot afgrijzen van de bands zelf. Dat is de eerste obscuriteit van dit (echte) live-album hier. Tweede bijzonderheid is, dat het hier gaat om een band met een leadzanger, die je eerder associeert met zijn uit 1965 stammende Ganz In Weiss schlager (en die in Nederland 6 keer de hitlijsten haalde). Het moge duidelijk zijn dat deze CD met slechts zes live nummers een leckerbissen (smaakmakertje/ hebbedingetje) is. Dat er maar zes nummers op staan, heeft te maken met het feit dat de tapes decennia lang op een verstofte zolder hebben gelegen en de meeste songs helaas niet meer te redden waren. Maar gezien de zeer redelijke prijs en de bijna Bear Familyaanse aanpak met een 16 pagina boekje met alle gedetailleerde wetenswaardigheden en obscure foto’s, is het moeilijk om dit album in de schappen te laten liggen. Er waren al enkele nummers van Roy Black & The Cannons op plaat verschenen, die Bear Family ooit op CD (BCD15816) heeft uitgebracht, samen met het schlagerrepertoire uit de periode 1964-1968. Die opnames, van drie singles uit 1964 en 1965, waren: Sweet Baby Mein en My Little Girl als shake, Let’s Go als twist en Darling My Love (dit is overigens Mountain Of Love van Narvel Felts uit 1963) als enige echte rock ‘n’ roll-nummer. Dan nog Du Bist Nicht Allein als schlager en Glaube An Mich als schlager met slowrock touch. Opvallend dat Roy solo in 1965, na zijn eclatante succes met schlager Ganz In Weiss, toch nog een cover van Elvis opnam: Ich Suche Dich (His Latest Flame). Er was al bekend dat er van Roy en de zijnen nog meer opnames existeerden, maar tot nu toe was het alleen maar een spraakmakend gerucht. Nu dus, met dit album, is daar een einde aan gekomen. Er is trouwens op Youtube nog een korte video-impressie te zien van een live optreden van de band uit de musical over Roy Black uit 2000: het speelt in 1964, met een twistversie (dus geen shake, zoals op de plaat) van Sweet Baby Mein. Dan hier nog een echt live-optreden uit 1965, waarin Roy Elvis’ nummer His Latest Flame zingt. Deze obscuriteiten (want meer zul je van de man uit die rock ‘n’ roll periode echt niet vinden) wilde ik jullie niet onthouden.
Dan het album zelf: Rhythm Island Records heeft zich echt alle moeite gedaan om er een collectors item van te maken. Er zijn behoorlijk wat oude foto’s te zien van de band en ook van het gedenkwaardige optreden, waar de opnames zijn gemaakt door leadgitarist Helmut Exenberger op tweede kerstdag 1964 met de bandrecorder, die hij net een dag tevoren als kerstgeschenk gekregen had. Verder zijn er ook een entreekaartje en affiches te zien. Aan het woord komen de journaliste die over het optreden schreef (ook zijn fragmenten geciteerd uit ander kranten, waarin alleen maar (zoals toen gebruikelijk) schande werd gesproken over het optreden. Des te opvallender is, dat tijdens het optreden de burgemeester aanwezig was en het best acceptabel vond met de volgende woorden: “20 jaar geleden (1944) waren wij niet zo braaf als deze jeugd nu, liepen rond in bruine kleren en sloegen iedereen in elkaar”. Zo kun je het ook benaderen en de kritiek was opeens verstomd). Verder komen oud-bandleden Peter Schwedes (basgitaar), Günter Ortmann (piano) en Helmut Exenberger (leadgitaar) aan het woord. Drummer Dieter Sirch is in 1972 in Zuid-Afrika verongelukt.
In september 1963 werd de band opgericht, met naast voornoemde bandleden, ook nog Dieter Schwedes (de neef van Peter) op gitaar. Maar voordat de band er was trad Roy alias Gerhard Höllerich al solo op met nummers van Roy Orbison, Elvis en Cliff Richard. Are You Lonesome Tonight was zijn paradesong. In het cafe Karly’s Affenstall ontmoet hij in 1963 de rock ‘n’ roll band The Honki-Tonks, waarvan hij de zanger wordt. Later dat jaar richt hij zijn eigen band Roy Black & The Cannons op. Roy is ontleend aan Roy Orbison, Black aan zijn zwarte haar (bijnaam Blacky) en Cannons is een antwoord op de uit die contreien komende Mike Roger & The Machine Guns (die lange tijd verkeerd als Indoband werden aangezien). De band uit Augsburg trad op in nozemcafé’s en voor de daar gelegerde Amerikaanse soldaten. Ook al speelde men ook de net opkomende beat van de, opmerkelijk genoeg, lokaal toch nog onbekende Beatles, gelukkig heeft men destijds de rock ‘n’ roll nummers opgenomen: de Ray Charles klassieker What I’d Say, Ben E King’s Spanish Harlem, Chuck Berry’s Memphis Tennessee (in de Duitse versie bekend van Bernd Spier), Molly van Eddy Arnold, Hippy Hippy Shake van Chan Romero en Cliff Richard’s Y’Arriva. Dit optreden vond plaats voor Amerikaanse soldaten en des te opvallender is het dus dat men Memphis Tennessee in het Duits zingt! Op deze opnames is duidelijk te horen dat Roy’s hart ligt bij de rock ‘n’ roll (Roy Black als rocker, yep!) en niet de schlager, die hij en de band aanvankelijk ook weigerden op te nemen. Financieel gezien was het een goede zet van hem om uiteindelijk toch overstag te gaan en schlagers te zingen, maar voor ons als rock ‘n’ roll-liefhebbers is het natuurlijk jammer. De opnames laten een echte energieke nozemse rock ‘n’ roll-band horen met veel power en drive in de vlotte nummers. Ook de opnamekwaliteit is best behoorlijk te noemen.
Een album dat het geld meer dan waard is, ondanks zes nummers, maar wel met veel liefde samengesteld, dat is duidelijk te zien. Ondanks het ontbreken van het catalogusnummer (daar werkt het label vreemd genoeg niet mee, wat eigenlijk door de auteursrechtenorganisatie wel verplicht is) betreft het hier zeker geen bootleg (is gewoon via Bear Family, Duitse Media Markt etc. verkrijgbaar), want men heeft hulp gehad van met naam genoemde personen van Universal Music en het in de Duitse rockabilly scene bekende Cargo Records. Info: www.rhythm-island.com

Mary Roos.
Tja, als Zuid-Limburger ben ik natuurlijk met schlagers opgegroeid. De rest van Nederland kon van die muziek meegenieten via het Schlagerfesival in Kerkrade, dat destijds via de Avro en daarna de Tros televisie werd uitgezonden in de jaren zeventig en tachtig, met Dennie Christian als presentator. Gaandeweg de jaren negentig werd het stil rond het festival, maar sinds 2010 wordt het weer jaarlijks georganiseerd in oude stijl. Roy black was vroeger vaste prik, maar ook Mary Roos (en ook Udo Jürgens, zie volgende recensie) was er meermaals te gast. De Duitse, met haar grote hit Ich Werde Geh’n Heute Nacht uit 1979, deed haar entree in de hitlijsten van de oosterburen op 17 juli 1965 met een bescheiden succes: Geh Nicht Den Weg (36). Ze zou naast die twee voornoemde hits nog 18 maal scoren. Overigens is ze niet te verwisselen met Marianne Rosenberg, die destijds ook een grote hit in Nederland heeft gehad (Ich Bin Wie Du). Ik viel dan ook van mijn stoel af toen Bear Family opeens eind 2011 met een album met o.a. rock ‘n’ roll- en twist-nummers op de proppen kwam van mevrouw Roos. Waanzin! Van de meeste artiesten is wel bekend dat ze ooit in vroeger tijden rock ‘n’ roll, country of jazz hebben opgenomen, maar bij Mary was dat dus niet het geval. Nu zijn we ook van haar ‘jeugdzonden’ getuige in een drie-CD set. De opnames bestrijken de periode 1959-1969. Voor ons rock ‘n’ rollers staan op alle drie CD’s interessante songs. CD1 omvat de jaren 1961-1964, CD2: 1964-1969 en CD3: 1963-1968 plus als bonus een aantal opnames uit 1958-1959. Mary Roos begon voor het grote platenlabel Polydor als 9-jarig kindsterretje tussen anders rockers van faam, Tommy Kent en ‘Duitse Elvis’-strijdhanen Peter Kraus en Ted Herold. Zoals met kinderen gebruikelijk zong dito liedjes, totdat men haar met de steeds prominenter aanwezige rock ‘n’ roll, ook dat liet zingen. Opvallend genoeg komt Mary daarna, vanaf 1961 (tot en met 1965) terecht op een hele reeks van obscure labeltjes, zelfs voor verzamelaars ware collectors items tegenwoordig: Bella Musica, Weltmelodie, Bambina, Starlet, Victoria, Saba en Center. Nu is ook duidelijk waarom er van haar jeugdjaren zo weinig bekend is. De drijvende kracht na die Polydor periode was platenbaas van Bella Musica, Horst Heinz Henning. Die sleet de songs aan al die voornoemde goedkope platenlabeltjes (vergelijkbaar met Discofoon in Nederland of Expo in België). Terug naar het begin. De dochter van hoteleigenaren, haar moeder deed de onderhandelingen met de platenlabels, werd ontdekt tijdens de jaarlijkse vrijetijdsoptredens van de muzikale hotelgasten, waarop ook Mary moest (!) zingen. De jonge Rosemarie Schwab was de tegenhanger van de voormalige begin jaren vijftig kinderster Conny Froboess, met wie ze trouwens samen meermaals zou optreden en een vriendschap zou ontwikkelen. Als kind stond ze op het podium met de Duitse rockers Peter Kraus, Ted Herold en Tommy Kent. Na de eerste platen voor Polydor in 1958 en 1959, die niet bepaald succesvol waren, was het even rustig totdat in 1961 Horst Heinz Henning haar onder haar vleugels nam voor zijn eigen label Bella Musica. Zoals in die tijd gebruikelijk werd er aardig wat geëxperimenteerd met teenager artiesten, vooral de buitenlandse maar ook de minder bekende binnenlandse. Alleen zangers als Peter Kraus en Ted Herold werden grotendeels ongemoeid gelaten en mochten merendeels rock ‘n’ roll opnemen. Bij Mary was dat anders, zoals bij haar iets oudere naar Duitsland geëmigreerde concurrenten Lill Babs (Zweden), Gitte Haening (Denemarken) en Peggy March (Amerika) en eveneens iets oudere Duitse tegenpolen Heidi Brühl en Manuela. Dus schlager, polka, Latijns-Amerikaanse thema’s, country & western deuntjes, rock ‘n’ roll, twist, pop. Net wat op dat moment ‘in’ was, gevraagd was. Pas in de jaren zeventig zou ze definitief doorbreken in de schlagerwereld.
De eerste CD opent veelbelovend met een doo-wopper: Imagination (origineel van The Quotations, ook bekend van Rocky Sharpe & The Replays) uit 1961. Tussen enkele schlagers door komen we nog meer rockertjes tegen: Connie Francis’ Everybody’s Somebody’s Fool, hier in de Duitse hitversie van Connie: Die Liebe Ist Ein Seltsames Spiel (hier in een snellere versie dan het origineel). Zoals het Bear Family betaamt is de CD set voorzien van een schitterend 72 (!) page booklet en opnames van verbluffende kwaliteit. De volgende Connie Francis’ cover dient zich aan: Schöner Fremder Mann (het enige nummer dat Connie ooit in het Nederlands gezongen heeft in 1961: Jij Bent Niet Van Mij) ofwel Someone Else’s Boy. We zitten nog steeds in hetzelfde jaar met een Connie Francis achtig Ein Seemann Versprach Ihr Die Treue. Wat nu al opvalt aan de nummers is, dat ze met 12 jaar al klinkt als een zangeres van 18! Volle mooie frisse heldere stem. Met die leeftijd al dozen vol liefdesliedjes zingen ging haar, ondanks haar verlegenheid daarover, goed af en zingt ze desondanks met overtuiging. Vreemd dat die opnames (van opvallend goede kwaliteit) nooit hits zijn geweest, wellicht omdat Bella Musica gewoonweg te klein was. Maar Horst Heinz Henning had wel een neusje voor haar talent! Swingend zijn we inmiddels aangekomen in 1962 met Wie Schön Daß Wir Jung Sind (van de hand van de platenbaas zelf, die trouwens veel songs geschreven heeft voor haar). De slowrocker, waarvoor het Duitse man/ vrouw schrijverspaar-equivalent van Felice Bryant/ Boudleaux Bryant, Fini Busch/ Werner Scharfenberger, verantwoordelijk is luistert naar de titel Einmal Komm Ich Wieder. Een kruising tussen schlager, doo-wop en highschool ontwaren we in het echte tienernummer Mama Will Dich sehen (over het stiekem kussen in de late avonduurtjes). Het is een duet met Ricky Thomsen. De rustige highschool rocker Die Wege Der Liebe maakt de weg vrij voor de overbekende schlager Heißer Sand (van voormalig Italiaanse rock ‘n’ roll-, en in 1962 inmiddels schlager-, zangeres Mina). Tussendoor hebben we nog schlagers als Heidi Brühl’s Lady Sunshine Und Mister Moon (ook door The Blue Diamonds aan plaat toevertrouwd), Paradiso (van Anneke Grönloh) en Barcarole In Der Nacht (van Connie Francis). Rosen Sind Rot is de Duitse titel van Bobby Vinton’s Roses Are Red, gevolgd door de uit 1963 stammende slowrocker Wir Gehören Zusammen (duet met Perry Neumann) en teenypop Wenne Wenne Wenn. Mary zingt in die beginperiode 1961-1963 voornamelijk rustiger nummers. Daartoe behoort ook Ewiges Spiel (slowrock), maar in Kellerparty-Twist (te horen in de film Nebelmörder, 1964) gaat het er wat pittiger aan toe. Zwei Auf Einer Bank is weer een voorbeeld van teenypop (duet met Perry Neumann). In 1964 laat Mary horen dat ze ook bij pittiger nummers goed uit de verf komt: opener van de tweede CD, Ich Sage ‘No’ Boy. De song Darling Komm Bald Wieder is een highschool rocker, die niet echt los komt, omdat de versnellingen in de song steeds weer worden afgebroken in plaats van te continueren. Jammer. Mama, Verzeih Mir uit 1965 is weer zo’n typische Connie Francis, bij tijd en wijle early 60’s Brenda Lee, slowrocker. Op de Neil Sedaka achtige tour in de hit Geh Nicht Den Weg. Money Boy is een echte shimmy shimmy. Kein Weg Ist So Weit doet weer denken aan Connie/ Brenda (het heeft elementen van de stijlen van beide zangeressen), daar waar Junge Liebe uit 1966 een twist is. Op de derde CD vinden we de slowrocker Leise uit 1963, met een onbekende duetzangeres. Het beste komt, zoals bekend, steeds het laatst. Enkele pareltjes vinden we aan het einde van de CD: de opnames als kindster (in deze nummers beter ‘kindrockster’) uit 1958/59. De swingende rocker Dann Wär Was Los uit 1958 is de eerste uit het parelkettinkje. Ich Möcht’ Schon Sechszehn Jahre Sein uit 1959, zangmatig in de stijl van Conny Froboes. In Musik Hab’ Ich ‘Ne Eins rockt ze lustig verder (met lichte Kalin Twins inslag). Als afsluiter van deze parelserie en tevens CD-3 is Conny Froboes’ Bluejean Boy, uit 1959, dat meer rockt dan het origineel!
Een CD-set die vooral Connie Francis fans kan bekoren. Hou je daarnaast ook nog van ‘50er/’60er jaren schlager, dan is dat mooi meegenomen. Info: www.bear-family.de

Udo Jürgens.
De Oostenrijker (!), die pas in oktober 1965 de internationale wereld op zich opmerkzaam maakte met het overbekende Siebzehn Jahr Blondes Haar, er in maart 1966 de gelijk grote internationale hit Merci Cherie aan toevoegde en als klap op de vuurpijl in oktober van dat jaar nog een derde nationale (Duitsland) nummer 4-hit lanceerde met Sag Mir Wie, had echter daarvoor al 6 hits gescoord: Jenny (1961), Kiss Me Quick (1963), Schreib Mir Keinen Brief (1964), Warum Nur Warum (1964), Frag Nie (1965) en Sag Ihr Ich Laß Sie Grüßen. In totaal zou hij ruim 60 (!) keer de Duitse hitlijsten bestormen.
In Nederland bleef het beperkt tot slechts 7 hits. Er waren al eerder op samplers spaarzaam enkele rock ‘n’ roll-opnames van Udo uit zijn vroegere jaren verschenen, maar nu pas (voor het eerst op (dubbel-)CD (na 45-55 jaar)) zijn de complete opnames (althans Polydor en het sublabel voor jong talent: Heliodor) beschikbaar (wel is destijds een LP verschenen op Bear Family). De carrière van Udo Jürgen Bockelmann begint in 1956 als hij in Hamburg zijn eerste plaatje mag opnemen, waarop je nog een licht Oostenrijks accent hoort. Het zijn in die beginjaren (1956-1960) mierzoete (suiker, sacharine en zelfs aspartaam zijn er niks tegen) prairieliedjes, Italiaanse wegdromers, schlagers, tango’s en Mexicaanse thema’s, die men de jonge megaster in spé, die op de een of andere manier niet echt bij de songs past, laat opnemen. Dat deze songs geen hits zijn geworden mag niemand verbazen, zelfs niet in een schlager doordrenkt na-oorlogs Duitsland. Het zijn voornamelijk deze nummers die de eerste CD bevolken. Niettemin lichtpuntjes waren er ook. Doch Abends Lässt Du Mich Allein (Knee Deep In The Blues, Guy Mitchell) uit 1957 met begeleiding van het orkest van Martin Böttcher, de man die nog schitterende (meteen herkenbare) filmmuziek zou componeren voor de Edgar Wallace thriller speelfilmserie en Winnetou indianen speelfilmserie. Wann Kommt Die Liebe uit 1958 is een typische slowrocker, zoals we die ook kennen van Peter Kraus. Daar waar Peter jong en fris klinkt als een 16-jarige, lijkt Udo de 60 gepasseerd te zijn (hij was pas 24!). Niettemin is daar opeens de coole highschool rocker Immer Wieder Denk Ich An Hawaii Zurück (1958). In datzelfde jaar zingt ‘opa’ de teenagerballade Das Spiel Mit Der Liebe. Vervolgens een aardige cover zingend van Terry Dene (Stairway Of Love): Die Insel Des Glücks. In Das War Ein Schöner Tag (ofschoon niet een echte rocker, toch elementen ervan bevattend) laat Udo voor het eerst een rockiger stem horen, zoals die vanaf dat moment te horen zou blijven in de daaropvolgende jaren. Van opa Udo naar teenager Udo dus. Op al deze nummers wordt hij begeleid door een doo-woppend achtergrondkoor. Voor ons rockers is de tweede CD pas echt interessant met een behoorlijke dosis rockende songs. Gezien het feit dat de dubbel-CD evenveel kost als een enkele CD, is het niet erg als we de eerste CD dan alleen maar als veredelde onderzetter kunnen gebruiken. Dat het dubbelalbum bedoeld is als fanexemplaar, moet blijken uit de detailinformatie van de opnames en wat achtergrondinformatie in het uitklapbare ‘boekje’. Niettemin, de voornoemde informatie over de hits ontbreekt daarin. Evenals de originelen van de gecoverde songs. Jammer toch. Het eerste nummer op de tweede CD laat meteen het rockerhart harder kloppen: Stop Das Ist Meine Braut (Be My Guest, Fats Domino) uit 1958. Ook al werd Udo nog steeds gestrikt voor schlagersongs, was de overstap naar echte teenager songs een feit. Es Zieht Ein Spielmann Durch Das Land (My Lips Are Sealed, Jim Reeves) is nog wat matjes, maar Susanie (Just About Time, Johnny Cash) daarentegen laat een erg opgewekte Jürgens horen. In duet met Margot Eskens (bekend van Cindy Oh Cindy) brengt hij het swingende Drei Takte Musik Im Herzen ten gehore. Zijn absolute topper is en blijft zijn eigen compositie: uit 1959, Swing Am Abend. In Zuid-Limburg destijds gepopulariseerd door Die Drei Cordis Orignal. Een swingende rocker met Dave Cortez achtig Hammond orgeltje! Udo vliegt uit de bocht. Rustiger doen we het aan in de slowrocker Einer Kommt, waarin Udo weer even een stembreuk van teenager naar opa heeft. Cool nummer, maar het is alsof quasi een vader een kinderliedje zingt. Dat is wel even anders in de goede mid-tempo rocker, met coole gitaarbegeleiding, Susie Dein Zug Ist Weg (weer zo’n typische song over een meisje dat te laat thuis komt…oeps, zeker anno 1959). Dit is een cover van Susie We Goofed Again van Billy Dawn, een antwoordsong op Wake Up Little Susie van The Everly Brothers. Kissin’ Time van Bobby Rydell wordt in hetzelfde jaar gezongen als Ich Küßte Dich Einmal. Diana Mademoiselle is een als cover klinkende eigen kompositie. De breaks lijken evenwel erg veel op die in Texas Baby van rocker Ted Herold, wat wederom lijkt op een nummer van de Britse Bobby Angelo & The Tuxedos). We hebben dan het jaar 1960. Het jaar waarin Udo tijdens het Knokke Festival in België een prijs wint met zijn eigen kompositie, Jenny (slowrock). Een heel goed gezongen nummer. Highschool rocker Doch Leider Ist Es Nicht War is een cover, geschreven door Jack Clement, al moet ik het origineel schuldig blijven. Ich Komm Von Mississippi Tweedy Cheerio is een zeer geslaagde rockige twister uit 1962. Melig daarentegen is Prinzessin Romantika, een van de miljarden liefdesliedjes die er ooit geschreven zijn. Geheel met prominent aanwezige basgitaar (sinds Bert Kaempfert (gitarist Ladi Geisler) en James Bond een vast bestanddeel in de toenmalige tienermuziek, rock ‘n’ roll en twist) en strijkorkest. Als bonus vinden we nog de Engelstalige versie van Jenny. Voor de rest is de tweede CD opgevuld met nog wat swing nummers uit die vroege jaren.
Voor hen die van obscuriteiten op rock ‘n’ roll-gebied houden en het geijkte werk wel zo’n beetje kennen, is deze dubbel-CD zeer zeker de moeite waard. Info: www.universal-music.de (Henri Smeets)

naar boven

(reclame)

15 december 2011

EARCATCHIN’/
ROCKIN’ HENRI & THE EARCATCHERZ
HJRS Autodidact Music, HS112011

Drie en een half jaar na zijn debuut-CD op het Zwitserse TCY Records presenteert singer-songwriter Rockin’ Henri zijn tweede CD, dit keer op zijn eigen Autodidact Music label.
Henri is nog even sociaal bewogen als toen want waar de meeste rock ‘n’ roll songs over liefde, auto’s en feesten gaan, beweegt Henri’s songwriting zich ook in zowel maatschappelijke als persoonlijke thema’s. Het eerste dat me echter opvalt is dat de muziek een stuk steviger en moderner is dan ik van purist Rockin’ Henri verwacht had. Op het hoesje lees ik ‘100% vintage styled rock & roll’, maar bij mij komt de term ‘neo’ (neo-rockabilly) eerder in me op. Dit heeft niets met het gebruikte vintage instrumentarium te maken, doch meer met de productie, afmixing als ook de karakteristieke gitaarsound (in bijvoorbeeld het als ballade startende maar als rockabilly vervolgende We’re Different So What). Desalniettemin is het zeker en vast dat we hier take-voor-take opgenomen 100% procent rock ‘n’ roll voorgeschoteld krijgen (live opgenomen in de studio, dus zonder dubs!). Zie het openingsnummer The Girl In The Black Stockings dat beginnend met gitaar opgebouwd wordt tot een repetitieve bluesbop rockabilly song. Jawel, Henri is niet alleen sociaal bewogen, hij is ook nog een rasechte mannelijke rocker, haha! Henri’s stem is flink vooruitgegaan (dankzij zijn inmiddels opgebouwde ervaring compleet met zanglessen en al) maar zal altijd wat kracht blijven missen. Zijn tomeloze gedrevenheid en enthousiasme poetsen dit euvel echter een stuk weg. Daarbij weet hij telkens de juiste intonatie te leggen. Zie in dat licht bezien bijvoorbeeld de highschool ballade met Mexicaanse invloed Friends And Enemies (waarin opvallende versnellingen zijn verwerkt). In het Elvis ‘One Night With You’-achtige I’m Falling One Step Short Of Everything I Do lukt dat dan weer wat minder. Het nummer loopt niet zo, vind ik. Henri’s ideeën en melodieën zijn vindingrijk. Een voorbeeld daarvan is het smakelijke If A Rose Is Knocking On Your Door, een hillbilly met ‘galopperende’ bas en drum, alsmede prima ‘rollend’ gitaarspel. De bekwame band achter Henri, The Earchatcherz, bestaat uit de Duitse gitarist Sergej Gamza (vooral bekend van Little John & the Cadillacs), de ook uit Duitsland afkomstige contrabassist Aleks Skull (nu in de band Doc Rock & the Restless Hearts) en de Luxemburgse drummer Yves Ditsch (Little John & the Cadillacs, Smooth & the Bully Boys). Speltechnisch lijkt me I’ve Got A Girl Named Gretch een van de hoogtepunten. Het nummer is een ‘herbewerking’ van een eerdere versie en is verre van standaard, doch pure rock ‘n’ roll. Dat Henri een echte singer-songwriter is staat buiten kijf, dat hij zich er ook her en der opvallend kwetsbaar in presenteert leren ons songs als Mama Why Did You Had To Go (over zijn in 2009 overleden dierbare moeder), Have A Little Bit Respect (Henri als lid van een datingsite) of vooral I’ve Lost My Baby To A Big Pink Girl (ervaar de betekenis zoals het hier staat of lees Henri’s persoonlijke noot in het booklet…). Niet elke song in deze pakt altijd even goed uit, maar dat dit dan ook prima kan werken wordt sowieso bewezen door de rockabillysong Too Old To Race Too Young To Stroll, dat gaat over Henri in zijn mid-life… Wie zei daar crisis? Nee, over zijn persoonlijke crisis gaat I’m A Man I’m A Poser, waarin Henri solo en akoestisch ‘vertelt’ over een terugslag in zijn leven.
Tot slot nog even wat opvallende feitjes: De opnames werden geproduceerd door Yves Ditsch in zijn eigen Studio-D, maar werden geremasterd door Brad Blackwood in Memphis (ZZ Top, Willie DeVille, Pinetop Perkins, Otis Rush etc.), de promotiefoto’s werden genomen door topfotograaf Henk Hermanns, het coverdesign werd onder handen genomen door Jody Gannon (ook in dienst van de Walt Disney Studios!) en voor het overige designwerk schakelde Henri John Giarrizzo in.
Zeker vanwege zijn originaliteit is dit album een aanbevelenswaardig item, als je de minpuntjes even wegneemt. Dat moet niet al te moeilijk zijn gezien het feit dat de CD maar liefst 18 songs telt.
Info: http://earcatcherz.rockinhenri.com (Frans van Dongen)


TROUBLECASTER/ VIDAR BUSK & HIS BUBBLE OF TROUBLE
Blue Mood Records, BMCD 6515

Lang geleden, alweer in 2000, bespraken we in ons gedrukt magazine al eens een CD van Vidar Busk uit Noorwegen, toen nog met zijn True Believers. Het is gek, maar zonder kort geleden deze CD nog eens beluisterd te hebben weet ik na meer dan 11 jaar nog hoe de CD klonk (niet dat ik nu zo’n goed geheugen heb, maar misschien wel een goed selectief geheugen…). Het ging toen om ruige, vaak bombastische rock ‘n’ roll waarbij ik vaak aan The Brian Setzer Orchestra moest denken.
Laat dat nu ook weer het geval zijn, en wel om het volgende: de sound is wederom niet al te slapjes, dat horen we meteen al in de openingstrack Are You With Me Baby. De originele versie van The Leroi Brothers, begin jaren ’80 was al stevige garage rock, dit doet hier niet voor onder. Zie het als een kruising tussen LeRoi Brothers en Brian Setzer. Crazy Ol’ Barrytone kennen we ook, zij het als Mellow Saxophone, origineel van Roy Montrell maar natuurlijk zeker zo bekend van Brian Setzer. Waarom ze de titel veranderd hebben? Waarschijnlijk omdat hier nagenoeg alles draait om een wall of sound en de bariton is natuurlijk robuuster van geluid dan een ‘mellow sax’! Dat neemt niet weg dat het niet alleen maar om hard en luid draait, dan zou je Vidar Busk te kort doen. Luister maar eens naar Train Kept A-Rollin’, mid tempo zoals Tiny Bradshow het zelf bracht, maar dan eh… robuuster gebracht. En dat zes en een halve minuut lang, een tikkeltje té lang als je het mij vraagt. Ook Jeanie, Jeanie, Jeanie van uiteraard Eddie Cochran wordt hier eveneens vrij… eh… robuust gebracht met uitermate sterk gitaarspel van Busk himself én met een damesstem die sexy “All the cats are hoppin' at the big 5-4” mag uitlaten. Eigen nummers zoals Hurry Up ’n Wait of One Eye Open zouden zo door Setzer vertolkt mogen worden, zonder nu te zeggen dat deze versie van mindere kwaliteit zouden zijn.
Stijlmatig valt Alabama Bloodhound opvallend genoeg dan toch uit de boot. Dit houdt zo het midden van modernere rhythm & blues en een sound á la B.B. King. Niet mijn ding. Nog zo’n vreemde eend in de bijt: het instrumentale Troublecaster als een combinatie van lounge, surf in veel herrie. Think Miserlou van Dick Dale, want op die melodie wordt het vertolkt. Het veel gecoverde Please Give Me Something is natuurlijk ook stevig, terwijl de ballade Sneakin’ Around het rustpunt van het album vormt.
Dit is geen album voor watjes! Wie van een sound a la Setzer (Orchestra) houdt, houdt zonder twijfel ook van Vidar Busk. Voor info kun je www.vidarbusk.no checken. R-o-c-k-e-e-e-e-e-e-e-e-e-n!!! (Frans van Dongen)

naar boven

1 december 2011

INTRODUCTION/ THE HOT ROD RHYTHM BOYS
Jupiter Stroll Records CD012

Nooit gehoord van deze Finse band? Wij ook niet, maar we zijn zeker dat u hun zanger-gitarist kent, want da’s Mark Harman! Daar zit een verhaal achter: de jongens nodigden de frontman van Restless in 2007 uit om gitaarles te komen geven in hun muziekkamp, Harman zag twee weken betaalde vakantie wel zitten en bracht zijn gezin mee. Dat leidde tot een concertje in een plaatselijk café, dat leidde tot een tour waarbij Harman werd begeleid door The Hot Rod Rhythm Boys, en dat leidde in 2010 tot een titelloze EP met vier covers waaronder Ghost Town van Restless zelf. Nu, euh, introduceren ze hun album debuut. Toch is deze CD en bij uitbreiding deze band niet wat je zou verwachten, en dat om diverse redenen. Om te beginnen staan Harman’s naam noch foto noch vooraan noch achteraan op de CD en wordt dit dus nadrukkelijk niet gemarket als een zijprojectje van Mark Harman. Daarnaast klinkt eigenlijk noch de stem noch het gitaarwerk typisch Mark Harman, en vooral dat laatste is opvallend omdat ie toch een heel karakteristiek eigen eindeloos friedelend gitaargeluid heeft, onmiddellijk herkenbaar bij Restless en bij de andere bands waarin hij speelde, zoals Red Hot And Blue en The Space Cadets. Tot slot is de stijl geen neo maar harde rock ‘n’ roll die niet zozeer hedendaags klinkt maar de inspiratie zoekt bij de tijdloze rock ‘n’ roll met een flinke scheut rhythm ‘n’ blues gitaar die we bluesrock zouden noemen als die term voor ons niet zulke negatieve connotatie had. Nee, dit is het soort rockende pubrock zoals het sinds de jaren ’60 onafgebroken gespeeld is geweest door cafébands allerhande, en dat merk je op deze CD aan de covers, want uitgezonderd twee tracks is dit opnieuw een coveralbum geworden. De gecoverde songs scheppen duidelijkheid: The House Is Rockin’ van Stevie Ray Vaughan uit 1989 is zowat het lijflied van deze stijl (zelfs The Comets coverden het), Get Out Of Denver is Bob Seger die in 1974 Chuck Berry ontdekte, Homework is van Nine Below Zero, zowat de ultieme Britse pubrock band. Mercury Blues is ruiger en harder dan Alan Jackson maar blijft melodieus. I Wanna Be Your Lover van Bob Dylan uit 1965 wordt moderne rockabilly. Sharp Dressed Man van baardmensen ZZ Top uit 1983 blijkt prima te werken in deze rock meets rock ‘n’ roll stijl, merkwaardig genoeg zelfs beter dan Jungle Drum, het aanstekelijk radiohitje van Emiliana Torrini uit 2009, terwijl je eigenlijk zou verwachten dat dat nummer beter geschikt is om een rock ‘n’ roll behandeling te krijgen. The Hot Rod Rhythm Boys koppelen die Jungle Drum aan de jungle drums van Bo Diddley, maar het resultaat vind ik tegenvallen, misschien omdat ze het trager doen dan het origineel. Twee nummers komen uit de rockabilly: What Did You Say (los uit het hoofd: van het Red Hot And Blue album Still Jumpin’ Around uit 1998, dus toen Harman deel uitmaakte van Red Hot And Blue), en My Little Sister’s Gotta Motorbike van Crazy Cavan, en vooral in dat laatste nummer hoor je goed de “bluesrock” aanpak van The Hot Rod Rhythm Boys: het zit ‘em in hoe die rechtdoor gitaar gespeeld wordt. Ook typisch voor dit genre: de gitaarsolo die twee keer een rondje doet. Van de 12 songs zijn er zoals gezegd slechts twee niet-covers, They Go Wild en de instrumentale countrypicker Country Showdown (dus toch enige stilistische variatie), beide van de hand van gitarist Jari Rautio. Hem ken ik niet, drummer Tommi Hänninen en contrabassist Lauri Valkonen speelden reeds samen in Nine Lives, ook een “harde” hedendaagse rock ‘n’ roll band. Als je een beetje van een rockende bluesgitaar houdt kan dit album je misschien wel bekoren. Restless fans daarentegen zullen raar opkijken. Info: www.jupiterstrollrecords.com en www.hotrodrhythmboys.com. (Frantic Franky)


THE BILLY BANKS SESSIONS/ JOHN LEWIS TRIO
Atomic Cowboy Records ACR003

John Lewis zal ten eeuwigen dage bekend staan als frontman van The Rimshots, maar treedt al enkele jaren op onder de noemer John Lewis Trio. Zo ook deze CD, al is die niet met een trio opgenomen, wel met een hoop vrienden waartussen we gitarist Joe Guillian (Sureshots), contrabassist Paul Woodmansey (Rudy La Crioux), contrabassist Andy Sykes (Union Avenue, Shaun Horton & the Tennessee Trio) en drummer Gary Agar (Sureshots, Infernos) herkennen. Lewis’ stem is zo herkenbaar (wie er niet van houdt omschrijft ze als een blèrende geit) dat de CD onvermijdelijk doet denken aan The Rimshots, maar gaat stilistisch breder dan de nog steeds erg populaire Britse band. Toch klinkt ie, ondanks de variatie aan rock ‘n’ roll stijlen, de multitude aan muzikanten en het feit dat de CD werd opgenomen op drie verschillende locaties tussen 2007 en 2011, als één geheel en niet als een verzameling los opgenomen tracks, en je kan hem nog het best omschrijven als helemaal in de stijl van de buitenbeentjes op de Rimshots CD’s. Het valt onmiddellijk op dat er veel piano te horen valt op deze CD, zoals in Got No Time dat mede door die piano erg Sun rock ‘n’ roll klinkt. Mmm Ba Ba is rockabilly, Black Cat is gebaseerd op uptempo blues maar dan met rockabilly vocals in Meteor stijl, Not Quite The Not is een typische Rimshots trage maar dan met Lee Hazlewood gitaar en een vrouwelijk gospelkoortje. Ook typisch Rimshots is een meezinger als Belgium Bars (waarin hij ondermeer “a little bar near Charleroi” bezingt “where all The Be-Bop’s go”, en da’s volgens ons La Taverne Du Scapé in Monceau Sur Sambre) waarop het met een pul bier in de hand goed squaredansen rond het kampvuur is. Een paar songs doen vaagweg denken aan nummers van The Rimshots, wat we niet erg vinden. De 15 tracks zijn netjes verdeeld tussen eigen songs en covers als Looking For Money (Al Urban op huppeldepup piano), Drunk van Jimmy Liggins (Drinkin’ Wine Spo Dee O Dee met een rhythm ‘n’ blues injectie), The Honky Tonk Song (Mel Tillis in 1957, bij ons gedaan door Moonshine Reunion), het door de melodieuze piano en de Carl Mann ritmes op gitaar hele mooie He’ll Have To Go van Jim Reeves, terwijl Hard Travelling van folkpionier Woody Guthrie hier een rechtdoor rocker met opnieuw backings in gospel stijl wordt. Opvallendste cover is The One I Love, de popklassieker uit 1987 van de Amerikaanse rockband REM door Lewis voorzien van mysterieuze piano en Johnny Cash gitaar. Potten zal John Lewis met deze CD niet breken, maar een béétje Rimshots fan zal niet teleurgesteld zijn. Lechyd da, John! Volgens ons heeft Lewis dit zelf uitgebracht, dus info via www.therealjohnlewis.com (Frantic Franky)

Boekrecensie

 

VAN KOEMPELROCK TOT KLOMPENROCK/ HENRI SMEETS
Uitgeverij Mijnbestseller.nl,
354 pagina’s (Nederlandstalig)
ISBN 9789461930552 (kleur)
ISBN 9789461930576 (zwart-wit)

Die Henri toch, wat een kerel! Hij is jonger dan ik maar heeft een onwaarschijnlijk archief Nederlandse rock ‘n’ roll bij elkaar verzameld en schrijft puike stukjes voor Boppin’ Around, en tussendoor twee CD’s opgenomen, in een film gefigureerd én een rock ‘n’ roll encyclopedie geschreven. Ik bedoel maar: waar haalt ie de tijd? Moet ie niet werken en boodschappen doen en een huishouden runnen en Chinees afhalen en zo? Nu heeft ie zijn tweede boek uit, dat 100% focust op de Nederlandse rock ‘n’ roll pré Beatles. In zijn in 2001 verschenen Rock ‘n’ Roll Rond De Wereld encyclopedie besteedde hij al ruim aandacht aan alle mogelijke vertakkingen van de rock ‘n’ roll in Nederland in de jaren ’50 en vroege jaren ’60, en ook in Van Koempelrock Tot Klompenrock geeft ie een gedegen analyse van wat er in Nederland allemaal werd opgenomen aan rock ‘n’ roll en aanverwanten. Want dat was dus heel wat meer dan enkel Kom Van Dat Dak Af en Hou Je Echt Nog Van Mij Rockin’ Billy. Ja, Pim Maas en The Tielman Brothers en Willy & the Giants en René & the Alligators, ja, die kennen we allemaal. Maar Opa’s Rock ‘n’ Roll van De Drie Kleine Kleuters & De Joffers & De Jonkers? Bebob Boogie Rock van De Caballeros? Klacht Van Een Teenager door Maya Bouma? Be Bop A Lula door Wim Bitter? Helma & Selma die de Honolulu Twist doen? De Koekepan van Maddy & the Flames? Liana & The Canaries? Bruno Majcherek? En zo somt Henri er dus massa’s op, en da’s nog maar een compacte samenvatting van zijn Rock ‘n’ Roll Rond De Wereld encyclopedie. Humoristische rock ‘n’ roll, parodieën, Nederlandstalige rock ‘n’ roll, religieuze rock (Piet Sybrandy, de Nederlandse Pat Boone), Nederlandse Italo-rockers als Lauro & his Comets, reclame- en promotieplaatjes (Doe De Milkshake Twist in opdracht van de Melkbrigade ingespeeld door een naamloos gebleven band), budgetcovers gemaakt voor Vroom & Dreesmann, hoela hoep en twist (Iene Miene Mutte door Jack & Bill), plaatjes over nozems en brozems, allemaal passeren ze de revue, om nog maar te zwijgen van de Amerikaanse, Japanse, Deense, Zweedse en Italiaanse persingen van Nederlandse rock ‘n’ roll!
Da’s één deel van het boek, maar de hoofdmoot bestaat uit interviews (deels gemaakt door Nol Voorst) met zangers en zangeressen en muzikanten van toen, en dat zijn opnieuw geen voor de hand liggende namen, tenzij u familie bent van onder meer The Bee Bee Sisters, The Blue Rockets, Brigitte & the Fire Strings, De Bibits, The Explosions, Freddy Scott & the Condors, The Rockin’ Blacks, The Rockin’ Shadows en Maddy Bleize. Allemaal onbekend, maar wel allemaal platen uitgebracht! Een aantal van deze stukken en interviews verschenen trouwens eerder in... onze gedrukte Boppin’ Around! Mooi dat al die persoonlijke verhalen die anders definitief verloren zouden gaan nu in één boek verzameld zijn en een unieke blik uit de eerste hand gunnen op hoe het er toen écht aan toe ging in Nederland muziekland. Ik heb het boek nog lang niet uit, maar al genoeg gelezen en gezien om te weten dat dit een verplicht naslagwerk is voor de echte verzamelaar, dat bovendien vlot leest, bruist van liefde en enthousiasme voor de besproken muziek, en uniek illustratiemateriaal bevat: labelshots, hoesjes, vergeelde en met plakband aan elkaar gehouden krantenknipsels, stukjes uit de Tuney Tunes, advertenties, promofoto’s, live foto’s, contracten en entréekaartjes, allemaal uit Henri’s archief én uit de privé plakboeken van de geïnterviewden. Voer voor de lange winteravonden! Eén nadeel: ik ken 99% van de hier genoemde plaatjes niet. Iemand zou de taak op zich moeten nemen het beste daarvan uit te brengen op CD. Een volgende missie voor Henri?
Van Koempelrock Tot Klompenrock is uitgegeven via www.mijnbestseller.nl en onder andere te koop via www.mijnbestseller.nl/magento/van-koempelrock-tot-klompenrock3.html, www.bol.com en www.boekenwarenhuis.nl. Al deze websites accepteren credit cards. Het boek is uiteraard ook via de boekhandel te bestellen. Let op, want er zijn twee verschillende uitgaves: een kleurenversie in blauwe cover (36,50 euro) met 84 pagina’s kleurenfoto’s, en een zwart-wit versie in zwarte cover (22,50 euro). (Frantic Franky)


 

RETRO MAKEUP: TECHNIQUES FOR APPLYING THE VINTAGE LOOK/ LAUREN RENNELLS
HRST Books, Denver. ISBN 978-0-9816639-2-0

Waar zijn die vrouwen als je ze nodig hebt? Vroeger hadden we nog een paar dames die stukjes schreven voor Boppin’ Around, maar helaas zijn we nu een mannenbastion. Met andere woorden: ik mag hier een boek voor en door meisjes gaan lezen en bespreken! En nou ben ik wel een specialist inzake meisjes, maar niet inzake hun make up... of misschien toch wel een beetje na lectuur van dit boek, de opvolger van Rennells’ boek Vintage Hairstyling: Retro Styles With Step-By-Step Techniques uit 2008. In het laatste hoofdstuk ging dat ook al over make up en nagels, dit nieuwe boek is uiteraard veel uitgebreider, want het gaat enkel en alleen over make up, het haar en de nagels zijn weggelaten. Onder make up wordt hier verstaan alles inzake wimpers, mascara, eyeliner, oogschaduw voor blauwe, groene en bruine ogen, rouge, lippenstift, de vorm van lippen en wenkbrauwen tot de kleur van het aangezicht toe. Na een korte inleiding over het Victoriaanse en Edwardiaanse tijdperk worden in vijf hoofdstukken diverse make up stijlen behandeld per decennium vanaf de jaren ’20 tot de jaren ’60. Da’s een logische werkwijze, want net als bij auto’s, kleding, meubels of design loopt alles natuurlijk in elkaar over. Gelukkig stoppen ze dus vóór de vermaledijde jaren ’70, hahaha. En die jaren ’60 vinden wij daarentegen geeneens zó erg. Een mooie vrouw is immers een mooie vrouw, punt uit, en dit boek leert een mooie vrouw er nog mooier uit te zien. Trouwens, met die jaren ’20 en ’30 en ’60 kan je je voordeel doen als je wel eens naar een thema feestje gaat. 413 foto’s op 104 full colour pagina’s geven uitgebreid uitleg over hoe je wenkbrauwen en lippen kan inkleuren en de juiste vorm geven, aan de hand van een aantal modellen opgemaakt naar de look van actrices als Marilyn Monroe, Ingrid Bergman, Audrey Hepburn, Rita Hayworth, Louise Brooks, Gloria Swanson, Anita Page en Jean Harlow. Van hén ga je geen foto’s vinden in dit boek, wel van hedendaagse modellen die er schitterend uitzien met die retro look. Hoe schitterend kan je vergelijken met de foto’s van die modellen puur natuur, dus zònder make up!
Je kan natuurlijk proberen al deze info zelf bij elkaar te sprokkelen op internet (Rennells’ blog op www.bobbypinblog.blogspot.com waar de haar- en make up styliste die werkzaam is in de advertentie-, film- en TV industrie retro advies verstrekt is wat dat betreft een goed startpunt), maar alles netjes bij elkaar in één boek lijkt ons toch handiger inzake tips, trucs, producten en het juiste ‘gereedschap’. Het boek wordt kleurrijk geïllustreerd met advertenties uit de oude doos en doorspekt met weetjes allerhande waar een mens nog eens wat van opsteekt. Of wist u dat het in 1898 door Marie Curie ontdekte radium in de jaren ’20 volop werd verwerkt in make up? Het zorgde allicht voor een letterlijk stralende look, maar bleek helaas al snel ook uitermate radioactief... Eveneens interessant: het hoofdstuk gewijd aan de make up tijdens de tweede wereldoorlog door het Amerikaanse leger voorgeschreven voor de vrouwelijke soldaten! Dit boek is uiteraard ideaal voor retro meisjes, maar die meisjes moeten het vooral zelf kopen. Ik dacht namelijk even dat ik het ideale kerstgeschenk had gevonden voor mijn betere wederhelft, maar ik vrees dat ik me dan kan verwachten aan een “hoezo, zie ik er dan zo niet goed genoeg uit” reactie. Het zal dus het zevende seizoen van Desperate Housewives worden...
Dit boek werd net als Vintage Hairstyling uitgegeven door de auteur zelf, dus wil je online bestellen kan dat makkelijkst via haar eigen uitgeverij www.hrstbooks.com. Moest je het toch ergens in levende lijve op de kop kunnen tikken, let dan op, want ons review exemplaar bevatte een drukfout: pagina’s 12 tot 24 ontbreken, en pagina’s 25 tot 40 staan er twéé keer in.

naar boven



10 november 2011

MELLOW JO & THE HI-TONES/
MELLOW JO & THE HI-TONES

Tombstone Records, TOMB-CD 2095

Wegens het groen en rood en de sterretjes dacht ik even dat dit een kerst-CD was, maar het debuut van Mellow Jo & the Hi-Tones blijkt een regulier rock ‘n’ roll album in het rockende hillbilly boogie genre, of zoals ze zelf zeggen: swing, country, hillbilly en rockabilly. Mellow Jo is uiteraard de helft van de voormalige Haystack Hi-Tones, en als u die band niet kent (schande) luister dan naar Aimin’ On Livin’ Some, Heartache Meets Mr. Blues en Treat Me Mean, duetjes met de andere Haystack Hi-Tone, Anitta Langereis. Uitgezonderd één nummer staan op deze CD enkel covers, maar da’s geen erg want het betreft vrij onbekende songs. Eén hedendaags nummer wordt gecoverd, Loser’s Blues van Big Sandy’s Feelin’ Kinda Lucky album. Kent u dat? Da’s namelijk het soort vlotte vloeiende boogie dat hier tentoongespreid wordt, naast aanstekelijke opgewekte nummers van bijvoorbeeld Conway Twitty (Treat Me Mean), Faron Young (Aimin’ On Livin’ Some), Red Sovine (Whiskey Flavoured Kisses), Loretta Lynn (Heartache Meets Mr Blues) en zelfs Peggy Lee (It’s A Good Day) en Bing Crosby (Steamheat). De mooie melodieuze arrangementen zijn speels maar doordacht en focussen op de interactie tussen tussen elektrische gitaar en lapsteel. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik na herhaalde beluistering de linernotes las en zo ontdekte dat de lapsteel in slechts drie nummers opduikt! Zegt genoeg over hoe goed dit in elkaar zit en hoe goed de gitaar is, dacht ik zo. Nog wat die lapsteel betreft: in één nummer wordt die bespeeld door gitarist Rolf Hartogs, in de twee andere door Lee Jeffriess van Big Sandy’s Fly-Rite Boys. De stem van Marjos Rinders is zacht maar expressief en daarmee uitermate geschikt voor deze muziek. Variatie alom: de duetten met Annita, een duet met Ray, die Whiskey Flavoured Kisses (een verhaal dat de heren onder ons allemaal al wel een keertje meegemaakt hebben) gezongen door drummer Jan van Leeuwen, een instrumentaal duel tussen gitaar en lapsteel. Op het einde van de CD staat nog een verrassing: het nummer Rock ‘n’ Roll van hardrock band Led Zeppelin (eerder gecoverd door Jerry Lee Lewis op Last Man Standing) als rechtdoor rocker. Samen vormen de 14 tracks een debuut waar niets op af te dingen valt. Het betere Nederlandse werk! Voor 12 euro kan je de CD bestellen via www.mellowjo.nl. (Frantic Franky)


MEETS BIG JAY McNEELY/ JZZZZZP
Jzzzzzp, geen cat. nr.

De op 29 april 1927 geboren en inmiddels dus 84-jarige tenorsaxofonist Big Jay McNeely mag met recht een levende legende genoemd worden: hij maakte zijn eerste opnames in 1948 en scoorde een jaar later zijn eerste hit, de instrumental Deacon’s Hop. Hij nam op voor Savoy, Exclusive, Aladdin, Imperial, Federal, Vee-Jay en Swingin', maar in de jaren ’60 viel de vraag naar honkers terug en in 1971 hing hij zijn sax aan de wilgen om te gaan werken voor de PTT. Begin jaren ’80 laaide het vuur terug op en sindsdien treedt ie onafgebroken op, van Japan tot de Rhythm Riot. September jongstleden was hij nog top of the bill op het Rockabilly Bombardment in Oostenrijk, en tussen de bedrijven door doet hij ook regelmatig in Nederland de planken daveren, onder meer op het International Boogie Woogie Festival. Ook The Big Four deelden al het podium met McNeely. In 1989 hielp hij mee de Berlijnse Muur te doen vallen: toen de Muur viel stond McNeely te toeteren buiten de Quasimodo Club in West Berlijn… Niet alleen op het podium blijft McNeely actief, ook in de studio: hij was te gast op de Ray Collins Hot Club CD Goes International en nam een CD op met Martijn Schok, promotor van het Boogie Woogie Festival. Op zijn officiële website www.bigjaymcneely.com lezen we dat ie in Amerika ook net een nieuw CD’tje uitheeft, en nu is er deze live registratie uit 2008 met Jzzzzzp. De Haarlemse band is een eigenzinnig buitenbeentje in de neo-swing scene, dat bleek uit hun debuut Vledder Bop (2004) en de CD Swingin’ All Day (2008), dat blijkt uit het feit dat de groepsleden er “gewoon” en niet fifties uitzien, en dat blijkt ook uit de brutaal scattende exuberante zang op de eerste helft van deze CD waarin Jzzzzp ‘em live on stage van jetje geeft op het podium van het Patronaat in Haarlem. Zes tracks met respect voor de roots zoals Reeling And Rockin’ (Roy Milton), Well Oh Well (Tiny Bradshaw) en Swinging On Nothing (Louis Armstrong) zoeven voorbij, niet allleen met puik saxwerk maar vaak toch ook met de gitaar in een prominente rol. That Mellow Saxophone (Roy Montrell) swingt als de beesten, en hun bewerking van Dark Eyes (begin jaren ’60 gedaan door zowat elke gitaargroep inclusief The Tielman Brothers en recenter ook The Treble Spankers) blijft geweldig. Verrassing: ze brengen ook een nummer van Big Jay, Insect Ball uit 1951. Kortom: Jzzzzp is een goed geoliede swingmachine en dus de ideale begeleiding voor de man himself, die er meteen invliegt met een titelloos gebleven instrumentaal intronummer. Maar waarom is er nou plots een orgel (Rob Geboers, voornamelijk actief in de blues en aanverwanten) in de bezetting? En is de contrabas nu vervangen door elektrische bas? Niet dat het slecht klinkt, maar het resultaat is eerder een soulvolle rhythm ‘n’ bluesrevue begin jaren ’60 dan jaren ’50 rock ‘n’ roll. McNeely mag negen nummers loos gaan, op onder meer zijn instrumentale klassiekers Deacon’s Hop en 3D. Ook de ballad There Is Something On Your Mind mag als klassiek worden beschouwd: McNeely blikte het in in 1957 met Little Sonny Warner op zang. Minder bekend is All That Wine Is Gone, dat hij in 1951 opnam met Jesse Belvin op zang. Maar is het ook door Big Sandy gecoverde Pretty Girls Everywhere van Big Jay McNeely? Ik dacht dat dat van Eugene Church & the Fellows was! Big Fat Mama met R ‘n’ B gitaar stamt uit midden jaren ’90. Young Girl Blues, een platte en daarom overbodige standaardblues met opnieuw R ‘n’ B gitaar, stond in 1987 op een single. Insect Ball komt nog een keer voorbij, nu met een Chuck Berry gitaar arrangement en het orgel ingesteld op piano. McNeely slurpt en sleurt aan de sax en piept alle kanten op, maar hij zingt evenveel als hij toetert, en het is me niet meteen duidelijk wanneer hij zelf speelt en wanneer Thomas Streutgers van Jzzzzzp de boventoon voert. Zo goed is die namelijk! En toch blijf ik me afvragen hoe dit geklonken zou hebben met Ray Collins Hot Club... Ik zie hier nergens een bestelnummer of zelfs maar een label opstaan, dus ga ten rade op www.jzzzzzp.com. Op www.electricearl.com/bigjay vind je vintage foto’s en platenhoezen van Big Jay McNeely. (Frantic Franky)

Vinyl Single Recensies

DIVERSE VINYL SINGLES
Collector Records, CK 101 t/m CK 112

Dit wordt een vrij unieke recensie. Cees ‘Jaren-50-rock ‘n’ roll-label-expert’ Klop is dan ook een bijzonder project gestart om oude rock ‘n’ roll opnieuw op single uit te brengen voorzien van een authentiek uitziend label. Het zijn voornamelijk zeldzame repro’s van obscure singles uit het roemruchtige Amerikaanse rock ‘n’ roll verleden. De originele exemplaren zijn gewoonweg niet (meer) verkrijgbaar voor de echte verzamelaar. Cees heeft op de singles een speciale code aangebracht zodat het duidelijk kan zijn dan het geen originele singles betreft want zo oppert de man himself: “ik heb er een hekel aan als iemand heel veel geld betaald voor een repro”. Uiteraard heb ik mijn AMI jukebox gebruikt om de singles te draaien en te reviewen en hoor ik dus exact hoe de singles zouden moeten klinken. Structureel als ik ben bespreek ik ze op volgorde, maar daarbij sla ik de eerste even over. Zo meteen wordt duidelijk waarom…

CK102: THE PIGEON – FORGET ME NOT/ DON APILADO (L.A.D. 106)
De A-kant is een mooie rock ‘n’ roll ballade á la Charlie Rich met ietwat vreemd vocaal einde, de B-zijde is een puike rock ‘n’ roll song met start-stop ritme met gitaar, piano en sax. Volgens mij zijn de titels van de twee zijdes per abuis omgewisseld. Aha, collectors item!
CK103: LONG FOOT JENE – TIME RUNS OUT/ MORRY WILLIAMS & THE KIDS (Luck 102)
Nu al blijkt dat de keuze van rock ‘n’ roll stijlen zeer uiteenlopend wordt. We horen nu namelijk een vocale rock ‘n’ roll song, oftewel doo-wop in Robins-Coasters stijl met een ongekend wilde gitaarsolo die eigenlijk helemaal niet in het nummer past maar die daardoor juist zo smakelijk is. De B-zijde is een sentimentele doo-wop ballade met ook weer een iets uit de toon vallende gitaarsolo.
CK104: I COME FROM LOUISIANA/ JIMMY BANKSTON - BLUE EYES CRYIN’ IN THE RAIN/ CURTIS WILLIE (Tycer 1004)
Dit is een zogenaamde splitsingle, een door twee artiesten gedeelde single, beide in countrystijl. De A-zijde is een uptempo countrysong die richting rockabilly gaat en de andere kant is een typische countryballad.
CK105: DARK SKIN WOMAN BLUES – JUMPING THIS MORNING/ F. WILLIAMS (Back Alley 202)
Hiermee zitten we dan weer in een geheel ander genre, want we horen eerst een zwarte bluesballade met piano. De tweede zijde is een uptempo rhythm & blues met solo door ‘gedempte trompet’ alsmede piano. De stem op deze single doet denken aan bluesshouters als Big Joe Turner.
CK 106: GOTTA LET YOU GO – BOOGIE IN THE PARK/ JOE HILL LOUIS (It’s The Phillips)
Deze single klinkt ook zwart, maar is dan toch van een geheel ander repertoire. Dit is primitieve zwarte one-man deltablues met elektrische ‘hakketak’-gitaar en mouthharp. (Edit FF: Dit komt uit 1950, opgenomen door en de allereerste plaat, toen nog op 78 toeren, uitgebracht door Sam Phillips, zoals al aangegeven door de labelnaam It’s The Phillips, dat dus een voorloper van Sun was. Bijzonder!
CK 107: GONNA BE LONG GONE – OH WHY DO I/ EDDIE TAYLOR & LES PETTY TRIO (Petty Platter 1955)
Van deze single was ik daarentegen niet zo kapot maar het geeft wel weer de variatie aan singletjes aan. Een typische countrysong (met weliswaar elektrische gitaar) en een countrywaltz (met ook elektrische gitaar) vallen meestal niet zo in mijn smaak. Ieder z’n meug. Bijzonder is dat deze single nooit als single verscheen, maar als 78-toeren op de markt kwam! Als je het zo bekijkt is dit dan toch weer een collectors item, maar i.t.t. CK101 ook zo gepland!
CK108: BINGO BOOGIE - THAT’S MY BABY/ TOMMY MOONEY WITH BOBBY MOONEY & HIS AUTOMOBILE BABIES (Floto)
Country die me wat beter bevalt is deze vocale countryboogie met elektrische gitaar. De B-kant is een medium tempo hillbillysong met elektrische gitaar en dan heet dat volgens mij honky-tonk.
CK109: HO KEY PO KEY ROCK – SABOTAGE/ B. GOODE & BAND (GEM)
De eerste kant is een twistachtig nummer in de tijd dat al die dansjes met vaste bewegingen ‘in’ waren, met in de hoofdrol gitaar en sax, op de andere zijde horen we een instrumental met de sax in de hoofdrol en toch voorzien van een gitaarsolo.
CK110: I STILL MISS SOMEONE - LITTLE TOT/ ART YOUNG & THE COUNTRY GEMS (Eagle 104)
Deze single houdt zo het midden tussen country en rock ‘n’ roll (maar het is geen rockabilly) met een rockin’ ballade in countrystijl en een uptempo countrynummer met rockin’ inslag.
CK111: HALF TON MAMA – ROACHIE/ JOE, RON & GEORGE (Audiodisc)
Dit is een opvallende single gezien deze destijds helemaal niet op single is gezet! De demo kent een niet gedefinieerde A- en B-kant met een eind jaren ’50 rocker in ‘Matchbox’-melodie en een instrumentale rocker met helder gitaarspel, ook zo rond 1959 schat ik, met nagenoeg op het einde een lange opvallende drumsolo als toegift.
CK112: HOT-ROD - IF YOU’RE SQUARE/ THE RHYTHM-ADDICTS (Cee-Gee 107)
Dan blijkt het tijd voor een wilde hotrodsong als voorloper van de surf en dus een instrumental, in dit geval voorzien van mannelijke achtergrondvocalen en met drumsolo als bonus op kant A. Op de B-kant vinden we een robuuste vocale jaren ’50 garagerocker die even lekker klinkt. A- of B-kant maakt dus niet altijd wat uit!
CK101: TANGI-PAHO – BATON ROUGE L.A./ SONNY STARNS (Silon Records)
Voor het laatst bewaard omdat ik hier helemaal van ondersteboven ben! Mijn primitieve oren gaan namelijk recht overend staan bij deze schitterende basic rockabilly-achtige song met in de hoofdrol een uitermate donkere slapbass. Tsjonge, deze heeft uitstekende jive capaciteiten. Dit lijkt me werkelijk een clubhit voor de rock ‘n’ roll scéne! Op de B-zijde horen we een beetje standaard melodie maar o o o wat klinkt dat lekker! Opvallend detail is dat vreemd genoeg de elektrische gitaar geen rol in deze nummers speelt, want naast de hoofdrol voor de zang en slappin' bass hoor ik in de backing alleen piano!

Om alle singletjes zit een mooi vintage hoesje (weliswaar voor elke single dezelfde hoes) waarop overigens nergens het label van Cees, Collector Records, vermeld wordt. Een leek ziet dus niet dat het geen originele singles zijn. De singles worden aangeboden voor € 6,- per stuk en dat is inclusief porto. Wholesale kopers zijn eveneens welkom. Voor hen heeft Cees een wel zeer interessante prijs. Mail naar info@collectorrecords.nl. Als je geen centjes hebt om ze allemaal te kopen geef ik een hint met de CK 101, CK102, CK103, CK105 en CK112. Wil je er eerst één proberen, hou het dan op de CK101. Als je tenminste net zulke primitieve oren als ik heb, uiteraard! Vermeld deze CK-code bij een eventuele bestelling. De volgende singles worden in februari uitgebracht. (Frans van Dongen)

naar boven



10 november 2011

I’M A RAMBLER/ THE HI-STRUNG RAMBLERS
Wild Records, geen cat. nr.

“This record doesn't sound like the last Ramblers record or the one before that. The Hi-Strung Ramblers believe it's important to continue to develop their sound, and they HAVE. What you have here is a very different Hi-Strung Ramblers, with a new fresh sound”, zo staat te lezen op de nieuwe CD van The Hi-Strung Ramblers (USA). Hun tweede album Run Boy Run meldde ook al “it shows a new direction for the guys” en bevatte in tegenstelling tot de harde doch pure rock ‘n’ roll/ rockabilly van hun debuut Hobo Bop vooral Carlos & the Bandidos-achtige verhalende westernbilly. Deze derde CD is inderdaad opnieuw een stijlbreuk, want na opener If You’re Not Around in loepzuivere Paul Ansell stijl (mét achtergrondkoortje, da’s nieuw!) gaan ze met I’m A Rambler resoluut richting sixties rock ‘n’ roll, terwijl het derde nummer, Won’t You Love Me, helemaal Hot Boogie Chillun is. De sixties stijl HBC, niet de bluesbop HBC welteverstaan! Dat zijn zo’n beetje de polen waartussen The Hi-Strung Ramblers dribbelen op deze CD: I’m Not A Lover Anymore is kasatschok met Malagueña gitaren, I Don’t Care en My Baby’s Gone zijn Carlos & the Bandidos, de instrumental Scorpio is Link Wray die Tequila speelt, Don’t Leave is opnieuw sixties, net als You Don’t Love Me, loodzware bluesbop met mondharmonica die ook opduikt in de sixties gitaar instrumental Panic waarmee de CD afsluit en die klinkt als Fleetwood Mac toen die in de jaren ’60 nog gewoon een Brits bluesbandje waren. Je merkt het ook aan de bezetting: op de CD staat Alex Vargas van The Vargas Brothers op “bass” (naar we menen te horen op elektrische bas), terwijl oorspronkelijk bassist Ignacio Garcia in kleinere lettertjes wordt vermeld op “upright bass” op zeven van de dertien nummers. En ondanks het feit dat die dertien songs naar het einde toe wat op elkaar beginnen te lijken, vind ik deze CD even goed als de twee vorige Hi-Strung Ramblers werkjes, ondanks die Paul Ansell en Carlos & the Bandidos invloed en die flinke scheut sixties. Of misschien wel juist daardoor, want de CD boeit en verrast ook bij herhaalde beluistering. Met andere woorden: The Hi-Strung Ramblers blijven een van de betere Wild bands. Info: www.wildrecordsusa.com (Frantic Franky)


BEYOND THE SUN/ CHRIS ISAAK
Vanguard/ Wicked Game Records, 78211-2

Daar waar Brian Setzer tot mijn enorme verbazing destijds in 2005 een Sun-tribute album uitbracht, zonder ook maar één noot in de legendarische Sun-studio aan 706 Avenue te hebben gespeeld, heeft Chris Isaak in ieder geval enkele songs van zijn kersverse album daar opgenomen. Op zijn eigen label Wicked Game Records heeft de man, die al in 1984 in zijn eigen progressieve rockabillyband Silverstone speelde (tegenwoordig betaal je zelfs al ruim 60 euro voor de gelijknamige CD uit 1985), met veel liefde voor authenticiteit een schitterende 50’s styled booklet en CD-cover gemaakt (waarin zijn foto uit de 80’s wat raar staat) en 14 dito tracks. Het CD-boekje is een paginalange persoonlijke noot van de Wicked Game hitzanger, waarin hij met het glunderen in de ogen van een klein jochie, zijn adoratie vertelt voor Sun Records, de artiesten en Sam Phillips, die allen het label tot cultstatus hebben verholpen. De anders zo typische en karakteristieke Fender Stratocaster sound, zoals we die kennen van zijn grote hit Wicked Game en die opvallend genoeg al op het ‘rockabilly’-album Silverstone te horen is, daar waar normaliter een Fender Telecaster door de ether schalt, is hier uiteraard (bijna) tevergeefs te zoeken. Hier heeft Chris eens afstand gedaan van ‘zijn’ karakteristieke gitaarsound en onverwisselbare sensibele zang. Nee, dit is Sun-Records, dit is rockabilly, de roots! Normaliter vraag ik me af wat het voor zin heeft om een album op te nemen met (vrijwel) louter covers, maar er zijn uitzonderingen. Namelijk, als grote commercieel succesvolle artiesten als Brian Setzer en Chris Isaak, ieder met hun eigen karakteristieke sound, hun eigen succesvolle handelsmerk laten varen om de sound van anderen te spelen, van hen die immers aan de basis van hun eigen sound hebben gestaan, dan is dat meer dan slechts een cover-albumpje, dan is dat een statement!
Als eerbetoon aan de ‘man in black’ opent hij met zijn band met Ring Of Fire, een zeer goede cover waarin hij klinkt als een zoon van mister Cash, maar het meesterstuk is ongetwijfeld Trying To Get To You. Doe je ogen dicht en je hoort gewoon een opname die zo uit de 50’s Sun-studio geplukt kon zijn, met de originele arrangementen en opnamesound en met een stem, waarbij je denkt: was Elvis dan toch niet zo voortreffelijk? Of is Chris zo voortreffelijk als Elvis? Waanzinnig goed gezongen, zeg! Daar valt je gewoon niks anders meer in, dan je bewondering in overvloede neer te pennen. Met de karakteristieke Sun-sound en authentieke arrangementen, hetgeen trouwens voor het hele album geldt, deinen mijn oren in het ritme van I Forgot To Remember To Forget. Is Chris een reïncarnatie van de grote king of rock ‘n’ roll? Ook al is zijn stemgelijkenis hier minder, doch de kracht c.q. intensiteit waarmee hij het nummer brengt, laat je toch een dergelijke uitspraak slaken. Op de Killer tour met Great Balls Of Fire. Jerry Lee was duidelijk een andere zanger dan Elvis en toch gaat het Chris zo gladjes af, dat hij wel de ‘Sun-stal’ in één persoon lijkt. Als iemand die wild is op het label met het haantje, en die de platen al zelfs in de grijze massa grijsgedraaid heeft, zit ik alleen maar met een stoned blik van verbazing naar dit prachtalbum te luisteren. De balladeer Isaak, zoals we hem kennen, is het nummer Can’t Help Falling In Love op het lijf geschreven en ook hier vraag je je af, wie nu in wiens schaduw staat: Elvis of Chris. Dit album is zeker een aanrader voor de ware Elvis-fanatiekelingen, die menen dat hun idool de geweldigste zanger ter wereld en uit de muziekhistorie is… luister en huiver! Je hoeft niet persé een stemgelijkenis te hebben, zoals bij al die Elvis-kloontjes wereldwijd, om toch de miljardenverkopende ex-truckdriver minder te laten schitteren. En ik heb Elvis net zo hoog in het vaandel staan als andere rock ‘n’ roll-liefhebbers, maar ben wel altijd nuchter gebleven. Nu blijkt dat het ook maar goed is ook, want dit album is het ultieme bewijs! Het album overtreft zelfs de stoutste verwachtingen van een ervaren rock ‘n’ roller, die al ruim dertig jaar aan deze fantastische muziek zijn hart verpand heeft. Dixie Fried is zelfs een nummer, dat ik frisser vind klinken dan Carl Perkins’ origineel. Hier zit meer hillbilly cat in, dat ik eigenlijk te zeer miste in de opname van Carl himself. Power puur. Soms denk je dat ze de originele tapes van de begeleidmuziek hebben genomen en alleen Chris’ stem gedubbed (toegevoegd) hebben, zo goed is het gewoon. Ik voel het dan ook als een ultieme plicht om de namen van de band hier te vermelden, credits aan degene die de credits verdienen: Rowland Salley (bas), Kenney Dale Johnson (drums), Hershel Yatovitz (leadgitaar), Scott Plunkett (piano) en Rafael Padilla (perscussie). How’s The World Treating You en It’s Now Or Never (weliswaar niet uit de Sun-tijd en met een licht Marty Robbins achtige stem, maar dat doet geen afbreuk aan de 706 Avenue-sfeer) zijn nummers, die voor een ballade troubadour natuurlijk piece of cake zijn. Wat een stembereik! Een jaren ‘50 en begin jaren ‘60 atmosfeer, die zijn gelijke niet kent. Dat Chris ook de ruwe bolster uit kan hangen, bewijst hij in Jimmy Wages’ Miss Pearl, that’s rockabilly, man, go cat gooooooooooooo. Een wilde drive, met een hammond orgeltje (!) dat zelfs in dit ruwe rauwe ‘ik eet je op’ energieverslindende rockabillynummer er gewoon bij hoort alsof een orgeltje ooit tot het standaard instrumentarium van ieder zichzelf respecterende rockabillyband zou hebben behoord. Waanzin, en dat voor een true 50’s sounding Sun-rockabillynummer! De eigen compo van de grootmeester uit Californië, Liv It Up, is qua sound een kruising tussen de Shadows-sound (yep, toch nog eventjes een Fender Strat(ocaster) te horen) en Sun-sound. Het statement in de albumpromotie, dat het klinkt als een net ontdekte Ricky Nelson opname uit 1957, vind ik erg overdreven, want er is noch een stemgelijkenis met de Hello Mary Lou zanger, noch qua muziek een overeenstemming. Desondanks ontwaren we warempel lichte Indorock-invloeden! Misschien toch niet zo heel opvallend, als je bedenkt dat er toch een grote Indo-community is in Californië. Johnny Cash stemmatig imiteren is een martelgang, zoals vele zangers al zullen hebben ontdekt, met die ongelooflijk lage stem, maar ook hier is het net alsof mister Isaak de hele dag niks anders doet. Wat heeft die man een enorm stembereik zeg! Knap gedaan, ook al komt hij niet zo diep als het origineel. Roy Orbison’s So Long I’m Gone, dat iedereen natuurlijk kent van Warren Smith, laat de Sun-rocker swingen in zijn graf en zich afvragen of hij soms nog een jongere broer heeft. Elvis’ cover She’s Not You behoeft na al deze lofzang eigenlijk geen commentaar meer. My Happiness strijd met Trying To Get To You om de beste song van het album, maar het is toch deze song, die we niet alleen in de uitvoering van Elvis kennen, maar zeker ook in de (in mijn optiek) betere versie van Connie Francis, die het uiteindelijk wint. Tranen in de ogen, letterlijk, zo mooi! De zangeres die in duet met Chris zingt, klinkt precies als mijn all time favoriete zangeres Connie Francis, maar het is echter een zangeres met Nederlands-Indische roots: Michelle Branch. Jammer, dat haar naam nergens vermeld staat. Zij verdient vermelding te krijgen!
Mensen, wat is dit een goed album zeg! Dit is meer dan een tribute, dit is eigenlijk het laatste Sun-album van Sam Phillips (postuum)! Het is geen 10 met een griffel, maar een 100 met een griffel! Mij moet nog eens een keer iemand zeggen dat Elvis zangmatig alles is, die smijt ik deze nummers naar de oren! Om met Sam Phillips’ woorden, gedaan in een kranteninterview, te besluiten: "I don't keep up with the business like I used to, but I love to listen to Chris Isaak. He's very talented, and his music is so damned honest. It's incredible". Is daar nog iets aan toe te voegen? Wat zou Sam van dit album zeggen? Hij zou meteen Sun Records nieuw leven inblazen denk ik. Opmerking nog: Er is ook nog een uitgave met twee CD's, de zogenaamde Deluxe Edition. Volgens mij gaan jullie heel lief zijn voor meneer Isaak, ook al kijkt de roze viervoeter met stopcontactsnuitje je weemoedig aan. Info: www.chrisisaak.com en http://vanguardrecords.com (Henri Smeets)


ROCK & ROLL THERAPY/
DICK BRAVE & THE BACKBEATS

RCA/ Sony Music, 88697959262
(Limited edition: 88697961232)

Terug van weggeweest: Dick Brave & The Backbeats. Toeval kan het niet zijn. The Baseballs zijn momenteel zeer succesvol met het pop-tot-rockabilly coverrecept, waar Dick Brave in 2003 de wortels voor heeft geplant. Dick en de zijnen zaten toen nog bij Warner Music en daar zitten nu stomtoevallig, uhum, de Baseballs. Tja, twee van die bands op één label is iets teveel van het goede, dus dan is Sony (de andere vertegenwoordiger van het kwartet grootste platenlabels ter wereld, samen met Warner Music, EMI en Universal) wel bereid hen onder haar hoede te nemen. Zo zou het gegaan kunnen zijn. Opvallend is het in ieder geval wel. Dat geldt echter niet voor de gimmick dat Dick Brave & The Backbeats Canadezen zouden zijn. Dat is déjà vu. Maar goed, als je met dezelfde bandnaam en hetzelfde concept komt aanzetten, dan moet je ook consequent op dat Canadezen-verhaaltje voortborduren. Dat is nu eenmaal het manco van dit soort geintjes. Je kunt ze eigenlijk maar één keer toepassen. Het macabere voor popzanger Sasha Schmitz alias Dick Brave is evenwel, dat zijn side project Dick Brave & The Backbeats destijds nóg succesvoller was dan zijn popcarrière. Van het debuutalbum van hen, Dick This, zijn toen maar liefst 600.000 (geen tikfout!) exemplaren over de toonbank gegaan. Staande ovatie voor een band, die tegenwoordig nog dat soort astronomische verkoopcijfers haalt met ‘ouderwetse’ rock ‘n’ roll. De CD met de rode cover en de limited edition (CD + DVD) met blauwe cover zien er gelikt uit. Beide items bevatten overigens exact dezelfde tekst en vercartooniseerde afbeeldingen. Alleen kunnen de meiden de grote poster (slechts in de limited edition, ja, je moet er wel wat voor over hebben, hè, dus dan maar eens een keer geen mascara of andere optutprullaria) van de band boven hun bed hangen. Sorry mannen, aan ons is weer eens een keer niet gedacht (nou ja, met uitzondering van een bepaalde groep mannen dan). Goed, dus zullen wij kameraden het dan moeten doen met de muziek. Eens kijken in hoeverre de Duitsers zich muziekmatig hebben laten meeslepen door hun Baseballende landgenoten.
Het mag niet verrassen dat het album wordt geopend met het, van het Johnny Burnette Trio bekende, nummer Rock Therapy, dat hier in een meer jumpende stijl wordt gebracht. Alleen de piano klinkt wat overstuurd tijdens de solo, zeker irritant als je een hoofdtelefoon op hebt. Gladjes gezongen met een kunstmatig verruwde zang met gemaakt Amerikaans accent. Jammer toch. Just Can’t Get Enough van Depeche Mode uit 1981, gaat de van origine popzanger beduidend beter af. Begeleid door een Bo Didley-ritme, af en toe ontaardend in een opzwepende Baseball sound. Vreemd dat ik dit schrijf, want eigenlijk hebben de Baseballs het allemaal afgekeken van Dick Brave en de zijnen. Als we het over ‘de zijnen’ hebben, dan zijn dat nog steeds dezelfde topmusici als uit de lichting van 2003: André ‘Adriano Batolba’ Tolba (gitaar), Felix ‘Phil X. Hanson’ Wiegand (standup bass), Martell ‘Matt Hanson’ Beigang (drums) plus nieuweling Falko ‘Falco Caress’ Burkert (piano). Wie van ophitsende boogie houdt, komt volledig aan zijn/ haar trekken in eigen compo (!) Tonight I Ain’t Rock. Zeer geslaagd. Niet zomaar een mainstream rocker, wat je eerder van een popartiest zou verwachten, maar een echte 50’s New Orleans styled pianostomper. Een echt partynummer. En als we dan toch al in die contreien vertoeven, gooien we er nog een Fats Domino achtige rocker achteraan: Just The Way You Are. Een fenomenale slowrocker, origineel van Bruno Mars, maar duidelijk van zijn versie afwijkend. It’s Up To You, een cover van Ricky Nelson’s nummer uit 1961, is een pure Nelson teenybopper, waarop Dick laat horen dat ook hij, net als zijn kameraden, een topmuzikant is. Heerlijk dat 50’s arrangement met violen en achtergrondkoor. Klasse. Fever-achtig begin, maar dan wat meer uptempo, in Rolling In The Deep van Adele. Ook hier heeft de band duidelijk meer gedaan, dan alleen maar simplistisch een popnummer verrocken. Een powerachtige song, dat ik desondanks iets te druk vind, iets te vol. Chuck Berry’s Come On gaat ook in de versie van Dick Brave & The Backbeats swingend door het lichaam heen. Het klinkt bijna origineler dan het origineel met die 50’s (!) sfeer van dit uit 1961 stammend nummer. Elvis’ Lover Doll laat zien, dat de heren een breed repertoire aan covers hebben genomen voor hun come back album. En daar waar de Baseballs duidelijk een commerciële poppy tint geven aan hun songs, proberen Dick Brave & The Backbeats zo goed mogelijk bij het origineel te komen. Lovenswaardig, zeker voor een commerciële act. En opvallend genoeg schijnt het ook nog aan te slaan bij een breder publiek! Het met twangy sound ingeluide American Idiot van Greenday wordt vakkundig 50 jaar teruggeplaatst in de tijd. Eigenlijk laat dit (kunnen) terug transformeren in de tijd, alleen maar zien dat al die moderne(re) acts gewoon hun roots hebben liggen in de 50’s. Bewijs is geleverd op dit album! Melancholisch worden we weer in Look At You van Miley Cyrus, de tweede cover van een zangeres (na die van Adele). Maar ondanks dat, kwijt zanger Sasha zich ook hier weer goed van zijn taak. Jack Jackson’s Sitting Waiting Wishing is vanuit het slome zijden jasje van het origineel, omgetoverd in een stoere leren jack. De song No One Knows van Queens Of The Stone Age, dat de eerste minuut een nachtelijke sfeer uitademt, gaat vervolgens in daglicht verder in een drukke muziekstraat. Zo klinkt het althans. Een goeie rocker, maar toch te druk voor mijn gevoel… of ik ben al te oud voor dat soort nummers (smile). Voorheen leerden jongeren via de covers van hedendaagse bands de originelen uit de 50’s en 60’s kennen, bij jullie redacteur is het net andersom. Via de songs op dit album leer ik de popgroepen kennen van wie de nummers zijn overgenomen. Leuk. Je vraagt je dan wel eens af: hoe moeten die muzikanten hebben geluisterd naar de originele popsongs? Hebben ze een brede muzieksmaak of hebben ze met afgrijzen zitten luisteren naar dat popgedoe om er vliegensvlug iets van te maken dat beter klinkt? Ik denk het laatste (big smile). Na de popcovers wordt nog eens een keertje teruggegrepen op de 50’s. Jackie Wilson is dit keer aan de beurt: I’ll Be Satisfied. Goed, natuurlijk mist Dick de power die Jackie had, en dat geldt ook voor de andere 50’s covers trouwens, maar dat mag hem niet verweten worden. You can’t do it better than the masters, toch?! Van de black rock ‘n’ roll naar de white Sun-balladeer en gelegenheidsrocker (want eigenlijk was hij jazzpianist) Charlie Rich: Who Will The Next Fool Be. Toch een behoorlijke cover, qua zang, muzikale begeleiding en achtergrondkoor. Kings Of Leon bedachten Use Somebody, dat hier gelukkig voor ons, met een rock ‘n’ roll saus overgoten is. Kan me voorstellen dat Kings Of Leon na het horen van deze oppeppende versie, haar eigen nummer niet meer durft te spelen, haha. Het jumpende This Girl Is Trouble behoort weer tot de categorie eigen pennenvruchtjes. En het smaakt nog lekker ook! Elvis’ (eigenlijk Brenda Lee’s!) Always On My Mind behoort ongetwijfeld tot de meest gecoverde nummers, die het gezelschap voor dit album heeft uitgezocht. Er is een mooie slowrocker van gemaakt, dat iets meer 60’s touch heeft dan het origineel, dat duidelijk een 70’s popsong is.

Op de Limited Edition (CD/DVD) staan dezelfde 17 songs plus nog 4 video-opnames. Drie ervan zijn live-opnames uit het in Duitsland en in de Nederlandse grensstreek legendarische muziekprogramma Rockpalast van de Duitse TV-zender WDR, waarin ook ooit The Stray Cats in 1981 en de Acecats in 1984 acte de presence gaven. Op die video’s laten de ervaren gasten zien hoe goed ze zijn on stage. Daar komen ze perfect tot hun recht. Van de ‘popzanger’ Sasha is dan niets meer te merken, dan is er alleen nog maar zijn alter ego Dick Brave! De eerste video is Rock Therapy, dat Dick hier ruwer zingt dan op de CD. Natuurlijk mag hun coverhit Walk That Way van hun eerste album niet ontbreken. Daarmee krijg je een hele zaal mee! Just Can’t Get Enough staat hier zowel als live Rockpalast versie, als ook als studioversie op DVD. Op de live video is duidelijk te zien dat de (veelal) jongeren dit nummer van de radio kennen en dus uit volle borst mee kunnen zingen en dat is handig als je dan je eigen versie goed wil vermarkten. Er is over nagedacht! De studio versie is trouwens opgenomen in een psychiatrische kliniek, waar de drums met ellebogen gespeeld worden en de bekkens van de drums met het hoofd: hoezo rock therapy? Dus, mocht je een gekke bui hebben, dan weet je wat je met het spaarvarkentje mag doen… Info: http://dickbrave.com en www.sonymusic.de (Henri Smeets)


JONNY BARBER & THE LIVING DEADS/ JONNY BARBER & THE LIVING DEADS
Jonny Barber & the Living Deads, geen cat. nr.

Jonny Barber is niet geheel onbekend bij de BA-lezers/ lezeressen, als het goed is, want enkele jaren geleden heb ik deze man reeds een keer de revue laten passeren toen het ging om Willie Lewis van Rock-A-Billy Record Co., die sinds 1983 uitsluitend vinyl op de markt brengt (zeg maar, een Amerikaanse Mac Bouvrie van Mac Records).
Eigenlijk gaat het hier bij deze drie roots rockabillies om twee acts: Jonny Barber en The Living Deads, bestaande uit Randee McKnight op drums en de charmante slanke Symphony Tidwell op bas, waarbij spontaan de gedachte opkomt (sorry, dames) of je liever de bas zou willen bespelen of Symphony. Ze ziet uit als haar naam: een ware symphonie van natuurlijke schoonheid. In dat opzicht is de tweede titel van hun album wel toepasselijk: Can’t Stand Still. Zo, uitgepuberd. We gaan volwassen verder met de muzikale verworvenheden van dit trio uit Denver, Colorado, met de aantekening dat Randee en Symphony ook nog de planken hebben gedeeld met Danny B. Harvey en Hillbilly Hellcats.
De binnenkomer van hun debuutalbum is Your Line Was Busy van Big Bob van The Du Droppers, dat de Indorock liefhebbers kennen van The Hot Jumpers uit 1961. Het wordt hier nieuw leven ingeblazen, met dezelfde intense energie als het origineel. Can’t Stand Still is een typische Amerikaanse neo-rockabilly song, met een lichte punkinslag in de samenzang. De country met western touch R.V. Hookup, heeft een lichte Johnny Cash injectie, dat we soortgelijk ook al bij Europese bands hebben gehoord. Een behoorlijk nummer. Wie ooit Nikki & The Corvettes heeft gehoord, een punkgirl band uit de late 70’s die ooit verzeild zijn geraakt op Ronny Weiser’s Rollin’ Rock label, heeft bijna het idee dat zij het koortje vormen op deze typische John Zacherle achtige kloon, doch origineel niet van de Amerikaanse horrorspecialist, maar van zijn Britse evenknie Screaming Lord Sutch uit 1964: She’s Fallen In Love With A Monster Man. Mad Monkey is een instrumentaal surfnummer dat met scheurend gitaar een wild geworden aap uitbeeld. Goed, er is wat voorstellingsvermogen nodig, maar als je dagelijks de aap uithangt lukt dat wel. Hot Broad valt onder de noemer traditional rockabilly, net als de Charlie Feather’s cover One Hand Loose, waarop Jonny zangmatig erg op Brian Setzer lijkt. Een goed geproduceerd album dat zo van een indie-label kon zijn, maar zij gaven (net als vele andere bands) er toch de voorkeur aan om het in eigen beheer uit te brengen. Nog altijd handiger dan wachten totdat je een lange grijze baard hebt, omdat je ooit een talentscout de kans wilde geven je te ontdekken. Blackout Snow White doet me denken aan een Brian Setzer Ochestra nummer van gelijke strekking. Lekker neo-rockabillyen op Nothin’ But The Radio On. Countrypunk Little Red Riding Hood zit in dezelfde lijn als R.V. Hookup, alleen iets pittiger. Bad Bob heeft behoorlijk wat weg van Rumble In Brighton van The Stray Cats. Look Both Ways Before You Cross, een rockabillysong die ze als verplichte kost zouden moeten introduceren voor schoolgaande jeugd: eerst naar links kijken, dan naar rechts en dan yeehaaaaw….naar schoooooooool. De rockschool wel te verstaan. Het album wordt dichtgedaan met de uptempo rockabilly Rockaway Beach, daar waar je gezien de titel eerder een surfnummer zou verwachten. Ook al hebben we dat soort nummers wel vaker gehoord, het is toch best een aardige song. Een trio dat in 2010 al een tournee door Europa maakte en daarbij zelfs ook ons land aandeed. Nou, ze mogen gerust nog eens terugkomen. Nee, nee, niet alleen vanwege de bassiste… ook vanwege de muziek hoor. Info: www.jonnybarber.com (Henri Smeets)

naar boven



21 oktober 2011



LAAT JE LEKKER GAAN/ JOHNNY VALENTINO
Yummie Records, YR110130

Als je de CD single uit het kartonnen hoesje haalt, ontwaren je ogen op het zilveren schijfje zelf, een parodie op het Sun Records logo. Na het horen van de eerste tonen, een pianoroffel die doet vermoeden alsof we een Jerry Lee Lewis kloon gaan horen, denk je zelfs dat we een Sun styled CD gaan beluisteren. Maar helaas: mijn oren ‘kijken’ elkaar verbaasd aan als ze opeens een soort van een Ben Cramer met leren jas, die een verjongingskuur heeft ondergaan, horen. Het nummer heeft wel wat rockigs, maar is overduidelijk bedoeld om in de charts te scoren bij het grotere publiek. Johnny is dan ook meer entertainer/ partyzanger, dan een pure rock ‘n’ roll-zanger, zoals wij die kennen. Niettemin, bij een publiek met een brede smaak zal het nummer zeker kunnen scoren (alleen de gast die verschillende malen zegt: everybody dance now, now everybody to the dancefloor, now everybody ready for the next dance en meer van die kreten, is absoluut een complete vergissing… het past totaal niet in het nummer en al helemaal niet omdat de man nul komma nul overtuiging heeft in zijn stem. Tja, als je professionaliteit uitstraalt moet je ook op details letten). Hartepijn klinkt als marsepein, maar is qua thema toch minder zoet. Het lijkt (deels) wel errug veel op een slow versie van Dave Sampson’s Little Girl Of Mine uit 1961, maar zeker een acceptabel nummer. Het orgel, dat ik normaal verfoei bij (slow/ up-tempo) rock ‘n’ roll-nummers, behalve Hammond-orgel dan, maakt de song echter heel mooi af. Netjes. Voor mij de absolute topper van het mini-album. Big Fat Mama is geheel andere koek. Het origineel is natuurlijk van de onvergetelijke Long Tall Ernie & The Shakers en ik moet eerlijk bekennen dat mij het origineel meer bevalt, het heeft meer pep. Dit nummer, ook al is het zeker niet onaardig, klinkt te geforceerd, omdat men te zeer het origineel wil benaderen voor mijn gevoel. Sommige songs moeten nu eenmaal door bepaalde zangers gezongen worden: de originelen. Het is misschien wat wennen voor Angelsaksisch gerichte oren, maar als verzamelaar van rock ‘n’ roll uit meer dan 60 landen, blijf ik het nog altijd boeiend vinden als artiesten durven te zingen in hun moedertaal. Ook Johnny Valentino hoeft zich dus niet te schamen. Duim omhoog. Resumé: op kleinigheden na, een CD die breed georiënteerde rock ‘n’ roll-liefhebbers wel aan het swingen krijgt en dito gebroken harten gevoelvol laat wegkwijnen bij Hartepijn. Info: www.johnnyvalentino.nl
(Henri Smeets)




DEAR YOU/ ARSEN ROULETTE
El Toro Records, ETCD-7002

Arsen Roulette (USA) heeft al minstens twee full-CD’s en twee mini’s uit op El Toro, en deze nieuwste full-CD ligt helemaal in de lijn van zijn voorgangers: Roulette blijft authentieke rockabilly produceren die klinkt als een kwart Sun Records, een kwart Johnny Burnette, een kwart Bob Luman en een kwart, euh, Arsen Roulette zelf zeker? Ik vind Roulette goed maar niet echt uit de hoop springen: daarvoor komt ie vocaal steevast net iets tekort en is zijn stem te vlak. En ze wordt er met de jaren getuige deze CD helaas niet beter op. Wel weet hij zich al een decennium te omringen met prima muzikanten die hem uitstekend ondersteunen, en dat is op Dear You niet anders met een Europese begeleidingsband bestaande uit Roberto Gorgone (I) van Jackie & his Loaders op gitaar, Nick Hoadley (GB) van onder meer Bob & the Bearcats en The Cordwood Draggers op contrabas, en Pascal Ammann (CH) van The Cracker Jacks op drums. Tegenover vorige CD’s is Ammann een nieuwkomer in de bezetting, en net als op sommige vorige releases is er op twee songs een extra piano, dit keer ingespeeld door Carl Sonny Leyland.
Op Dear You vertrekt Roulette vanuit de Sun-sound, aangevuld met een streepje Johnny Horton in Reason For Misery. Een verschroeiend nummer als Baby Likes To Rock ‘n’ Roll op The Lost Recordings, eigenlijk een uitzondering in Roulette’s oeuvre, staat er niet tussen: het wildste nummer is Spinning Around in de stijl van een Wildfire Willie, maar die was er met een even kapotte stem waarschijnlijk in geslaagd het beter te zingen en als nummer in zijn geheel minder cliché te laten klinken. De beste songs hier zijn de meest melodieuze: het mysterieuze Off My Mind met een latino gitaarrif, en het in samenwerking met Truly Lover Trio gepende Stranger dat klinkt als Roy Orbison met een Johnny Cash gitaar, als u zich daarbij iets kan voorstellen. En zoals gebruikelijk bij Roulette staan er heropnames op: Chasing Rainbows, Honey Hush en Rockin’ In The Alley hadden we al op B-Sides en het reeds genoemde Spinning Around stond reeds in demo vorm op The Lost Recordings. Meest opvallende nummer is afsluiter Oh Mama, een in het Italiaans gezongen cover van de Italiaanse fifties rocker Clem Sacco, afkomstig van een totaal andere opnamesessie. Het geluid is compleet anders dan de overige 13 nummers, zelfs de stem is totaal verschillend, het is uptempo en het is fris. Hier zou ik graag meer van horen!
De CD werd opgenomen in de Blue Lake studio in Zwitserland en klinkt erg authentiek. De fans zullen niet ontgoocheld zijn, maar op zich vind ik het gebodene niet spectaculair. Info: www.eltororecords.com en www.arsenroulette.net. (Frantic Franky)




A CELEBRATION OF 1950’s AMERICAN ROCK ‘N’ ROLL/ ROBB SHENTON & THE WESTERN ALL-STARS
Fury Records, FCD 3071

Robb Shenton. Robb wie? Tja, haast niet te geloven dat deze man toch ooit in een legendarische studio heeft gestaan, met één van de grootste producers aller tijden, de onvergetelijke: Joe Meek! (Terecht is er in 2009 een DVD verschenen van de film Telstar: The Joe Meek Story, als ode aan de producer). We schrijven dan 1963, als Robb deel uitmaakt van de beatband David John & The Mood, die enkele plaatjes daar opnemen. Opvallend als je de schitterende uitspraak van Joe Meek over de Beatles bedenkt: ‘just another bunch of noise copying other people’s music’. Voor iedere door en door rock ‘n’ roll-fan mogen ze deze uitspraak tot ‘uitspraak van de eeuw’ bombarderen! Yeah: rockers versus mods, yeehaaaw! In die tijd, vanaf 1963, maakte Robb ook deel uit van andere bands met wie hij in Joe Meeks’ studio stond: The Bobcats (rock ‘n’ roll), The Prestons (rock ‘n’ roll) vernoemd naar zijn thuisbasis Preston, The Nashspool (beat) en Flip & The Dateliners (beat). In 1964 heeft Robb ook nog eens met een Liverpoolse band gespeeld op een andere muziekhistorisch legendarische plek: Hamburg. Jammer dat het CD-boekje niet verder teruggaat in de tijd. Zeker voor liefhebbers van de Britse rock ‘n’ roll uit de 50’s/ early 60’s, de Teds, eigenlijk een must. Robb Shenton komen we dan onder zijn eigen naam, Robb Deka, tegen in 1960 in bands als The Crusaders en Robb Deka & The Strangers. Via een andere onbekende band in 1961 komt hij dan in 1962 terecht bij The Falcons en The Puppets (met wie hij grote namen als Marty Wilde, Craig Douglas, Brenda Lee, Gene Vincent, Vince Eager, Billy Fury, The Ronnettes en meer begeleidde en tevens op TV verscheen. Deze band nam twee singles op in 1963). Een andere bron laat weten dat de Brit nog onder het pseudoniem Robb Eccles actief is geweest. Vanaf 1977 noemt hij zich in ieder geval Robb Shenton en in 1980 heeft hij aardig wat succes met Lonely Joe, een ode aan de grote producer. Met de komst van de film Telstar: The Joe Meek Story werd dit nummer opnieuw opgenomen, ditmaal met een heel bekende naam bij de Teds, nu in de gedaante van producer en wel: Clem Cattini (begonnen in de legendarische coffeebar The 2 I’s als drummer voor diverse artiesten, waaronder Terry Dene en bekend geworden via Johnny Kidd & The Pirates en The Tornados). Met dit album anno 2011, gaat Robb terug naar de rock ‘n’ roll-roots van zijn jeugd.
De CD is rijk geproduceerd, voor leken: vol en sprankelend, waar een amateur als ik alleen maar van kan dromen. Zal wel zijn, als Alan Wilson, zeker geen onbekende in de neo-rockabilly wereld, de producer is. Voor degene die een geheugensteuntje nodig heeft: Alan was de mede-oprichter van begin jaren tachtig neo-rockabilly band The Sharks, Hij heeft o.a. Johnny Leyton, Sue Moreno, The Sharks, Graham Fenton, Batmobile en Restless geproduceerd. Luisterend naar Robb’s album, lijkt het wel alsof zijn stem een cosmetische operatie heeft ondergaan in de studio, want met die leeftijd (65+) zingen als een jochie van 20 is knap! De hotrod op de cover raast voorbij en uit de radio klinken in totaal 11 tracks. Covers en de self penned song Hey Sweet Sheila, een lofzang op zijn vrouw (wat je al niet doet om je relatie op peil te houden). Volgens het booklet klinkt Robb hier als Robin Luke. Ik vind dat deze highschool bopper, zowel qua zang als sound, eerder in de richting van een jonge Tommy Roe gaat. Een nummer dat wel een goede 50’s touch heeft, zeg! Bravo. Als eerste horen we uit de radio That’s Alright klinken, het rockabillynummer van Sun-rocker Ray Smith. Goeie cover, ook al vind ik het achtergrondkoor iets te modern klinken. Sure Do Love You Baby is mijn favoriet van het album en was al één van mijn voorkeurnummers van Bobby Lee Trammel. Dit is rockabilly zoals het hoort. Goeie slappin’ beat, heerlijke stomper, lekkere Sun style echo. Een andere topper is ongetwijfeld de highschool rocker Pretty Little Love Song, cover van Sun-rocker Hayden Thompson, met behoorlijke zang en aardige vocale begeleiding van het koortje. Doowopper I’m In Love gaat erin als koek, smullen. Title track We’re Gonna Rock, origineel Wild Bill Moore (te vinden op de dubbel-CD Rock Before Elvis van het Canadese HoyHoy Records uit 1991), maar in 1950 opgenomen en gepopulariseerd door Gunter Lee Carr alias Cecil Gant, met ronkende sax en scheurende mondharmonica, klinkt meer als een aangename doorsnee-rocker. Train Kept A Rollin’ heeft hier en daar, qua melodielijn, wat weg van het gelijknamige nummer van The Johnny Burnette Trio, maar is vooral een mid-tempo voortkabbelende (van Tiny Bradshaw uit 1951) gecoverde jumpblueser, zowel in zang als instrumentale begeleiding. Niet onaardig. Johnny Burnette’s Cincinnati Fireball, in het origineel al een voorbeeld van een opvallende (geslaagde) combinatie van een rockabillysong met strijkorkestje, wordt hier op waardige wijze gerevived (zij het dat hier natuurlijk een synthesizer het werk doet van violisten). Conway Twitty’s Lonely Blue Boy komt vrij close bij het origineel, ook al is de zang in het origineel wat ruwer. Coole cover. Een andere Ray Smith cover klinkt uit de radio van de voorbijrazende hotrod: Rockin’ Little Angel, dat eens temeer laat horen dat Robb en de studioband rond Alan Wilson, The Western All-Stars, heel veel gevoel hebben voor de authentieke 50’s sound. De show wordt afgesloten met Johnny Otis’ Crazy Country Hop, dat een overduidelijk Bo Diddley ritme kent, met (ver)scheurende mondharmonica en goed (eerder Duane Eddy-achtig) gitaarwerk. Als je het met het origineel vergelijkt, klinkt het wat gepolijst, maar dat is tegenwoordig helaas standaard.
De vergelijking op het album dat Robb klinkt als Ersel Hickey kan ik helaas niet onderschrijven, veel te ver gezocht. Neemt niet weg, dat hij nog altijd behoorlijk zingt voor zijn leeftijd, daar waar je bij anderen de veroudering in de stem hoort. Conclusie: een meer dan behoorlijke tribute aan de fifties! Info: www.myspace.com/robbshenton en www.fury-records.com (Henri Smeets)




BOOGIE ALL NIGHT/ LITTLE VICTOR
El Toro Records, ETCD6048

Nieuw werk van Little Victor (USA), de man die de fifties bluesvlam zo goed als in zijn eentje en met de moed der wanhoop brandende houdt, al zijn deze tracks niet echt nieuw: ze zijn opgenomen in 2006 in Phoenix toen Little Victor, zoals het een bluesman betaamt de eeuwige zwerver, daar woonde. Vier van de meer dan 60 songs opgenomen tijdens die sessies verschenen in december 2007 in Duitsland op de Witchcraft vinyl-EP Blues Shakedown, nu brengt El Toro er veertien uit op CD, en dat is de gebruikelijke oldschool blues die we gewend zijn van Victor Mac, zoals de kleine heet voor de burgerlijke stand. De vier nummers van Blues Shakedown staan ook op de CD, maar aangezien ik die EP niet bezit kan ik u niet zeggen of het dezelfde of alternatieve versies betreft. Victor wordt begeleid door lokale bluesmuzikanten uit Phoenix waarvan ik enkel drummer Brian Fahey (vroeger bij The Paladins), contrabassist Mario Moreno (vroeger bij Billy Bacon) en gitariste Sophie Kay (de Franse zangeres met wie Victor in het verleden al de CD’s Cooking With Gas en Just Rockin’ The Blues maakte) ken. Alle nummers zijn zelfgeschreven, maar er zitten er verschillende tussen die doen denken aan bestaande nummers, uiteraard typerend voor de blues, een muziekgenre dat aan elkaar hangt van de herwerkingen. Victor komt er trouwens grif voor uit in de CD-inlay, waar hij per song haarfijn uit de doeken doet waar hij de mosterd haalde. Opvallendste song: Iraq Blues, in de stijl van de zwarte Vietnam protestliederen uit de jaren ’60, geen anti oorlogsmanifest, wel een oproep om de brothers terug naar huis te halen voor ze in Bagdad allemáál het loodje leggen. Voor de rest is dit een amalgaam van Sun blues, Chicago blues, swamp blues, slide gitaar en mondharmonica, aan te raden aan iedereen die thuis platen heeft steken van pakweg Howlin’ Wolf, John Lee Hooker, Elmore James, Slim Harpo, Lazy Lester, Papa Lightfoot en Jerry McCain. Info: www.eltororecords.com en www.myspace.com/littlevictormusic. (Frantic Franky)




THE ESSENTIAL SUN COLLECTION
Union Square Music, METRTN016

Als kind was ik wild op de metalen koekjestrommel van mijn oma en opa. Eens per week, op zondag, dan ging die grote (van Engelse snoepjestrommel tot koekjestrommel verlekkerde) metalen lekkernijhouder open en was het graaien geblazen tussen al die lekkere koekjes en biscuits.
Dat gevoel kwam weer op, toen ik de blikken doos opende met daarin 3 CD’s (met Sun-records vinyl look) en een 24 pagina boekje, die me weer terugbrengen naar de tijd dat ik naast de smaak van koekjes, ook het muzikale lekkers uit de Sun studio van Sam Phillips leerde proeven. Nostalgie puur dus. Dit kleinood, dat toch tegen een zeer schappelijke prijs verkrijgbaar is, is een doorgesneden ‘Sun-jaren’-koek, die verdeeld is in drie puntjes: blues, country en rockabilly/ rock ‘n’ roll. Smullen geblazen! Natuurlijk bevat het boekje details en de CD’s muziek, die bij de die-hearts tot in den treure bekend mag worden verondersteld, toch is het (zeker voor die prijs en uitvoering) een hebbedingetje voor de ware Sun-liefhebber, die helemaal weg is van die karakteristieke driedimensionale slapback (delay echo) sound. Deze sound van de legendarische Ampex 350 bandecho is sinds dit jaar ook digitaal beschikbaar in de vorm van een plugin (accessoire voor audiobewerkingsprogramma’s) van de vermaarde firma Waves: voor een prikje van de 1800 Britse pond, die momenteel gevraagd wordt voor de Ampex 350 uit 1955 van Hank Snow en Colonel Tom Parker, die gebruikt werd voor diens Jamboree Productions (die o.a. ook boekingen deden voor Bill Haley & The Comets en Elvis en die Elvis bij Grand Ole Opry onderbrachten). Deze originele Ampex, voor de liefhebber, is compleet met Ampex brochure, aantekeningen van Hank Snow t.b.v. de koop van het apparaat en een brief van Tom Parker aan Hank Snow van 17-12-1955 met tourinformatie voor 1956. Na dit lekker maken, even proeven aan de inhoud van de CD’s en het boekje. Over het boekje kunnen we gauw klaar zijn. Er staan biografieën in van Sam Phillips, Elvis, Carl Perkins, Johnny Cash, Jerry Lee Lewis, allemaal onder het mom van ‘niet teveel en niet te weinig’ en nog wat woorden gewijd aan Roy Orbison, Charlie Rich, Billy Lee Riley, Warren Smith, Prisonaires en Junior Parker. In totaal staan je oren 60 tracks te wachten, allemaal de grote hits van de artiesten, variërend van het oerbekende Blue Suede Shoes tot obscuriteitje doo-wop ballade Sitting By My Window uit 1955 van The Five Tinos. Voorbij flitsen namen, naast reeds genoemde, als Carl Mann, Jackie Brenston (Rocket 88), Rosco Gordon (Booted), Malcolm Yelvington, Jones Brothers (Gospel Train), Million Dollar Quartet (Walk That Lonesome Valley en Don’t Be Cruel), Prisonaires (Just Walking In The Rain), Bill Justis, Billy Emerson (When It Rains It Pours, het origineel van Elvis’ cover), allen op de CD Rockin’. Op de Country CD ontmoeten we Charlie Feathers (dit keer op de countrytour met Defrost Your Heart en Runnin’ Around), Jeanne Newman, Tracey Pendarvis (dit keer op de countrytour: Southbound Line), Dane Stinit (uit de nadagen van Sun), Doug Poindexter & The Starlite Wranglers, Onie Wheeler, Barbara Pittman, Maggie Sue Whimberley en Roy Drusky.
De onzinnigheid van de volgende opnames ontgaat me volledig: Sleepy LaBeef met Blackland Farmer (1971 opgenomen voor Plantation Records van Shelby Singleton, die de Sun Catalogus inmiddels overgenomen had… desondanks ongepast op deze compilatie), zingende gouverneur Jimmy Davies (Where The Old Red River Flows, volgens mij never nooit de versie uit 1962, veel te modern), Dave Dudley met Driver uit 1981 (wat heeft dat met Sun te maken?), Jeannie C. Riley (Girl Most Likely uit 1970 voor Singleton’s Plantation label, ongepast op een Sun-compilatie), Webb Pierce (In The Jailhouse Now, als deze versie hier uit 1955 is, ben ik een eskimo… en die zijn dun gezaaid in Limburg hoor!). Waarom laat men niet eens een keer 50’s rock ‘n’ roll/ country/ blues liefhebbers een compilatie samenstellen, dan vermijd je dit soort weerzinwekkende onzin. De rest van de CD’s bevat gelukkig de originele opnames uit de good ol’ 50’s… het is ze ook geraden, zeg. Vreemd genoeg vinden we op de CD Country: Carl Perkins’ Blue Suede Shoes, Harmonica Frank Floyd met het bluesy Howlin’ Tom Cat dat ik eerder verwacht had op de Blues CD en Charlie Rich (Who Will The Next Fool Be…country?…eerder blues, maar toch een rockballade). Dan de CD Blues, die ook weer verrassingen kent, maar dan aangename. Hier bluesen aan ons enkele songs voorbij, die gewoon op de CD Rockin’ hadden mogen (en wellicht ‘moeten’ staan): Howlin’ Wolf (How Many More Years), Joe Hill Louis’ We All Gotta Go Sometime… voor de meeste mensen geen reden voor een stampende rocker, maar eerder een droevig afscheid nemen van onze rockende wereld… but, man, this is the rocking blues!), Rufus Thomas (Bear Cat ofwel de antwoordsong op Big Mama Thornton’s Hound Dog), het origineel van Elvis’ cover Mystery Train in de uitvoering van Little Junior’s Blue Flames, Doctor Ross (The Boogie Disease), Jimmy And Walter met Easy (1. door de beperkte dynamiek van de microfoon klinkt de mondharmonica soms als een scheurende saxofoon, 2. als je goed luistert naar Ivory Joe Hunter’s Since I Met You Baby merk je opeens, dat er wel degelijk elementen van deze song in schuil gaan, zij het dat Ivory de song in een andere toonhoogte heeft opgenomen en veel rustiger, zodat het anders lijkt te klinken), David Edwards (Sweet Home Chicago), Little Milton (If You Love Me Baby), Little Junior’s Blue Flames met Feelin’ Good (dat op zijn minst ritmisch als blueprint moet hebben gediend voor Elvis’ Milkcow Blues Boogie!) en Doctor Ross (Come Back Baby).
Er staan ook echte bluessongs op deze CD van: Earl Hooker, Howlin’ Wolf (maar nu wel blues, The Wolf Is At Your Door, toch ook weer een knipoog naar Hound Dog), Pat Hare, Frank Frost, Willie Nix, James Cotton, Sammy Lewis & Willie Johnson. Waarom echter Ray Smith met Break Up (klinkt anders dan de versie die ik op LP met 50’s originelen van hem heb staan) en Gene Simmons met Drinkin’ Scotch op de blues-CD staan, grenst aan een vlaag van verstandsverbijstering bij de samenstellers. Gewone rock ‘n’ roll. Basta.
Samengevat: afgezien van de misstap op de country-CD met ongepaste nummers, is de CD-set toch een aardige compilatie en geeft best een goed beeld van wat zoal op Sun-records werd opgenomen: de groten van de rock ‘n’ roll, country en blues plus de muzikale muurbloempjes van de studio aan 706 Union Avenue. Er is in ieder geval aardig wat te rocken op alle drie de CD’s voor de ware rock ‘n’ roll-liefhebber. Info: www.unionsquaremusic.co.uk (Henri Smeets)


Demo Recensie

.44 SHAKEDOWN/ .44 SHAKEDOWN

Nieuwe bands, laat ze maar komen, vooral als ze zo lekker klinken als .44 Shakedown die hun eerste concert speelden begin 2010. De band bestaat uit Ben van Anrooy (drums), Marcel van de Zee (zang, contrabas), Tim Blonk (alt- en baritonsax) en Aram Stoop (zang, gitaar), die “hoewel nieuw in deze samenstelling in een vorig leven al menige juke joint hebben platgespeeld”. Ik ken hun namen niet en vond enkel terug dat Stoop ook bij bluesband The Blue Hogs speelt of speelde. “Zwarte rock ‘n’ roll, originele ‘40s en ‘50s rhythm & blues, obscure jumpblues, slepende saxschuivers en sexy nightclub ballads”, zo lees ik, “voorzien van vette jazzy gitaarlicks en huiveringwekkende saxsolo’s, een opzwepende roadtrip van Chicago naar New Orleans en weer terug geïnspireerd door Fats Domino, Little Richard, Louis Prima, Louis Jordan, Ray Charles, Freddie King en T-Bone Walker, gebracht met vintage instrumenten en versterkers, met een aankleding en uitstraling op het podium geheel in de stijl van toen”. Of dat de waarheid en niets dan de waarheid is kan ik helaas bevestigen nog ontkrachten aangezien ik .44 Shakedown nog nooit live aan het werk zag. Ik kan enkel voortgaan op deze demo, een voorproefje van hun binnenkort te verschijnen album Atomic Jump, en dat voorproefje klinkt zalig! Drie nummers staan er slechts op, maar wel alle drie goed, en geopend wordt met Ella Mae van Louis Jordan, rockende rhythm ‘n’ blues met een start-stop patroon en drijvend op sax. Track 2, Safronia B, de pré-rock ‘n’ roll hit van Calvin Boze uit 1950 (bij ons ook gecoverd door The Electrophonics) klinkt mooi ouderwets en verrassend genoeg bijna western swing, zelfs met die sax, en gebracht met zachte stem. Is dit dezelfde zanger als op Ella Mae? Geen idee, maar de .44 Shakedown versie is puur At’s Crazy Record Hop materiaal. Een hele goeie zaak bij die twee nummers is dat het vooral de sax is (of saxen, het klinkt alsof er meerdere tegelijk spelen – benieuwd hoe ze dat live aanpakken) die het hoofdinstrument is, zowel voor de solo’s als voor de begeleiding. Da’s een goeie zaak omdat veel van dit soort bands daarvoor een R&B-gitaar gebruiken, en daar houden wij toevallig niet zo van. Derde en helaas al laatste nummer is Honky Tonk, de instrumentale orgelhit van Bill Doggett uitgevoerd op saxofoon, dus eigenlijk Honky Tonk Part 2, in 1956 de B-kant van dat plaatje met Clifford Scott als toeteraar van dienst. Bij .44 Shakedown wordt het uiteraard een showcase voor saxofonist Tim Blonk, slurpend en sleurend aan dat ding (met tussendoor slechts één lijn R&B-gitaar) tot het laatste kledingstuk het publiek wordt ingesmeten. Neemt u me niet kwalijk, ik vrees dat ik in het rijk der fantasie ben aanbeland. Hier met dat full-debuut, en een beetje snel graag! Heeft .44 Shakedown trouwens al opgetreden voor Radio Modern? Zo niet: neem akte, Ben Mouling! Info: www.reverbnation.com/44shakedown en www.myspace.com/44shakedown (Frantic Franky)


Vinyl Single Recensies

PLEASE BABY DON’T CRY/
JAKE CALPYSO & HIS RED HOT
Chickens Records 080111

Na My Baby Rocks de tweede single van Jake Calypso & his Red Hot, het pseudoniem waaronder The Hot Chickens (F) vorig jaar het album Grandaddy’s Grease uitbrachten, rauwe primitieve rockabilly bop in de stijl van fifties labels als Starday, Meteor en Sarg. Deze nieuwe single met twee nieuwe nummers die niet op het album staan biedt meer van hetzelfde. A-kant Please Baby Don’t Cry is een medium tempo bopper met in amper 2 minuten en 26 seconden twee vlijmscherpe gitaarsolo’s en Hot Chickens/ Jake Calypso frontman en onvermoeibaar rock ‘n’ roll ambassadeur Hervé Loison net als op het hele Grandaddy’s Grease album huilend in de hogere vocale regionen. B-kant Indian Boppin’ is sneller en wilder met zoals de titel vereist een vleugje indianen op het oorlogspad, eigenlijk één lange gitaarrif met daarop een door Hervé gegromde en gekreunde tekst. Eerlijk gezegd versta ik nog steeds geen snars van wat hij uitbraakt, maar het klinkt wel! En al even eerlijk: ik denk niet dat ik deze opnames zou verwarren met het échte fifties spul, daarvoor klinken ze net iets té gemaakt volgens één en dezelfde beproefde formule, want volgens mij kunnen ze er op een maandagochtend zonder al te grote kater zo wel tien uit hun mouw schudden. Wel klinken ze krèk hetzelfde als de huis-, tuin- en keukenopnames die in de jaren ’60 en ’70 in het schuurtje in elkaar werden geknutseld door mensen die waren blijven hangen in de fifties. Net als Hervé en de zijnen dat nog steeds zijn in 2011! Chickens Records is Hervé Loison’s eigen label, dus voor alle info surfen naar www.myspace.com/musicloversprod of mailen naar jakecalypso@gmail.com. (Frantic Franky)


MIGHTY MAN/ PETE “FRANK” HARTFIELD
Georgia Records, G-001

Waar komen al die re-issues (of repros zoals ze in het Engels heten) toch vandaan? Wie perst ze en wie distribueert ze? In dit geval kunnen we het onthullen: deze re-issue van een single uit 1963 wordt op de nietsvermoedende wereld losgelaten door de Franse DJ Batman. Ik had nog nooit gehoord van de op 4 september 2006 op 75-jarige leeftijd overleden Hartfield, die zegge en schrijve twéé singles uitbracht: Love Me/ Darling Tonight op Motown sublabel Miracle in september 1961, en deze Mighty Man Part 1 & 2 in augustus 1963 op Baby Records, een klein label van ene H. Barnes. Meer info is over Hartfield niet bekend, maar Batman wist Barnes’ weduwe op te sporen en kreeg van haar het fotootje en de uitgeknipte krantenadvertentie, blijkbaar haar enige mementos van Hartfield’s muzikale carrière. Originele Mighty Man’s verwisselen naar verluidt voor veel geld van eigenaar en het plaatje geniet enige faam binnen de northern soul scene, maar daar hoort het volgens mij helemaal niet thuis. Nee, Mighty Man klinkt als een kruising tussen twist, zwarte party rock ‘n’ roll en early soul. Het plaatje opent met een typische party intro (een hoop stemmen die door elkaar roepen alsof je op een feestje bij iemand thuis binnenwandelt, of binnenwankelt...) en trapt af met een start-/ stoppatroon dat doet denken aan Great Balls Of Fire, alvorens los te barsten in een What’d I Say groove met een rockende piano en een resem saxen. Volgens de overlevering kwam Hartfield uit de doo-wop (de naam The Four Kings wordt genoemd, helaas een naam gebezigd door verschillende doo-wop groepen, mogelijk gaat het in dit geval om The Four Kings die midden jaren ’50 opnamen voor het net als Motown in Detroit gevestigde Fortune Records – Hartfield’s Miracle single is trouwens erg doo-woppy), en zijn stem klinkt typisch early sixties zwart in de stijl van een Jackie Wilson, met als hoogtepunt na 2:13 een 20 seconden aangehouden hoge noot, na 2:36 gevolgd door een abrupte fade out. Kant 2 gaat zoals dat hoort bij een Part 1 & 2 voort met nog eens 2 minuten meer van hetzelfde, al lijkt deze kant me een edit van dezelfde stemmen intro van de A-kant en de rest van het nummer, alvorens opnieuw te eindigen met die lange hoge noot en een fade out. Dit nummer is ongetwijfeld te zwart en te sixties voor een aantal onder jullie, maar wie houdt van die stijl zal deze single ongetwijfeld weten te smaken. Info: contacteer DJ Batman via de Boppin’ Around Facebook. (Frantic Franky)

naar boven

15 oktober 2011



MARTIAN GALS/
KIERON McDONALD & THE HI-TONES
Hi-Tone Records, HTR 001

Vinyl wordt natuurlijk nog immer als de ultieme rock ‘n’ roll geluidsdrager beschouwd en er zijn bands die dat onderschrijven. Sterker, het lijkt er op dat steeds meer bands en/ of labels weer vinyl uitbrengen. We kennen ‘m wel: Kieron McDonald, de Australische Flatfoot Shaker die inmiddels al weer enkele jaren in Keulen woont en derhalve zo nu en dan bij gelegenheid ook onze landsgrenzen overwipt met zijn band The Kieron McDonald Combo, verder bestaande uit Carl Baker op bas (Australiër, zat destijds eveneens in The Flatfoot Shakers) en de Nederlanders Rolf Hartogs (sologitaar) en Jan van Leeuwen (drums - en soms ook draaiorgel, maar dat is dan weer in een andere setting…). Toen het plan werd gesmeed een single op te nemen en Carl wegens agendaproblemen moest afhaken, was het idee snel geboren om dit te doen onder de naam Kieron McDonald & the Hi-Tones, dus inclusief Jan Kramer (slaggitaar) en Raymond Blom (contrabas).
Dit blijkt niet zomaar een single te zijn geworden. Nee, we krijgen vier nummers en dan niet als EP gepresenteerd doch als dubbele single… waardoor ze prima in m’n AMI draaien! Hulde! Het nummer Martian Gals wordt als de A-kant aangeduid en bij deze uptempo rocker denk ik aan white-rock bands als de Zweedse Eddie & the Flatheads, al is de sound iets ‘lichter’ van aard. Cold Feet is medium tempo en kan als aanstekelijke stroller op party’s dienen. En al zijn alle vier songs kwalitatief uitwisselbaar (en hadden ze dus allen kunnen strijden om het predicaat A-kant, wat ze wellicht ook gedaan hebben) mijn favorieten zijn Bop It! en Space Boppin’. Omdat ik van Boppin’ Around ben, hoor ik je zeggen. Tsja, ik hou nu eenmaal van deze muziek en deze songs brengen mij dan ook het ‘echte bop-gevoel’. De nummers klinken niet alleen muzikaal uitstekend, de timing is ook perfect en dat laatste bepaalt of een song nu werkelijk uitnodigt tot boppen of niet.
De echte fifties vintage uitstraling van de dubbele single draagt eraan bij dat het vinyl een leuk hebbeding is waarmee je nog iets kan doen ook: namelijk draaien! Kieron McDonald schreef de songs zelf, een extra pluspunt, want origineel en nooit eerder op plaat gehoord. This is my pick of this fall! Check www.myspace.com/kieronmcdonald. Je kunt daar ook de tracks van deze singles beluisteren. (Frans van Dongen)


CD Recensie

ROAD TRIP/ DUANE EDDY
Mad Monkey Records, MAD1

Dit is het eerste album van Duane Eddy sinds 1987, maar bekeken vanuit een rock ‘n’ roll standpunt helaas niet de ultieme comeback...
De inmiddels 73-jarige gitarist die in 1958 een golden oldie scoorde met Rebel Rouser en daar een sympathieke instrumentale carrière aan overhield, liet zich in Engeland omringen door een uitmuntende groep producers en muzikanten (of misschien waren zij het die Eddy overtuigden nog één keer zijn ding te doen), maar da’s tegelijk het rock ‘n’ roll probleem. Het enige uptempo nummer, het op Peter Gunn leest gestoelde Primeval, verdrinkt in overproductie, net als het enige andere wat hardere nummer, Curveball. Ook op de negen overige nummers wordt Eddy’s twangy gitaar (die toch net iets minder twangy klinkt dan vroeger) ingebed in een overaanbod aan instrumentatie zoals piano en steel of gekoppeld aan andere gitaren, en dat terwijl de saxofoon, mijns inziens toch een integraal deel van de Duane Eddy sound, slechts in twee nummers opduikt. Het meest teruggrijpend naar de Duane Eddy van vroeger zijn de rustige melodieën zoals ie ze destijds met tientallen tegelijk inblikte, bijvoorbeeld titeltrack Road Trip, een ouderwetse trage in westernstijl helaas onnodig verpakt in een te modern arrangement gelardeerd met een middle of the road piano à la Floyd Kramer en een Santo & Johnny-achtige steel, of Rose Of The Valley, een mooi melodietje uitgewerkt als een platte slow. Ook retro zijn de medium tempo tracks Twango (geen tango maar een verwijzing naar zigeunergitarist Django Reinhardt met wiens friedelende gitaar de twang wordt vermengd. Als u Django niet kent: denk Chet Atkins), of Mexborough Ferry Boat Halt dat na het eerste rondje verzandt omdat er laag na laag wordt toegevoegd. Bleaklow Air refereert naar het Twin Peaks thema van Angelo Badalamenti dat de mosterd uiteraard haalde bij Eddy. The Attack Of The Duck Billed Platypus (ja, de inspiratie voor de titels was weer zoek) is exotica, afsluiter Franklin Town is een dromerige akoestische reflectie. Om kort te gaan: waar Dick Dale zichzelf een aantal jaar terug helemaal opnieuw uitvond en daarbij een nieuw jong publiek aanboorde, blijft Eddy steken in een album dat enkel op gejuich zal onthaald worden door de fans die hem in oktober 2010 in de Londense Royal Festival Hall een 10 minuten durende staande ovatie gaven nog voor hij één noot had gespeeld. Maar wat mij betreft hadden ze Eddy een week in een krakkemikkige studio mogen opsluiten met The Seatsniffers. Wedden dat de vonken er dan wél hadden vanaf gespat? Mad Monkey Records maakt deel uit van EMI, dus ik neem aan dat je de cd overal kan bestellen. De LP versie is wellicht moeilijker te scoren. Info: www.duane-eddy.com (Frantic Franky)

naar boven

Vinyl Single Recensies



15 september 2011

NORTH SIDE GAL/ JD McPHERSON
Witchcraft Records WCI 45-104

Witchcraft Records is het label van de Duitse DJ Felix Schutze alias Lucky Shooter, die blijkbaar zoveel van vinyl houdt dat ie zijn eigen labeltje uit de grond stampte waarop ie enkel en alleen vinyl uitbrengt, vaak van zaken die enkel op CD uit zijn. Deze bijvoorbeeld: twee tracks van Starkweather Boys zanger JD McPherson’s solo debuutalbum Signs & Signifiers, zowat dé CD en revelatie van 2010 (herlees onze review hier). Die hele CD, opgenomen in de analoge vintage studio op de zolder thuis bij Jimmy Sutton (bekend van The Four Charms, The Del Moroccos en Deke Dickerson) was uitstekend, en twee van de beste tracks staan nu op dit vinyl kleinood: opener en Mike Sanchez-soundalike North Side Gal en bluesbopper Wolf Teeth. Wie al eens een stapje in de rock ‘n’ roll wereld en richting dansvloer zet kon pakweg het voorbije jaar niet ontsnappen aan beide nummers, niet alleen schoolvoorbeelden van productie (Sutton voegt steeds meer instrumenten toe naarmate het nummer vordert) maar vooral onweerstaanbaar meeslepend. Als u de CD nog niet hebt maar wel nog over een platenspeler beschikt: dit is essentiële stuff die we niet genoeg kunnen aanbevelen!
Info: www.witchcraft-international.de en/ of www.myspace.com/luckyshooter. (Frantic Franky)


BIG KAHUNA/ SMOKESTACK LIGHTNIN’ Witchcraft Records WCI-106

Witchcraft heeft iets met Smokestack Lightnin’, en Smokestack Lightnin’ heeft véél aan Witchcraft te danken: het Duitse label bracht de debuutsingle van Smokestack uit, én de single If I Really Bug You/ Funnel Of Love, én de vinylversies van de albums SoulBeat, Home Cooking en hun recentste Heads Of Agreement. De vernieuwende Duitse band blijft verrassen, want deze Big Kahuna (een alternatieve versie van een nummer van Heads Of Agreement) is een erg sixties poppy klinkend uptempo nummer, ook in deze zogenaamde Lonestar versie, niet opgenomen in Texas, wel in januari van dit jaar in de Lonestar Studio in Nürnberg. De springerige leadgitaar van de Heads Of Agreement versie is vervangen door een meer vervormde maar evenzeer sixties klinkende leadgitaar en wordt aangevuld met orgel, bongo's en een dameskoortje. Een uitnodiging tot go go dansen is het laatste wat je verwacht van de band die vooral populair werd met hun twangy countryrock, maar we geven toe dat dit nummer (geschreven door Bernie Batke in samenwerking met Seatsniffers frontman Walter Broes, een verrassing wegens helemaal niet in Sniffers stijl) wel degelijk werkt als je het beschouwt als Southern Culture On The Skids meets poprockband The B-52s.
Ook de B-kant is onuitgegeven: de Everly Brothers cover When Will I Be Loved. De melodie blijft trouw aan het origineel uit 1959 en ook de duozang blijft behouden (met Batke’s lijzige stem op de voorgrond), maar de Smokestacks maken er – in contrast met de klaaglijke tekst – een opgewekt, zonnig en vrolijk nummer van, met ergens in de achtergrond opnieuw een orgeltje. De eerste solo is helder early sixties gitaarwerk, de tweede is twangy. Het resultaat is een leuk niemendalletje en tegelijkertijd een lekker meedeinende stroller. Info: www.witchcraft-international.de, www.myspace.com/luckyshooter, www.myspace.com/smokestacklightninmusic en www.smokestacklightnin.de. (Frantic Franky)


5x10/ JIM CARLISLE
Witchcraft Records WCI-105

Nieuw werk van rockabilly-/ bluesgitarist Jim Carlisle, in het verleden actief als one man band en als sideman van Paul Ansell in The Blue Rhythm Boys, Ansell’s band vóór Number Nine. Het eigen 5x10 is dreigende sixties garageblues trash, op de op 33 toeren af te spelen B-kant staan twee covers: een hele uptempo I Just Wanna Make Love To You (gepend door contrabassist Willie Dixon maar origineel opgenomen door Muddy Waters in 1954 en sindsdien door zo goed als iederéén gedaan) die meer ‘60s R ‘n’ B dan 50s bluesbop klinkt, en When It Rains It Really Pours (Elvis keek het op Sun af van Billy “The Kid” Emerson die ook Red Hot schreef) als trage gitaarblues met een gastrol voor Paul Ansell op piano. Carlisle speelde op alle drie tracks naast de gitaar ook zelf de bas in, voorts is er buiten die ene keer piano enkel drums aanwezig. Blues dus, maar gelukkig zonder mondharmonica. Carlisle’s stem klinkt ook echt als een oude zwarte bluesman, terwijl hij eigenlijk natuurlijk gewoon een oude blanke bluesman is.
Info: www.witchcraft-international.de en/ of www.myspace.com/luckyshooter. (Frantic Franky)

CD Recensie

HYDROGEN BOMB/ THE MEGATONS
Rock Paradise Records RPRCD 14

Dit is het debuut van een Parijse band opgericht in 2009 door (ex-)leden van groepen als The Four Slicks, Real Gone Daddies, Craignos Monsters, Loud Mufflers, Jokers, Bad Hangover, Hoochie Coochies, Boppin’ Teds, Dixie Cannonball en Froggy Land Boys. Nooit van gehoord? Kan kloppen: sommige van de genoemde bands gaan terug tot begin jaren ’80! Samen brengen ze als The Megatons iets totaal anders, namelijk pure white rock! Songtitels als Dateless Night (Allen Page), Not For Love Or Money (Gary Hodge), Long Ponytail (Chuck Tharp) en You’re Late Miss Kate (Jimmy Dee) zeggen genoeg, en ze hebben er de juiste bezetting voor: geen contrabas maar elektrische bas, twee elektrische gitaren, en een tenorsax die meestal hoog piepend simpelweg wat meetoetert. Alle 13 nummers inclusief twee instrumentals (Thunder Wagon van The Noblemen en Sabotage van B. Goode) zijn covers en uptempo met de leadgitaar non-stop in de hogere regionen, lekker wilde gitaar rock ‘n’ roll. Toch klopt het plaatje niet helemaal: in de op zich prima zang hoor ik een zweem van een accent (zij het geen Frans accent), en in sommige nummers versta ik de zanger niet of struikelt ie over de tekst. Hier en daar hebben ze een foute gitaarnoot gewoon laten staan, wat bij white rock uiteraard geen probleem is. Een van origine niet-white rock nummer als You’re The One That Done It (harde rockabilly van Thomas Wayne) blijkt niet echt te werken als white rock, mogelijks door het stop-start ritme. Ook Blue Swinging Mama (Larry Dowd) hoor ik liever in het arrangement van Lawen Stark & the Slide Boppers (B), en ik hoop dan ook dat dat nummer op hun binnenkort te verschijnen debuut gaat staan. De geluidskwaliteit van de Megatons CD is erg clean, wat we niet gewend zijn bij white rock. Niettemin: in zijn totaliteit is dit een uitstekende CD. Er is ook een 10-inch (in Frankrijk heet dat een 25 centimenter) vinylversie met één track minder dan de CD, en 2 van die 12 tracks staan dan weer niet op de CD. Info: www.themegatons.com en www.rockparadise.fr. (Frantic Franky)

naar boven

Vinyl EP Recensie



8 september 2011

JIMMIE DALE/ JIMMIE DALE
Jaybop Music, JB001

Zijn er nog 50s artiesten die niet gelokaliseerd zijn? Jawel, en deze vinyl EP viert de ‘ontdekking’ van een van hen, Jimmie Dale, van de obscure rockabilly single Baby Doll/ Darlin’ uit 1958 die voor het eerst opdook op de Ace LP Rarest Rockabilly And Hillbilly Boogie uit 1982. Een jaar later stond Baby Doll op de Cascade LP 20 Great Rockabilly Hits Of The 50’s Volume 1 (merkwaardige titel, want geen enkele van de 20 tracks op die LP was een hit in de jaren ’50, laat staan Circle Rock van Matchbox!), en sindsdien stonden beide nummers nog op diverse Buffalo Bop en White Label LP’s en CD’s. Nu moet u daar van de jongere generatie zich ons voorstellen in die dagen: CD’s bestonden nog niet en internet moest nog worden uitgevonden. Met andere woorden: de enige artiesteninfo waar we over beschikten was wat op LP-hoezen stond, en op die Ace-LP stonden vijf lijntjes tekst over Jimmie Dale. Baby Doll was een schitterend rockabilly nummer, maar wie was Jimmie Dale? Niemand wist het, en niemand lag er wakker van. De single zelf was een zogenaamde Starday custom persing: het Starday label perste op eenvoudig verzoek 50 tot 1000 singles voor eender wie een plaatje wou uitbrengen. Je wandelde binnen met een opname op tape of acetaat, je betaalde, en je stapte buiten met je dozen singles met een label erop dat je zelf mocht verzinnen, zo eenvoudig was dat. Voor 115 $ kreeg je al naargelang de bron 300 of 500 singles mee en beloofde Starday 100 promo exemplaren op te sturen naar radiostations bij jou in de buurt. Of ze dat ook effectief deden: geen idee. Als je meer singles wou kon je ze per 300 bijbestellen à 20 dollarcent per stuk. Custom persingen waren gangbare business in de jaren ’50, ook labels als RCA, Columbia, Capitol en King werkten op die manier, maar Starday was waarschijnlijk de kampioen: tot begin jaren ’70 brachten ze minstens 700 custom singles uit. Maar terug naar 1958, het jaar waarin Dale zijn Starday single opnam, die verscheen op zijn eigen Saber label. De Britse verzamelaar John E. Burton lokaliseerde Dale en brengt nu die single voor het eerst officieel heruit, en da’s waarschijnlijk de mooiste en best verzorgde uitgave van 2011 geworden: een 4-track-EP op fluo roze (“shocking pink”) vinyl in een openklapbare singlehoes met een uitneembaar booklet van 12 pagina’s op singleformaat met daarin het hele Jimmie Dale verhaal, in samenwerking met de man zelf, compleet met foto’s. Het vinyl single equivalent van een Bear Family CD!
En met al dat moois zouden we nog vergeten de muziek zelf te vermelden. Het gaat dus om Baby Doll en Darlin’ plus beide kantjes van een tweede en voor zover wij weten tot op heden nooit heruitgebrachte Starday custom single van Jimmie Dale die verscheen op het piepkleine Farrall label. Baby Doll is zondermeer te bestempelen als klassieke melodieuze uptempo rockabilly met akoestische gitaar, leadgitaar, drums en contrabas, gezongen met een verrassend volle, rijpe stem voor een 17-jarige. Een slappende intro op contrabas en maar liefst drié gitaarsolo’s maken het plaatje helemáál af. Darlin’ is een gelijkaardige melodie maar dan gebracht als uptempo ballade met een piano in de hoofdrol. Man Made Moon en For A Day, ook uit 1958 maar opgenomen en uitgebracht vóór Baby Doll, halen helaas niet hetzelfde niveau wegens zeurderige medium tempo country met steel en piano. Man Made Moon krijgt evenwel extra punten omwille van het space age thema: satellieten (door de mens gemaakte manen) maken geen deel uit van God’s plan!
Het geluid van deze EP is heerlijk ouderwets, en u had al begrepen dat dit absoluut een hebbeding is voor de ware verzamelaar. Naar verluidt zijn er slechts 750 exemplaren geperst, en wij zagen ze op internet al te koop voor 10 £ en 16 $. Jimmie Dale, die pas en enkel eind jaren ’60 begin jaren ’70 nog eens een paar countryplaatjes zou opnemen, is nu 70 jaar en treedt opnieuw op. We hopen dat we ooit de kans zullen hebben hem in levende lijve Baby Doll te zien zingen. Info: geen idee, dus kopen als je dit tegenkomt! (Frantic Franky)

CD Recensies



naar boven

HEIRLOOM MUSIC/
THE WRONGLERS WITH JIMMIE DALE GILMORE
Neanderthal Records NR001

Okay, dit is geen rock ‘n’ roll, maar rootsy genoeg om aandacht aan te besteden: de nieuwste CD van Jimmie Dale Gilmore, de nu 66-jarige altcountry singer-songwriter die opgroeide in Lubbock (Buddy Holly’s hometown) en nu in Austin woont en werkt, en die voor alle duidelijkheid niet dezelfde Jimmie Dale is van de rockabilly EP die we in deze kolommen bespreken. De Jimmie Dale Gilmore van déze CD is actief sinds begin jaren ’70, werkte ooit nog met de in rock ‘n’ roll kringen niet onbekende Joe Ely, en staat bekend als een halve (zeg maar gerust: hele) hippie. Zijn klein rolletje (minder dan drie minuten) in de film The Big Lebowski (1998) als de pacifist die door John Goodman in de bowling met een pistool bedreigd wordt was hem dan ook op het magere lijf geschreven, hahaha. Voor deze CD dook Gilmore kopje onder in de bluegrass, en dat doet hij met de in 2006 opgerichte Wronglers, een groep bestaande uit drie dames en drie heren met een instrumentorium van contrabas, banjo, mandoline, akoestische gitaar en twee fiddles, aangevuld met Gilmore’s vaste gitarist Rob Gjersoe. Samen brengen ze pure bluegrass, dus de staccato snaarinstrumenten vliegen je om de oren, met meerstemmige zang en backings van vooral vrouwenstemmen. Het interessante aan de CD is dat er alleen covers van oud spul opstaan, en dan vooral van oud spul dat ook bestaat in rock ‘n’ roll/ rockabilly versies, zoals Deep Ellum Blues (Jerry Lee Lewis), I Wonder Where You Are Tonight (Charlie Feathers), In The Pines (Gene Vincent, Charlie Feathers), Foggy Mountain Top (Hasil Adkins, onze eigen Ranch Girls) en Big Rock Candy Mountain (Beat Farmers). De melodie van I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes van The Carter Family is dan weer exact dezelfde als die van Wild Side Of Life (It Wasn’t God Who Made Honky Tonk Angels), net zoals Footprints In The Snow (Bill Monroe?) deels overlapt met de melodielijn van Wabash Cannonball. Leavin’ Home (van Charlie Poole uit 1926) kent u ongetwijfeld als Frankie And Johnny, door zowat iederéén gedaan. Brown’s Ferry Blues is van The Delmore Brothers, hillbilly voorlopers van de rockabilly. Sommige nummers kent u trouwens misschien van The Hillbilly Boogiemen. Wat hier nu zo interessant aan is, is het vergelijken van tekst en melodie van de ons bekende versies met de bluegrass versies hier die naar ik veronderstel gebaseerd zijn op oudere pré-rock ‘n’ roll opnames. Minder interessant is de uitvoering zelf: op het talent en de arrangementen ding ik niets af en de CD stoort niet als ie op de achtergrond opstaat, maar ik vind ‘em te gepolijst, te netjes, te politiek correct zou ik bijna zeggen. Ik mis de slap van de contrabas en de vuile opwinding die onze eigen Hillbilly Boogiemen wél in deze stokoude muziekvorm weten te leggen. En tegen Gilmore’s hoge nasale stem die klinkt alsof ie z’n kunstgebit vergat in te doen moet je natuurlijk immuun zijn. Info: www.jimmiegilmore.com (Frantic Franky)


CARLOS MEJUTO/ CARLOS MEJUTO
Wild Records, geen cat. nr.

Solo album van de zanger van Carlos & the Bandidos (GB) begeleid door Wild muzikanten Omar Romero (gitaar), Jeff Gerow (drums), Iggy Garcia (contrabas) en Victor Mendez (piano), als ik het goed heb begrepen snel ingeblikt toen Carlos geblokkeerd zat in de States door die vulkaanuitbarsting. Vandaar allicht dat het een coveralbum is geworden met klassiekers en semi-klassiekers als Would Ya (Glen Glenn), Midnight Train (Johnny Burnette), Stranger Than Fiction (Bob Luman), Romeo’s Teacher (Lanny Duncan), Don’t Hang Around Me Anymore (Jimmy Ford), I Ain’t Gonna Take It (Sleepy Labeef), Whatcha Gonna Do (Hayden Thompson) en Bertha Lou (iedereen). De stijl ligt helemaal in de melodieuze rockabilly lijn van Carlos & the Bandidos, en zelfs een nummer als Little Diane van Dion (met piano) past daarin. Iets verrassender zijn de ballade Anything That’s Part Of You van Elvis (enkel begeleid door piano en bas), het ‘60s Elvis nummer Night Life en de wat Caribisch aandoende en met trompet gelardeerde opener Sea Of Tears. Dat laatste ken ik niet, net als Don’t Jump (in elk geval niet de Don’t Jump van Jody Reynolds), maar of het covers dan wel originals zijn moet ik u schuldig blijven: Wild Records zet nooit geen namen van auteurs op hun releases. Waarschijnlijk omdat ze toch geen auteursrechten betalen, hahaha. Het geheel is niet onverdienstelijk maar ook weer niks bijzonders, want in vergelijking met de gebruikelijke Wild releases erg rustig en in vergelijking met Carlos & the Bandidos wat onaf. Maar als u zo’n grote fan bent dat een album dat klinkt als Bandidos demo’s u voldoening kan schenken, wie zijn wij dan om u uw pleziertje te ontzeggen? Info: www.wildrecordsusa.com
(Frantic Franky)


SWINGING BABY DOLL
Chickens Records CR 270811

Chickens Records is het label van Hot Chickens en Jake Calypso frontman Hervé Loison (F), en dit is zijn eerste ‘50s compilatie, geheel in de stijl van alle andere verzamel-CD’s met obscuur ‘50s materiaal. Al dient zoals zo vaak bij dit soort CD’s de ondertitel “rare rockabilly” ruim geïnterpreteerd: nummers als Speed Limit (Tommy Lam), Big Door (Gene Brown, mogelijk met Eddie Cochran op gitaar), Lonesome Baby Blues (David Ray) en Lobo Jones (Jackie Gothroe) zijn best al wel vaak gecompileerd. Misschien MOET je wel enkele enigszins bekende nummers op compilaties zetten om ze aan de man te kunnen brengen, want wat koop jij? Een CD met een paar nummers die je zoekt, of een CD waarvan je geen enkel nummer kent? ’t Is ook niet enkel rockabilly wat de klok slaat, want het hele gamma aan schakeringen tussen hillbillyboogie (Real Gone Jive van The Nettles Sisters, Lie To Me Baby van Johnny Tyler) en rockabilly passeert de revue, net als zwarte rock ‘n’ roll (Big Rock Inn van Dolly Cooper, Run To Me Baby van The Downbeats hier foutief geïdentificeerd als The Downbeat in het enkelvoud), ‘60s rock ‘n’ roll (The Big Race van The Duals – volgens het labelshot van Ron Barrett - met fuzzgitaar, Long Haired Johnny van Johnny Fallin), instrumentals (Taylor’s Rock van Bob Taylor & the Counts, volgens het labelshot evenwel de andere kant getiteld Thunder) en indianen rock ‘n’ roll (het Kawliga-achtige Cochise van Buck Griffin). De samenstellers lijken een voorliefde te hebben voor enerzijds songs over auto’s en motoren (een kwart tot een derde van de 24 tracks) en anderzijds muziek die in primitieve omstandigheden opgenomen lijkt, want Wild Wild Lover van Benny Joy (ze geven zelfs toe van welke LP ze deze in de 50’s onuitgebrachte versie hebben gejat: “a track issued only in 1980 on White Label WLP 8825”), Hot Rod van The Stripes, de chaos van Rockin’ Out The Blues van de niet bepaald muzikale Musical Linn Twins (zo overdreven dat het volgens mij in 1958 als parodie bedoeld was) en I Got A Woman van Buddy Miller (correcte titel: I Got Me A Woman) zijn niet echt wat je noemt voorbeelden van een hi fidelity luisterervaring. De trackinfo is minimaal, en één van de op postzegelformaat afgedrukte labelshots is gekopieerd van internet. Oordeel: onderhoudende CD voor liefhebbers met een brede smaak. Info: probeer via Jake Calypso op www.myspace.com/musicloversprod of bestel rechtstreeks bij Hervé op het mailadres jakecalypso@gmail.com. (Frantic Franky)

naar boven

LP Recensie



25 augustus 2011

KALEYDOSKOP/ LOS VENTURAS
Green Cookie Records GC025

Goeie ouwe LP’s, ze worden nog steeds uitgebracht, en deze werd uitgebracht door een Belgisch kwartet dat zijn plaatsje aan het Europese surffront al meer dan 10 jaar verdedigt. Dit is hun derde full album, na enige windstilte, want hun vorige release, de 4-track CD-single Besame Mucho, dateert ook al weer van 2007. Sindsdien zijn we Los Venturas niet echt veel meer tegen het lijf gelopen, en eigenlijk weten we niet waarom. Een tijdje op non-actief gestaan? Of bewegen ze zich buiten de geijkte surfpaden? Mogelijk dat laatste, naar deze plak vinyl te oordelen, opgenomen in Los Angeles thuis bij Pete Curry, bekend van onder meer Jon & the Nightriders, The Halibuts en Los Straitjackets. Kaleydoskop is momenteel enkel uit op vinyl, maar je krijgt er wel een kaartje bij waarop je het album + 3 bonustracks gratis kan downloaden bij CD Baby. Handig, want LP’s spelen zo moeilijk af in de auto. Albumtitel Kaleydoskop verwijst “naar de veelheid aan invloeden en klanken die je in de nummers terug kan vinden”, en daar duiden ook de tracktitels op: Transsibirskaya Magistral heeft toch een andere connotatie dan pakweg Surfer Stomp. Opener Venturas’ Groove typeert de LP: een, euh, groovy improvisatie op een melodie van esoterische gitaarklanken met lichte wah wah. Ook het tweede nummer, een van de slechts drie covers hier, volgt die lijn: Dizzy van Tommy Roe, oftewel bubblegum psychedelica uit 1969 toen de rockende Sheila van 1962 met bloemen in het haar love en peace predikte. Een aantal tracks bevatten nog steeds surfmelodietjes, maar evengoed huppeldepup ska, bongo-achtige drums, funky basgitaar en veel percussie en gitaareffecten. Op een nummer of drie doet een sax mee. Ganja Party is uiteraard heel laid back, 04:52 Uhr Reeperbahn St-Pauli bevat dialoog en kreun-samples uit wat me een oude Duitse pornofilm lijkt, Revenge Of The Tiki’s Part II is hun eigen Taboo. Filmisch zou ik de Venturas sound niet noemen, maar de twee andere covers komen wel degelijk uit films: Lawrence Of Arabia is het Maurice Jarre thema uit de gelijknamige spektakelfilm uit 1962, Bubamara (uit de Joegoslavische komedie Black Cat White Cat uit 1998) combineert ska met Oost-Europese invloeden maar is toch leuk door het hoge kasatchok gehalte. Of het eigen nummer Zot Van A iets te maken heeft met de gelijknamige Vlaamse film van vorig jaar is me onbekend.
Je moet er een beetje voor in de mood zijn, maar voor wie surf meer mag zijn dan enkel Misirlou is dit best een aangename plaat die de grenzen van het surfgenre opentrekt richting psychedelische improvisatie. Zie in dat verband ook de lengte van de nummers: 52 minuten is best lang voor 14 tracks. Venturas’ Groove had een even goeie CD-titel geweest als Kaleydoskop, want sfeer triomfeert over speed, melodie over misplaatst machismo. Referenties: The Ventures In The Vaults, The Halibuts, en Austin Powers. It’s shagadelic, baby! Distributie via Clear Spot, info: www.losventuras.be en www.greencookie.gr (Frantic Franky)

CD Recensies



naar boven

ROCKET FROM THE MILL/
CHARLIE ROY & THE BLACK MOUNTAINS BOYS
MB Records 1151

Eindelijk: het lang verwachte en lang aangekondigde debuut van Charlie Roy, four years in the making, zo zou een major label jubelen. Niet dus: dit werd opgenomen op één weekend in 2008 en sindsdien hebben ze het proberen te slijten. Helaas, de Franse firma die het zou uitbrengen ging bankroet, dus besloot de band het ten langen leste in eigen beheer te releasen. Groot gelijk, het zou jammer zijn moest dit album op de plank blijven liggen. Charlie Roy & the Black Mountains Boys (B) zijn de helft van The Be-Bop’s, zijnde drummer Roland Vandy en gitarist Mario Mattucci (bij Charlie Roy ook leadzanger), aangevuld met Jack Fire die zijn sporen als contrabassist al een kwart eeuw verdient en jazzpianist André Lecomte. Waar The Be-Bop’s excelleren in authentieke rockabilly met vocal harmony, exploreert Charlie Roy de roots van die rockabilly: ze spelen voornamelijk zalig schuifelende hillbilly boogie met leuke arrangementen, getik op koeienbellen, Jack Fire die de strijkstok bovenhaalt en veel solo’s op lap steel, deels bespeeld door Mattucci zelf, deels op deze CD ingevuld door Jorge Fortunato van 49 Special (P) en Moonshine Reunion (B). De solo’s wisselen dus af tussen gitaar, lap steel en piano, en vooral die swingende piano is de troef hier: wat Lecomte doet is de muziek verheffen naar het niveau van Merrill E. Moore en Moon Mullican. Luister bijvoorbeeld hoe de piano een oosters effect creëert in hun medium tempo Rocky Road Blues. Naast hillbilly trekt de CD de lijn door naar wat er met die hillbilly gebeurde, en zo staan hier ook een aantal nummers op die richting rockabilly gaan, meer bepaald label rockabilly in de stijl van pakweg Decca en Capitol. Mattucci zal het mij niet kwalijk nemen als ik hier poneer dat hij niet de beste stem ter wereld heeft (anders was hij bij The Be-Bop’s wel zanger in plaats van gitarist, al weet ik dat ie een gemene Carl Perkins uit zijn strot kan trekken), maar die beetje off key nasale stem klinkt wél ouderwets en past daardoor uitstekend bij de muziek die Charlie Roy speelt. Dertien tracks, enkel covers, met als bekendste nummers Hey Good Lookin’, Sweet Sweet Girl en Snatch It And Grab It. De minder bekende songs dient u te zoeken in de regionen van Tennessee Ernie Ford (Country Junction), Tommy Duncan (It May Take A Long Long Time), Jimmy Lloyd (I Got A Rocket In My Pocket) en Roy Hall (Off Beat Boogie).
Prima debuut van een groep die weer net iets anders doet dan de overige Belgische bands. Zoals gezegd is dit een release in eigen beheer, dus als je’ m moeilijk kan scoren probeer dan via charlieroy@swing.be of www.myspace.com/charlieroy (Frantic Franky)


SHE’S MY MISS/ THE CAEZARS
Ambassador Records CZR001

Wat schreef ik eerder over Wild CD’s, met name over Shakedown van The Caezars? Dat de sfeer belangrijker is dan de geluidskwaliteit, met als resultaat een rammelende mix waarin de zang af en toe op het randje is en de gitaar tijdens de solo’s soms inzakt wegens niet luid genoeg. Gelukkig is er nu een release waarop we de Londense sensatie wèl fatsoenlijk kunnen beoordelen, en da’s een 3-track CD-single opgenomen onder leiding van Darrel Higham, iemand die weet hoe een CD moet klinken. Het resultaat is een prima klank, zodat je niet meer door de geluidsbrei moet waden om de songs te kunnen waarderen. Handig, want zo hoor je tenminste onmiddellijk dat dit drie goeie songs zijn, maar wel in een andere stijl dan op Shakedown, in mijn review omschreven als een mix van de structuren en opbouw van Roy Orbison op Sun en de agressieve gitaarsound van de Britse jaren ’90 band The Rough Diamonds, de band van Paul Owen, de vader van Caezars gitarist Danny Dawkins. Nee, verrassend genoeg hoor ik hier early 60’s Britse rock ‘n’ roll in, Billy Fury, Johnny Kidd, dat soort gitaar moves. Titeltrack She’s My Miss is een dreigende stroller met Susie Q cymbaalgerinkel gepend door zanger AJ Denning, Heartache Overload (een cover van een nummer Paul Owen’s 4-track vinyl solo-EP Stop! That Bloody Racket Volume 1 uit 2002 of daaromtrent) is een uptempo jiver met dubbele gitaarsolo en stop-starts waarin enkel de gitaar verder speelt, She Said (niet het Hasil Adkins nummer) is een medium tempo rocker. In de drie songs zitten early ‘60s overgangen, en wat mij betreft zijn ze alle drie geslaagd! In juli hadden ze op Sjock een hele doos bij, maar dit soort dingetjes gaat altijd snel de deur uit, dus kopen als je’m tegenkomt is hier de boodschap.
Ambassador Records is het label van Darrel Higham. Op www.myspace.com/thecaezars kan je de drie nummers beluisteren. (Frantic Franky)


BOOGIE THE CHURCH DOWN/
THE JUKE JOINT PIMPS & THE GOSPEL PIMPS
Voodoo Rhythm VRCD66

Vervolg op Boogie The House Down Juke Joint Style uit 2008 van het Keulense bluesduo dat met twee man tegelijk gitaar, drums en mondharmonica bespeelt. De eerste drie songs klinken verrassend genoeg een pak gestroomlijnder dan Boogie The House Down: meer soulvolle swamp, meer mainstream, minder trashy. In de zang hoor ik verre echo’s van CCR. Meer blues, minder bluesbop kortom. Wat verder gaan I Feel Guilty en King Roland’s Prayer zelfs richting funky technoblues! Gelukkig worden die modernere nummers gecompenseerd door tracks die meer aanleunen bij Boogie The House Down: titelnummer Boogie The Church Down bijvoorbeeld, de toepasselijk getitelde overstuurde bluesrocker Old School Boogie, of de ouderwetse bluesbopper Boogie 65, een doorslagje van Feelin’ Good (We’re Gonna Boogie), zoals ook Keep Your Arms Around Me (van Joe Hill Louis) verdacht veel lijkt op You’re Gonna Miss Me van Muddy Waters. Covers of plagiaat? Ach, ’t zijn allemaal bluesclichés natuurlijk. De CD-titel verwijst naar enkele songs gebaseerd op gospel: Juke Joint In The Sky is een rockende evangelische meezinger, in Blues Power gaan ze tekeer als een inktzwarte predikant voor zijn extatische congregatie. En zo werd het toch nog gezellig! Op twee nummers doet een contrabassist mee, in het kerkkoor zitten de Belgische bluesmensen Marc Tee en Big Dave, en de co-productie van dit album was in handen van Ray Collins, al heeft deze muziek totaal niets te maken met de swing van Ray Collins’ Hot Club.
Distributie via Clear Spot, en naar goede Voodoo Rhythm gewoonte ook uit op vinyl (VR1266). Info: www.voodoorhythm.com en www.myspace.com/jukejointpimps
Hun www.juke-joint-pimps.com lijkt ons daarentegen niet meer ge-updated sinds Boogie The House Down. (Frantic Franky)


8 CLASSIC ALBUMS/ JOHNNY CASH
Real Gone RGCCD001

De voordelen van de ‘na-50-jaar-vervalt-het-copyright’ regel: de eerste acht Johnny Cash albums + bonustracks op 4 CD’s voor 6,99 € bij Saturn. Ik heb al een massa Cash steken, zowel op vinyl (toen ik platen begon te kopen was Cash ook al alomtegenwoordig) als op CD, en ik had me nog zo voorgenomen geen Cash meer bij te kopen, maar voor deze prijs kon ik het wederom niet laten liggen, ook al heb ik al een heel deel van dit materiaal. Mijn excuus is dat er nu weer een stapeltje overbodig geworden budget CD’s de deur uitkunnen. Om plaats te maken voor nieuwe! In concreto krijg je hier Cash’s eerste drie Sun LP’s en zijn eerste vijf Columbia LP’s, uiteraard allemaal pré 1961, samen goed voor 118 songs oftewel vier en een half uur klassieke Cash uit de tijd toen Luther Perkins de boogie woogie speelde in the strangest kind of way. En eigenlijk krijgt u zijn eerste vier Sun LP’s en dus in totaal negen LP’s, want de complete tracklisting van Johnny Cash Sings Hank Williams And Other Favorite Tunes uit 1960 staat hier in verspreide slagorde ook tussen. Plus de Johnny Yuma The Rebel EP en een hoop Sun en Columbia singles die niet op LP verschenen. Die Sun LP’s alleen al wijzen er op hoe populair Cash was, net als het feit dat de allereerste LP die Sun ooit uitbracht Cash’s debuutelpee was. Cash was hot in die dagen: zijn tweede single Folsom Prison Blues haalde de country Top 5, zijn derde single I Walk The Line was nummer één in de country charts én Top 20 pop. Ook nummer één: There You Go, Ballad Of A Teenage Queen, Guess Things Happen That Way en Get Rhythm. Kortom: Cash werd te klein voor Sun, en op 2 augustus 1958 stapte hij over naar Columbia Records waar hij de succesreeks verder zette met de nummer één Don’t Take Your Guns To Town. Bij Sun waren ze evenwel zo slim geweest voldoende materiaal in te blikken dat in tegenstelling tot bij Elvis niet inbegrepen was in de verkoop, en dus kon Sun maximaal profiteren van Cash’s succes op Columbia door zelf ook “nieuwe” singles en LP’s te blijven uitbrengen, en dat zouden tot 1965 in totaal maar liefst zeven LP’s worden.
Enkele vaststellingen: Cash’s spaarzame sound (één akoestische gitaar, één elektrische gitaar en één contrabas) uit zijn begindagen maakte al snel plaats voor een softere sound met eerst piano (die op de Sun opnames echt Sun klinkt) en achtergrondkoortjes (op het easy listening potsierlijke af), daarna ook met fiddle, steel gitaar en drums. Columbia rukte de grote middelen uit, en daarvoor mochten onder meer The Jordanaires, Don Helms, Gordon Terry en Buddy Harman opdraven. Heel mooi ook hoe ze bij Columbia de Cash sound verder definieerden door een tweede gitaar toe te voegen die eigenlijk net hetzelfde doet als de leadgitaar. Alle karakteristieke Cash thema’s zijn hier al aanwezig: treinen, indianen, het harde boeren- en werkmansbestaan (Cash torste toen al al het leed van de wereld op zijn schouders), gunfighter ballads, grappige liedjes, en ook de Here. Cash’s tweede Columbia LP was in 1959 gelijk een gospel album, wat mag geen verwondering mag wekken, want toen Cash bij Sun auditioneerde deed hij dat met religieuze songs. Op zijn eerste Sun LP vinden we al het gospelnummer I Was There When It Happened, terwijl van diezelfde plaat ook If the Good Lord’s Willing getuigt van enige godsdienstige inslag. Aan het andere eind van het Cash spectrum vinden we Transfusion Blues, Cash’s gekuiste eerste versie van zijn latere cultnummer Cocaine Blues, vóór Cash reeds als Cocaine Blues opgenomen door Red Arnall & Slumber Nichol's Western Aces, Billy Hughes, Roy Hogsed en Hank Thompson.
Een boekje met de hoesjes ware mooi geweest, maar voor zo’n lage prijs mag je niet alles verwachten. Gelukkig is de geluidskwaliteit behoorlijk, al klinken sommige songs luider dan andere en hebben enkele nummers zoals I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You) een wenkbrauwfronsende balans. Een drietal nummers heeft een gesproken of op gitaar gespeeld studio intro dat ik me zo uit het hoofd niet herinner van op andere releases, dus die moet ik even nakijken. Het geheel is – typerend – verpakt in een hoesje met een foto van de jonge Cash geheel in de stijl van de nu immens populaire latere duistere Cash. Wat kan ik hier verder nog over zeggen, behalve dat Cry Cry Cry, Rock Island Line, Country Boy, Hey Porter, Get Rhythm, Give My Love To Rose, I Still Miss Someone, Five Feet High And Rising, I Got Stripes, When Papa Played The Dobro en Mean Eyed Cat hier allemaal op staan, samen met nobele onbekenden, uiteraard ook een aantal middelmatigere nummers, en zelfs twee instrumentals uitgebracht als The Tennessee Two & Friend die klinken als Duane Eddy light. Ik ben hier nog wel enkele dagen zoet mee, want uiteindelijk kan een mens nooit genoeg Johnny Cash in huis hebben. Op www.musicmelon.co.uk zie ik dat Real Gone ook gelijkaardige 4 CD-doosjes van Gene Vincent, Little Richard en Sam Cooke aanbiedt. (Frantic Franky)


NASHVILLE ROCKABILLY 1957-1987
SPV 309012 CD

Zomaar een willekeurige CD, met een al even willekeurige tracklisting waarin we strikt genomen geen echte rockabilly tegenkomen, met als enige rode draad dat alle 22 nummers in en om Nashville werden opgenomen.
Opener Bring My Cadillac Back van Baker Knight is een minor classic, maar dan wat betreft aardse rock ‘n’ roll met sax en tinkelende piano. De B-kant blijkt een platte standaard trage. Ook They Wanna Fight van Chuck Harrod & the Anteaters is terecht een minor classic, meer bepaald in het juvenile delinquent subgenre, maar opnieuw rock ‘n’ roll met sax en piano. Ook hier is de B-kant een ballad, maar door de doo-woppende backing vocals is Harrod’s Sandy toch net iets beter dan Knight’s I Cried. Een aangename verrassing (voor mij althans) is Harrod’s Crawdad Song, een doodgecoverd nummer dat hier door het strakke tempo en de vinnige backing vocals bijna white rock wordt. Broke Waitin’ For A Break, Whitey Pullen’s debuutsingle uit eind 1956 (twee jaar voor zijn Sunglasses After Dark als Dwight Pullen), is evenmin rockabilly, wel uptempo hillbilly met elektrische gitaar en zelfs een fiddle en een steelsolo. De twee nummers van Tommy Jay zijn medium tempo met backing vocals en honky tonk piano en van onbestemde datum, het soort werk dat je vooral aantreft op CD’s van Collector (en dat effectief al eerder op Collector uitgebracht blijkt op de CD More Slow Boogie Rockin’ uit 2000), net als het door de barre geluidsbalans chaotisch klinkende It’d Surprise You van ene Jan Smith, een nummer waarvan ik zeker weet dat ik het al in andere uitvoeringen heb gehoord. Yep, op de nieuwe Annita CD! En dat op diezelfde More Slow Boogie Rockin’ staat. Then You’ll Know van Big C & the Galaxies is een kruising tussen early ‘60s party rock ‘n’ roll en vocale surf, B-kant Raid On Cedar Street is dan weer het soort medium tempo dat heel wat beter had geklonken door The Coasters. Moon Mullican brengt aan de piano een eind jaren ’60 heropname van zijn eigen Pipeliner Blues die evenwel even ouderwets klinkt als de pakweg vijf eerdere versies die hij er sinds 1940 van opnam. Hoor ik daar een accordeon meespelen?
Vanaf track 13 zitten we volop in de jaren ’70, dus wordt het al elektrische bas wat de klok slaat. That’s All Right Mama klinkt eerlijk waar niet slecht in de rhythm ‘n’ bluesrock gitaargroove van ene Jerry Foster. De backing vocals zijn standaard, maar we geven toe dat deze cover, euh, origineel klinkt. Meer ‘70s rock ‘n’ roll (bands met uitgebreide bezettingen en uitgebreide drumstellen, veel uitfreakende gitaren) volgt met Johnny B Goode door de Nashville Country Jamboree, een fictieve groepsnaam voor door studiomuzikanten ingespeelde budgetplaten (toen 8-track cassettes) en vier (onuitgebrachte?) nummers uit 1984 van Jimmy Ellis, de man die onder het pseudoniem Orion furore maakte als Elvis sound-a-like: Old Pipeliner is opnieuw Moon Mullican’s Pipeliner Blues, Restless is een early ‘60s Carl Perkins cover, Back On The Street en You’re Never Too Old To Rock ‘n’ Roll zijn standaard revival songs maar opnieuw geen rockabilly, ondanks groepsnaam The Rockabilly All Stars (met DJ Fontana op drums, Lonnie Mack op gitaar en Joe B. Mauldin van Buddy Holly’s Crickets op akoestische bas). Geen neo, geen teddyboy, maar revival rock ‘n’ roll dus. De twee Billy C & the Sunshine tracks blijken onuitgebrachte opnames van ex-Commander Cody (en latere blues- en countryzanger) Billy C. Farlow: Dixie Fried is acceptabel, Get Rhythm klinkt erg modern en lijkt opvallend veel op de Ry Cooder cover uit 1987. Tear It Up door Andy Arrow & the Twangtown Mavericks is geen twang maar toch best okee, en de CD sluit af met een nummer van de man die de CD ook samenstelde, Fred James (tevens de producer van een aantal van de recentste tracks op deze CD), met zijn band Freddie & the Screamers. Helaas is hun Big Black Cadillac evenmin rockabilly maar een soort rockende bluesrocker die nog gecoverd zou worden door Sonny Burgess.
Deze CD is een officiële release van Bluesland Productions, een onafhankelijk muziekbedrijfje uit Nashville van diezelfde Fred James, gespecialiseerd in blues, soul en roots, dat onder meer de backcatalogus van een aantal oude lokale platenlabels uit Nashville bezit. Veel spectaculairs valt hier evenwel niet te ontdekken (alle ‘50s opnames zijn al eerder heruitgebracht), tenzij misschien voor diehard fans van Orion en Billy C. Farlow. In het booklet met summiere info ontbreken helaas de release data. Info: www.blueslandproductions.com, distributie via www.spv.de (Frantic Franky)


RARE 1960’s COUNTRY ROCK FROM NASHVILLE
SPV 309002 CD

Meer van hetzelfde, en opnieuw een verzamel-CD die niet is wat ik verwacht had, want we krijgen veel country en weinig rock, met alle verplichte ingrediënten van het genre: tearjerkers, opgewekt medium tempo materiaal, gesproken middenstukken, achtergrondkoortjes, de occasionele twangy gitaar, vreemde instrumenten (een draaiorgel, een steel gitaar door een fuzzbox), en onderwerpen geplukt uit het dagelijkse leven: overspel, driehoeksverhoudingen, schaamte, schuld, onvrijwillige doodslag om de eer van je lief te redden, arme ukkies wier moeder is weggelopen. Ook enkel en alleen te vinden in country: refreinen die net het tegenovergestelde zijn van de titel, zoals The Heartaches That You Gave (sure were good ones), (to put up with her) You’ve Got To Love Her A Lot en (my back yard gate is) The Swingingest Thing In Town. De opnames komen van het onafhankelijke Nashville label Spar en van Spar’s budget coverlabels die de country hits van de dag kopieerden en aan de man brachten in kruidenierszaken. Wat niet betekent dat Spar de zaken niet professioneel aanpakte: Bill Justis van Sun Records behartigde hun publishing afdeling en was tegelijkertijd producer, arrangeur en sessiemuzikant. Daarnaast speelden de grootste namen uit Nashville, euh, naamloos mee op de Star plaatjes, want tussen de credits vinden we ondermeer Hargus “Pig” Robbins en Floyd Cramer (keyboard), Buddy Harman (drums), Hank Garland en Grady Martin (gitaar), Bob Moore (bas), Charlie McCoy (mondharmonica én bas én gitaar én trompet én keyboard), en The Jordanaires en Marijon Wilkin (backings), grotere namen dan de Spar artiesten zelf. De bekendste naam hier is dan ook ene John Reeves, de helaas veel minder getalenteerde neef van Jim Reeves. Nee, dan klinken de budget covers bekender in de oren: I Don’t Care Just As Long As You Love Me en Love’s Gonna Live here (de hits waren voor Buck Owens), She Even Woke Me Up To Say Goodbye (Jerry Lee Lewis in 1969), Promised Land (van Chuck Berry, de versie hier lijkt verdacht veel op die van countryzanger Freddy Weller uit 1972), en Me And Bobby McGee (iedereen). De in totaal 22 tracks vormen een gezellig uurtje old fashioned country, maar jammer genoeg ook niet meer dan dat, want echte ontdekkingen ontbreken. Net als jaartallen, opnamedetails en fatsoenlijke info. Distributie: www.spv.de (Frantic Franky)

Demo Recensie



naar boven

IT’s BEGGIN’ TIME AGAIN/
BUZZ BARTON’S BROTHERS

Nieuwe bands: laat ze maar komen, en deze komen uit Noord-Holland in de klassieke viermansbezetting van zang (Ronald Kloosterman), gitaar (Jan Kramer, ook bij Mellow Jo & the Hi-Tones), contrabas (Marco Klaver, ex-Mellow Jo & the Hi-Tones, Catyanks, Ace & the Kings) en drums (kuivenkapper Ritchie Mensingh, voor een kuifje vet en fijn moet u bij www.myspace.com/piekfijnhairdesign zijn). Op deze demo presenteren ze zich middels zes covers + één eigen nummer van de hand van gitarist Jan Kramer. De covers zijn de betere rockabilly favorieten, niet de grootste klassiekers, wel een goeie selectie van songs die al jaren populair zijn in de scene. En al spelen ze dan '50s nummers, BBB brengen die zoals de meeste bands anno 2011, wat harder dan de originele versies. Did You Tell Me (Narvel Felts), Do Me No Wrong (Pat Cupp) en Not For Love Or Money (Gary Hodge) klinken dan ook een pak meer neo dan '50s, maar daar is niks mis mee. Ook Wildcat Tamer (Tarheel Slim), ontdaan van zijn zwarte achtergrond, wordt pure rockabilly, hedendaagse rockabilly, net als de rest van de songs, en dat vooral door de sound van de gitaar. Beggin’ Time (Russell Spears) staat op zo weinig verzamelaars dat BBB de inspiratie misschien haalde bij de Red Hot ‘n’ Blue versie op Havin’ A Ball uit 1994. Zang en instrumentatie zijn adequaat op deze demo, maar ook niet meer dan dat, waarbij de stem wat meer naar de voorgrond had gemogen. Maar misschien ook weer niet té veel, want dan gaan de onvolkomenheden te veel beginnen opvallen, en de stem lijkt ons de minst sterke schakel bij de BBB. En aangezien een ketting slechts zo sterk is als zijn zwakste schakel... Uiteraard mogen we hierbij niet uit het oog verliezen dat dit “slechts” een demo is: stop deze band in een studio met een echte producer en ik ben er zeker van dat het resultaat beter zal klinken, en dan vooral beter in de zin van “meer samen”. Kunnen ze gelijk wat meer ideeën uitwerken, want hun trage bluesroots interpretatie van Rockabilly Gal (Hayden Thompson) wijst er op dat ze heus meer in hun mars hebben dan enkel rockabilly. Eigen nummers bijvoorbeeld, zoals afsluiter Alien Lover, een leuk stukje neo. Laten we nou eens een keertje niet te kritisch wezen, want ’t is best makkelijk om vanuit je luie zetel te zeggen “dat kan beter”. Natuurlijk kan alles beter, maar doe het dan zelf, en da’s exact wat BBB doen, zonder de pretentie te hebben gelijk even goed te willen wezen als bands die al 15 jaar of meer aan de weg timmeren. En wie al 15 jaar of meer rock ‘n’ roll beluistert is op zijn beurt weer rotverwend door de hoeveelheid uitstekende releases die hij of zij al in de kast heeft staan. Wij zijn nog opgegroeid in de tijd dat álle bands klonken als Buzz Barton’s Brothers, en we waren maar wat blij als ze eens een plaatje uitbrachten. Met andere woorden: steun je lokale bands en ga BBB bekijken als ze in de buurt spelen. Of oordeel zelf : voor 5 Euro branden ze een copietje en sturen ze dat naar je toe. info op www.buzzbartonsbrothers.nl en www.myspace.com/buzzbartonsbrothers (Frantic Franky)

Boekenrecensies

ACE RECORDS CATALOGUE 2011
Ace Records, ACECAT2011

Een CD-catalogus in onze boekenrubriek? Ja, want ik lees die dingen dus ook echt. Zeker als ze zo mooi verzorgd zijn als deze Ace kataloog. Bear Family mag dan wel wereldwijd beschouwd worden als dé referentie inzake re-issues, het Britse label Ace Records moet niet voor de Duitse beren onderdoen. Ace brengt minder boxsets uit, maar daarmee is alles gezegd, wat hun uitgaves zijn even verzorgd (zowel muzikaal als visueel), even diepgravend, én ze betalen ook netjes auteursrechten, uit respect zelfs op muziek waarop geen auteursrechten meer verschuldigd zijn. En hun catalogus is even uitgebreid, zij het minder gespecialiseerd in oude hillbilly. Tegenwoordig lijken ze vooral soul, funk en blues uit te brengen, maar dan nog is hun rock ‘n’ roll en rockabilly aanbod gigantisch. Bovendien hebben ze na 35 jaar de nodige know how: Link Wray Early Recordings, een van de eerste Ace (toen nog) LP’s, verscheen in 1978. Wat volgde staat hier op 258 pagina’s, met op elke pagina 8 tot 10 CD’s met full colour hoesje, een korte beschrijving en de tracklisting. Wiedt uit die pakweg 1900 CD’s alle blues, soul, funk, jazz, garagerock en wereldmuziek en je houdt nog meer rockende CD’s over dan een mens ooit in zijn leven kan kopen. De catalogus is opgesplitst in twee delen: individuele artiesten en compilaties, beide alfabetisch gerangschikt zonder onderscheid van genres. Een losse greep uit de individuele artiesten levert zowel grote namen op (willekeurig: Ricky Nelson, Brenda Lee, Little Richard, Dion, Charlie Feathers, Mac Curtis, Johnny Otis), de mindere goden (The Delmore Brothers, Johnnie Allan, The Piltdown Men, The Jive Five, Grandpa Jones, Oscar McLolly, Rose Maddox), nobele onbekenden (The Scamps, Mando & the Chili Peppers, Brother Claude Ely) als een kleine selectie hedendaagse artiesten (James Hunter, Whirlwind, Robert Gordon, Cramps, Johnny & the Roccos, Big Town Playboys, Rapiers, Rocky Sharpe & the Replays) op. De compilaties bevatten naast rockabilly (Goldband Records, Jin, Ram, Cuca) ook veel doo-wop (Dootone, Old Town), rhythm ‘n’ blues (King, Excello, Dig), zwarte rock ‘n’ roll (Specialty) en surf (Downey). En zo gaat dat dus eindeloos door. Op zoek naar Clint Eastwood’s LP Cowboy Favorites uit 1962? Ace heeft ‘em op CD, mét bonustracks. Eén nadeel: niet bij alle heruitgaves staat het jaartal van de oorspronkelijke LP releases vermeld.
Gebruik deze catalogus om te kijken wat je al hebt, en vooral om te kijken wat je nog allemaal wil kopen. Je kan het volledige Ace aanbod bekijken op hun website, waar je ook deze hele catalogus kan downloaden. Om het fysieke boekwerk naar Europa op te sturen betaal je 3,50 € via creditcart. Info: www.acerecords.co.uk (Frantic Franky)

naar boven



14 juli 2011

 


van Tommy Edwards’ bekendste foto...


...tot een wat minder bekende...


...of zelfs totaal onbekende foto...
(in dit geval: Arlene Fontana)

1950's RADIO IN COLOR: THE LOST PHOTOGRAPHS OF DEEJAY TOMMY EDWARDS/ CHRISTOPHER KENNEDY
ISBN: 978-1-60635-072-0, Kent State University Press (USA) (Engelstalig), 240 pagina’s (kleur)

Of wij graag een review exemplaar hadden van dit boek? Nadat we de promo pdf-file hadden bekeken was onze keuze snel gemaakt: graag, want dat zag er razend interessant uit. Nauwelijks een week later stak het vanuit het verre Amerika in de bus, en hoewel het een not-for-resale advance reading copy proefdruk betreft op goedkoop papier met alle foto’s in zwart-wit, luidt onze conclusie: zijn prijs van 50 dollar meer dan waard voor de ware liefhebber. Maar laten we beginnen bij het begin...

Auteur Christopher Kennedy is muzikant in een rockband, maar heeft blijkbaar ook een gezonde interesse in de roots van de rock. Zo is ie al jaren op zoek naar The Pied Piper Of Cleveland: A Day In The Life Of A Famous Disc Jockey, een als verloren beschouwde 48 minuten durende rock ‘n’ roll documentaire uit oktober 1955 over Cleveland radio deejay Bill Randle die livebeelden zou bevatten van Elvis, Bill Haley & his Comets, Pat Boone en Lavern Baker. De film is mythisch, vooral omdat niemand eigenlijk weet of ie nog bestaat, en niemand meer weet of hij ooit écht bestaan heeft. Hij zou één keer publiek vertoond geweest zijn in Cleveland, en in 1956 zouden er fragmenten vertoond zijn op TV, maar nadien zou ie de kast ingegaan zijn wegens rechtenkwesties en sindsdien is men elk spoor kwijt. Reed zou de film voor zijn dood in 1977 verkocht hebben en volgens sommigen zou hij rusten in de archieven van Universal. Detail: toen de Britse producer Ray Santilli in de jaren ’90 op de proppen kwam met de beruchte film van de zogenaamde autopsie van aliens die in 1947 crashten in Roswell, New Mexico (berucht omdat de echtheid van die film nog steeds onderwerp van discussie is tussen believers en non-believers. Wie zingt ook alweer Boppin’ In Roswell? Juist: The Barnshakers) zei hij dat hij die had aangeboden gekregen tijdens zijn zoektocht naar de Pied Piper: een man die beweerde cameraman te zijn geweest bij de opnames van de Pied Piper kon die film uiteindelijk niet op tafel leggen, maar kwam wel met de alien autopsie boven water. Aldus Santilli tenminste. Wat er ook waar is van die X-Files, Kennedy heeft de Pied Piper net als alle andere rock ‘n’ roll Sherlock Holmsen ook niet gevonden, maar stootte in zijn speurtocht wel op iets anders.

Via internet kwam hij in contact met de nabestaanden van de in 1981 overleden Tommy Edwards, een andere jaren ’50 radio deejay uit Cleveland (en niet dezelfde Tommy Edwards van de hit It’s All In The Game), en zij kwamen boven water met Edwards’ collectie kleurendia’s die hij als enthousiast amateurfotograaf gretig nam van elke vedette die passeerde op radiostation WERE waar hij werkte. Edwards gebruikte die dia’s om te projecteren op de record hops waar hij draaide, en dat bleek in de tijd waarin rock ‘n’ roll nauwelijks op TV maar enkel in de bioscoop te zien was, ten zeerste aan te slaan. Een selectie van meer dan 200 van die bijna 1800 dia’s staan nu in dit boek, en da’s een schatkamer aan onuitgegeven foto’s, althans de meeste, want een enkele foto is zo beroemd geworden dat iedereen al lang vergeten is dat Edwards ze nam, namelijk de close up van Elvis en Bill Haley die mekaar de hand schudden en recht de lens inkijken. De één was de king in wording, de ander was de allereerste rock ‘n’ roll ster en op zijn dertigste al op het punt door het jonge grut voorbijgestoken te worden. Ook de foto van Link Wray heb ik al eerder gezien, namelijk op de hoes van de Link LP Missing Links Volume 2: Big City After Dark. Wie poseert hier nog allemaal? Johnny Cash, Eddie Cochran, Dion, Conway Twitty, Doris Day, Pat Boone, Sam Cooke, Charlton Heston, Charlie Gracie, Roy Orbison, Brook Benton, Bobby Darin, Johnny Horton, Connie Francis, Jayne Mansfield, Rock Hudson, Dorsey Burnette, Gene Vincent, Wanda Jackson, The Big Bopper, Dale Hawkins, Paul Anka, The Everly Brothers, Frankie Avalon, allemaal staan ze in dit boek, de ogen boordevol dromen, naast net iets minder bekende namen als Hawkshaw Hawkins, Jean Shepard, Jimmy Wakely, Boyd Bennett, The Chordettes, Sun artiest Vernon Taylor, The Sprouts (Teen Bill Baby), Jo Ann Campbell, Grandpa Jones, The Louvin Brothers, Laura Lee Perkins, Jimmy Edwards (met een reuze lieveheersbeestje: Love Bug Crawl, weet u wel), en naast compleet vergeten artiesten als The Short Twins, de onwaarschijnlijk knappe Goldie Hill, The De Castro Sisters, Scott Engel (de latere Scott Walker), Bubber Johnson, Dick Duane (“one of the brightest shining new lights in the music business”, helaas pijlsnel uitgedoofd), Lou Monte (van de single Elvis Presley For President), niet alleen uit de rock ‘n’ roll maar ook uit het variété, en het lijkt alsof ze allemaal stonden aan te schuiven in de radiostudio van WERE, naast alle andere acteurs en celebrities. Zelfs rock ‘n’ roll antichrist Mitch Miller duikt hier op! Tussendoor: Edwards nam zelf ook enkele singles op, zoals Goodnight Rock ‘n’ Roll, What Is A Teenage Girl, en What Is A Teenage Boy. Maar dat terzijde, terug naar die stapel foto’s, mooie foto’s omdat ze zo ongedwongen zijn, en een schatkamer voor de liefhebber van all things fifties, al was het waar omwille van het decorum, de studiomicrofoons, de telefoons, de kledij (de bullet bra was toen blijkbaar erg populair), eigenlijk alles wat op de foto’s te zien is. En in het echte boek staan ze dus nog eens allemaal in kleur ook, naar wij hebben begrepen. Een extra plus is de begeleidende tekst die de foto’s in hun context plaatst, en die bijzonder mooi geschreven is, in tegenstelling tot de gebruikelijke weinig ter zake doende flauwekul die meestal ter onderschrift van dit soort foto’s dient en die ons negen van de tien keer niets leert. Nee, Kennedy duidt de foto’s en geeft een blik op wat er in de ogen van de artiesten te lezen is: hoop, geloof, en een grenzeloos vertrouwen in de toekomst, dat in vele gevallen enkele jaren later pijlsnel de grond in werd geboord. Bovendien weet ie de foto’s ook exact te dateren, omdat hij ook Edwards’ persoonlijke complete editie op de kop kon tikken van de TE Newsletter, een door Edwards van 1953 tot 1960 zelf getypt en uitgegeven vakkrantje voor de entertainmentsbusiness in en om Cleveland. Ook bijzonder: artiesten als Pat Boone die zelf commentaar leveren op hun foto’s. Zo weet Sanford Clark vrolijk te melden dat op tour met Carl Perkins contrabassist Clayton Perkins (Carl’s broer) graag voor de grap op het podium stond te spelen met z’n lul uit z’n broek! Een mens leert nog eens wat...

Het boek presenteert één foto + tekst per pagina, en doet dat per jaar, startend vanaf 1955 tot 1960. Het resultaat is verbluffend: Randle, Edwards, Elvis en Bill Black samen op het podium in 1955. Chuck Berry (begeleid door een blank combo, blijkbaar huurde Chuck toen al de goedkoopste backing bands in) live on stage in 1955, en ga zo maar 240 pagina’s door. U had het al begrepen: een must voor de liefhebbers van boeken over de jaren ’50, een boek waar je in kan blijven grasduinen, en tegelijk een onwaarschijnlijk mooi tijdsdocument. Meer info:
www.kentstateuniversitypress.com/2011/1950s-radio-in-color (Frantic Franky)


naar boven



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina