
Je
recente CD, DVD, plaat of boek geresenceerd op onze website? Stuur deze
dan naar de hoofdredactie! |
CD Recensies
![]()
23 juni 2011
|
RECAPTURED/
MARS ATTACKS Vijfde CD van het authentic rockabilly
kwartet uit Zwitserland/ Oostenrijk dat inmiddels ook al weer meer dan
10 jaar bestaat en op zowat alle grote festivals stond. Deze nieuwe
CD is evenwel niet echt nieuw, want het betreft heropnames van hun al
lang niet meer te vinden eerste twee albums Run For Your Life (1999)
en Dirty Tricks (2003) en van de 4 track vinyl-EP Snatch It & Grab
It (2000). Nu ben ik toevallig iemand die liever de originele opnames
bezit, al dan niet in een heruitgave, dat maakt me niet uit, want heropnames
vind ik maar niks. Ik begrijp dat de rechten bij al die kleine (en vaak
al lang bankroete) platenfirma’s zitten en de bands er totaal
geen zeggespraak in hebben, maar als iedereen zijn eigen platen gaat
heropnemen is het hek van de dam. En het klopt ook nooit helemaal, zoals
ook hier: niet alle songs zijn heropgenomen, want alles bij elkaar tellen
die drie releases 33 songs en op deze CD staan er maar 26. Twee van
die 26 komen dan weer niet van de drie genoemde releases: de originele
Leavin’ It All Behind en High School Caesar stonden op respectievelijk
het album Circle Of Love en de Blue Lake sampler Lake Rattle & Roll
Volume 1, allebei uit 2006. Of neem hun Johnny Jano cover High Voltage,
opgenomen tijdens de Run For Your Life sessies, in april 2000 verschenen
op een Dynamite single en nergens anders te vinden. Dynamite is/ was
een onderdeel van Part Records, dus die High Voltage was hier een mooi
extraatje geweest. Helaas, zo werkt het niet in platenland, en dan maar
klagen dat de mensen kopiëren! |
|
HANGOVER
BLUES/ THE BOOZE BOMBS Derde CD van een Duitse band die ik vorig jaar zag op de Rockabilly Roundup in De Mortel en daar een van de beste bands bleken. Hele sympathieke band ook. Toen verkochten ze de Part CD Rockin’ Off The Grid die ook uit was op LP op Part. Ik wist niet dat Part nog vinyl uitbracht, maar The Booze Bombs legden me uit dat ze er extra hadden voor moeten betalen. Alles kan, met andere woorden, maar alles heeft zijn prijs. Of deze nieuwe CD ook op vinyl gaat verschijnen weet ik niet, maar het zou zeker mogen, want dit is – om meteen ter zake te komen - een uitstekend werkstukje geworden. Een Chuck Berry gitaarintro, enkele fikse meppen op de snare en we zijn vertrokken met een geslaagde klassieke rechtdoor jiver met een piano solo, een sax solo én een gitaarsolo. Piano en sax? Die hebben The Booze Bombs toch niet? Inderdaad niet, ze zijn een traditioneel gitaar-contrabas-drums kwartet met een zangeres, maar de gastpiano en gastsax vormen op deze CD absoluut een toegevoegde waarde, die daarenboven heel prominent aanwezig zijn, net zoals de vervormde mondharmonica die de toon zet in verschillende blues en bluesbop nummers, die evenwel allemaal medium of uptempo zijn én stevig rocken. Soms doet het me denken aan de allesverschroeiende blues van de jaren ’80 band The Red Devils (USA) zaliger. Neem You Don’t Want Me, een gemene chicken scratch blues met marraccas voor extra percussie: prima groovend nummer toch? En wat is gitarist Stephan Brodbeck goed, zeg! Inventief, verrassend, speels, frivool... maar altijd binnen de context van pure rock ‘n’ roll! Tien op tien krijgen ze ook voor de knappe arrangementen, de onopvallende details in die arrangementen, en het sterke CD geluid. Ook goed: 13 van de 14 nummers zijn eigen materiaal, met als enige cover Hasil Adkins’ rechtdoor rocker Roll Roll Train. Een ander pluspunt is de variatie: rockabilly met mondharmonica, desperate rock ‘n’ roll, bluesbop gekoppeld aan twangy gitaar, een in het Italiaans gezongen sleazy stroller met slurpende sax, de Blue Moon Baby huppeldepup van Crazy Heart, binnen hetzelfde nummer omschakelen tussen rustig en wild, een instrumental die alle klassieke rock ‘n’ roll rifjes tot en met het Batman thema aan elkaar rijgt, zelfs een soulvolle ballade inclusief gesproken middenstuk (hoe klassiek kan je gaan?), The Booze Bombs geven hun persoonlijke interpretatie van diverse stijlelementen en maken er ondanks die variatie een consistent geheel van. Goeie muzikanten, goeie gastmuzikanten, en ook een goeie stem: Anneliese Pardo (samen met Stephan Brodbeck ook actief in de hillbillyband Devils & Soehne) zingt beheerst waar nodig, op tijd en stond uitbundig, grommend indien vereist, als het moet uit volle borst(en), en op eenvoudig verzoek schreeuwt ze vol overgave de ziel uit haar lijf. Allemaal positief, en dat voor een CD met meer dan een kwart blues invloed! Heb ik dan helemaal geen kritiek op deze CD? Euh... Nee, eigenlijk niet. Meer zelfs: dit is een regelrechte aanrader! Info: www.part-records.de, www.boozebombs.de en www.myspace.com/theboozebombs (Frantic Franky) |
![]()
16 juni 2011
|
STRINGS
‘N’ STRIPES/ THE BASEBALLS Ook
al is de albumtitel een parodie op stars and stripes, er zijn geen vioolorkesten
(strings) als begeleiding te horen. Dus dat scheelt weer, maar waar
de titel dan wel op slaat? Het grote ‘mystery’, iets wat
we in nóg twee songs tegen zullen komen. Deze drie Berlijnse
gasten zijn inmiddels al niks nieuws meer onder de popabilly zon. Voor
de één zijn het de geliefkoosde baseballetjes, voor de
ander de gehate soepballetjes (omdat ze het niet veel soeps vinden wat
het drietal brengt). |
|
SPECIAL/
THE JAILBIRDS In
2006 tijdens de teddyboymeeting kreeg ik backstage, toen ik met Lou
Cifer & The Hellions praatte, een promo (Layla) in de handen geduwd
(ik had liever de jonge dame zelf in de handen gehad) van een voor mij
totaal onbekende band. Ik dacht: zal wel een nieuwe band zijn die wat
promo zoekt in Nederland. Tja, deze ‘nieuwe’ band uit het
Ruhrgebiet in Duitsland bestond toen al 10 jaar! Slik. Nu dan de recensie
van hun album, Special, dat een overzicht bevat van hun repertoire (genomen
van diverse albums) uit de afgelopen 15 jaar. |
|
TAKE
IT OFF/ WILD ROOSTER Een
groep wilde Vikingers met drapes, zo zou je ze kunnen omschrijven, deze
oudgedienden in de teddyboy scene. |
![]()
5 juni 2011
|
15
SMOKING TRACKS/ THE RAGTIME WRANGLERS Tweede
CD van The Ragtime Wranglers, en dat werd tijd want hun solodebuut Groove
A Tune dateert ondertussen ook al van 2005. Met ‘solo’ bedoelen
we uiteraard zonder Miss Mary Ann, en dat de heren ook zonder haar hun,
euh, mannetje staan bewijzen ze veelvuldig tijdens optredens zonder
hun frontvrouw. Tja, je moet iéts doen als je zangeres naar Engeland
verhuist, maar je moet natuurlijk wel van goeden huize zijn om instrumentaal
een uur lang te kunnen blijven boeien. The Ragtime Wranglers zijn al
20 jaar goed: welke andere Nederlandse band kan zeggen dat ze de vaste
begeleiders zijn van ‘50s artiesten van het kaliber Collins Kids?
The Barnstompers, ja, die kunnen dat ook zeggen van Sid King en Lew
Williams, maar dan hebben we het zo wel ongeveer gehad. |
|
SONGS
OF CALICO/ WHEELS FARGO & THE NIGHTINGALE |
WHATEVER
HAPPENED TO ROCK ‘n’ ROLL/ THE MOJOKINGS Garage trash, zo omschrijft dit kwartet uit Essex-Norfolk (GB) de muziek op hun tweede CD (hun debuut verscheen in 2008) en dan weet u dat het aan de ruige kant gaat zijn. Dit is inderdaad het hardere werk, maar geen psychobilly of punk (en ook geen blues zoals je op basis van die mojo zou kunnen vermoeden), eerder een mix van rock en hele moderne rock ‘n’ roll met veel tempowissels én gekoppeld aan contrabas. De eigen instrumental Chet Head wisselt rifs à la Motörhead (en mogelijk ook refererend naar nog andere mij onbekende heavy bands) af met fingerpicking, en tussen het eigen geweld door staan drie covers: Dirty Robber dat me meer doet denken aan de cover van Hot Boogie Chillun dan aan The Sonics (het echte origineel van The Wailers stamt al uit 1959), Teenage Kicks van punkband The Undertones werd hen al voorgedaan door The Go Getters, en ook Paint It Black van The Rolling Stones werd reeds diverse malen gecoverd. The Mojokings breien er een, euh, uitgebreide Mexicaanse intro op akoestische gitaar aan. Het vergde verschillende luisterbeurten, maar een keer de songs er goed inzaten luidde de conclusie wat mij betreft dat dit me qua combinatie van volume en melodie nog het meest doet denken aan de latere Hot Boogie Chillun, en da’s op zich geen mis referentiekader. What happened to rock ‘n’ roll is dat bands als deze Mojokings die muziek weer een dimensie verder sleuren. Voer voor Sjock, te nemen of te laten! Info: www.mojokings.com (Frantic Franky) |
![]()
19 mei 2011
|
IT’D
SURPRISE YOU/ ANNITA & THE STARBOMBERS |
|
MINUS
BLAST OFF/ EASY LAZY “C” & HIS SILVER SLIPPERS Debuut
van de Franse band met leden van Hot Rhythm And Booze, Pete & the
Atomics en Little Lou & the Moonshiners van wie we vroeger al een
demo bespraken, een demo die pure white rock was Bip Bop Boom van Mickey
Hawks, de opener waarmee ze er meteen volle gas invliegen, ligt helemaal
in die lijn, maar dit album blijkt meer dan enkel white rock: op Minus
Blast Off brengen ze ook black screamers oftewel zwarte schreeuwlelijken
(Hole In My Heart van Esquerita) en desperate late ‘50s/ early
‘60s als Curfew van Steve Carl & the Jags dat járen
geleden ook op de eerste plaat van onze Tin Stars stond. Nog meer desperate
white rock zijn Froggie Went A Courting van Danny Dell, Minus (One)
Blast Off van The (maar niet dié) Sonics, My Little Jewel van
Bill Taylor & the Clefs, My Car’s Faster van Don Agee, My
Mind’s Made Up van The Renowns, en I’m In Love van Glyn
Tucker & the Tornados. Andere soorten smerige rock ‘n’
roll horen we in de rhythm ‘n’ blues rock I Had A Dream
Last Night van Lonesome Sundown, de ‘60s rock ‘n’
roll van That’s All Right (Mickie Most & the Gear in 1964)
en de gitaarinstrumental Ich-I-Bon (origineel van Nick & the Jaguars
in 1959, de eerste blanke single op Tamla-Motown), hier een mix van
indianen ritmes, jungle exotica en Frolic Dinner met zelfs een vleugje
orgel. Enkel covers, inderdaad, maar omdat dat niet de meest voor de
hand liggende of bekendste nummers zijn kunnen we daar mee leven. Veel
stop-start patronen, en de sound is scheurderig met een distorted gitaar
(Chris Almoada opteert hier voor een compleet ander geluid dan op zijn
recent door ons besproken solo-CD), in het wilde weg roffelende drums,
een contrabas afgewisseld met elektrische bas die daartussenin een stevige
fundering legt, en een piano die de pret nog verhoogt. Niets zo geweldig
als een vlammende gitaarsolo gevolgd door een vlammende piano solo,
nietwaar? Pianist Jean Pierre Cardot heeft echter intussen de groep
verlaten wegens ook nog lid van vijf andere bands en is bij mijn weten
niet vervangen. Goeie boogie woogie pianisten groeien immers niet aan
de bomen. Hoe ze klinken zonder piano? Ik heb ze live gezien en kan
getuigen: exact hetzelfde maar dan, euh, zonder piano. Kan tellen qua
kennersoordeel, hahaha. Christophe Lazy’s stem is merkwaardig
maar past uitstekend in het geheel: net als bij zijn andere band Hot
Rhythm And Booze zingt hij niet zozeer maar schreeuwt hij het uit en
wringt ie zijn stembanden als het ware rond de tekst om die vervolgens
als een natte dweil uit te persen. |
|
LOUISIANA
SUN/ MAMA ROSIN TOGETHER WITH HIPBONE SLIM & THE KNEETREMBLERS Twee
Voodoo Rhythm acts die samen een album opnemen: de Zwitserse cajun en
zydeco band Mama Rosin en Sir Bald Diddley’s rockabilly/ bluesbop
alter ego Hipbone Slim. Een vreemde combinatie, of misschien juist niet:
de zwarte zydeco muziek is immers ten zeerste schatplichtig aan en geïmpregneerd
met rhythm ‘n’ blues. |
|
FAT
41/ THE WIGSVILLE SPLIFFS Alles
komt terug: dit is het debuutalbum van het Britse trio The Wigsville
Spliffs... opgericht eind jaren ’70! In de jaren ’80 waren
ze vaste prik in de Klub Foot psychobilly-/ neo-scene, maar ze brachten
toen nooit een album uit. “This is the album we should have released
25 years ago, but it never seemed to happen as we were always giving
tracks away for inclusion on compilation albums”, aldus contrabassist
Mike Lister op het hoesje, en daar is iets van waar, want al hun tracks
op verzamelaars allerhande + onuitgegeven materiaal leverde in 2002
de 16 tracks tellende titelloze Wigsville Spliffs CD op Raucous op.
In 2008 kwamen ze opnieuw bij elkaar ter gelegenheid van het Bedlam
Breakout psychobilly festival, maar merkwaardig genoeg is originele
zanger-gitarist Ian Aitkin (die later The Bus Stop Boys oprichtte) er
tegenwoordig om familiale redenen niet meer bij: hij is vervangen door
Lee Gocher (in de tijd van de Klub Foot bij The Rapids, en u al dan
niet bekend van Lee Gocher & the Sundowners) die toen ik de band
in 2010 live zag zijn debuut maakte bij The Wigsville Spliffs en zijn
songteksten moest aflezen, wat de schwung van hun set niet echt ten
goede kwam. Echt veel indruk maakten ze toen trouwens niet op me, ’t
was mij allemaal iets te statisch en te sloom. De 12 nieuwe opnames
(om correct te zijn: 10 nieuwe nummers plus heropnames van Highclass
Power en I Ain't Lonely No More) zijn simpel, rechtdoor, rechtlijnig
(wie er niet van houdt zal zeggen: langdradig), straight to the point
en pure basics: neo klonk nooit zo oldschool. Niks fancy, niks ingewikkeld,
niets is opgesmukt met gastbijdrages, hooguit is er een slidegitaar
te horen of een tweede elektrische gitaar overgedubd. Een nummer of
vier zijn gebaseerd op bluesbop rifs, titeltrack Fat 41 slaat op een
hot rod en niet op de leeftijd van de heren, Gamblin’ Train is
happybilly gebaseerd op een aanzet van Boz Boorer destijds en nu pas
door de band afgewerkt. Dit had inderdaad een LP van 25 jaar geleden
kunnen zijn. Info: www.drunkabilly.com.
Op www.myspace.com/wigsvillespliffsofficial
las ik dat er een vinyl versie is op 250 exemplaren. (Frantic Franky) |
|
THE
CHRONICLES OF/ THE PUSSYWARMERS Op
art deco geïnspireerd artwork en een promotekst die jubelt over
jaren ’20 Weimar klanken? Moet kunnen: ik heb thuis retro-swing-CD’s
die pure charleston zijn. Maar Voodoo Rhythm zou Voodoo Rhythm niet
zijn als op de tweede release van deze Zwitserse band niet vele stijlen
botsten, en dit blijkt inderdaad van alles en nog wat door elkaar geklutst.
Ik hoor Balkanfanfares zoals die heden ten dage verplicht lijken op
cultureel verantwoorde en politiek correcte parkfeesten en stadsfestivals,
jaren ’30 swing, bibberende oud klinkende hoge stemmetjes, Jacques
Brel met elektrische gitaar, Portugese processies en Italiaanse maffia
toestanden, vertolkt op instrumenten die klinken als banjo, klarinet,
trombone, tuba, cornet en een kermisorgeltje, en één nummer
eindigt zelfs met een fade out van jubelende kerkklokken. En hoor ik
daar een zweverige theremin? Let wel: dit is een hedendaagse anarchistische
interpretatie van die muziekjes, zeker geen intellectuele recreatie.
En ik kan begrijpen dat er een publiek voor is: recent zag ik CW Stoneking
zijn stokoude blues plegen op prime time televisie. The Pussywarmers
zingen in het Italiaans, Frans en Duits, maar meestal in het Engels,
wat de toegankelijkheid verhoogt. Met rock ‘n’ roll heeft
dit absoluut niets te maken, maar eerlijk toegegeven stoort deze Europeana
me niet, uitgezonderd een paar songs waarin ze net iets te lang doordrammen.
Maar ja, ik kan me dan ook een hele nacht bescheuren met de Dikke en
de Dunne. Al vraag ik me af: rockabillybands halen hun inspiratie uit
de fifties, maar waar luisteren deze Pussywarmers thuis naar? Muziek
uit de jaren ’10 en ’20? Een Bear Family 15-CD-box met de
verzamelde Bauhaus cabaret opnames uit Berlijn pré-Wereldoorlog
Eén? Naar goede Voodoo Rhythm gewoonte ook uit op vinyl VR1268.
Info: www.voodoorhythm.com
(Frantic Franky) |
|
STIR
IT UP/ SPELLBOUND
Alles komt terug: de Ierse psychobilly band Spellbound werd opgericht
in 1986 en hun debuutalbum Mystical Madness verscheen in 1988. In 2003
richtten de broers Frankie en Adrian Hayes de groep opnieuw op met nieuwe
groepsleden, en sindsdien verschenen A Fistful Of Spells (2005) en Eleven
Deadly Sins (2007). Deze Stir It Up is dus hun vierde studio album,
en toen ik ze in oktober 2010 op de Old-School Rockabilly Psychosis
in Antwerpen zag bleek Spellbound daar een van de beste en energiekste
bands. Ik veronderstelde dat de vier types schoenen op het hoesje (creepers,
Dr. Martens, baskets en motorlaarzen) symbool zouden staan voor de stijlen
op deze CD, maar daar vergiste ik me in. Opener Ballad Of Bobby Kane
blijkt uptempo countryrock in de stijl van The Byrds, en het Stephen
King-achtige verhaaltje Soulcatcher is rock op ska-ritme. Pas vanaf
track drie, Old School Boogie (waarin ze hulde brengen aan de grote
namen uit de psycho en ook de “slick rockin’ sounds”
van onze eigen Batmobile een vermelding krijgt én de rif van
Transsylvanian Express passeert) krijgen we pyschobilly, uitermate professioneel
uitgevoerd, gezongen en gespeeld met ultrasnelle slap, rijke arrangementen
en veel variatie binnen de songs, maar jammer genoeg ook in een productie
die zo gepolijst afgelikt is dat het geheel toch weer afglijdt richting
rock. Anderzijds zal wie bijvoorbeeld van Frenzy houdt dit ook wel lusten.
De “billy versie” van People Are Strange van The Doors is
die naam nauwelijks waardig. Let ook op de teksten: intellectuele psychobilly,
het is weer eens wat anders! Je krijgt bij de CD gratis een DVD met
hun prestatie vorig jaar op de vierde Psychomania Rumble in Duitsland,
maar die zat niet bij ons promo exemplaar. Info: www.drunkabilly.com
en www.myspace.com/spellboundmusic.
Drunkabilly bracht dit ook op vinyl uit. (Frantic Franky) |
|
EARLY
ROCKIN’ - THE REAL STUFF/ BILLY LEE & THE RUGBEATERS Zijn
er nog artiesten die nog geen CD-behandeling kregen? Jawel, en Collector
heeft er eentje gevonden: nobele onbekende Billy Lee. Eerder stonden
op diverse Collector CD’s al enkele tracks van hem, maar we hebben
geen flauw idee wie de man is, en de info in de CD-inlay blijft vaag.
Zijn echte naam is blijkbaar William Joseph Maska, maar waar komt hij
vandaan? Leeft ie nog? Wat heeft ie ooit uitgebracht? En het belangrijkste:
van wanneer dateren deze opnames? De enige concrete aanwijzing is zijn
LP Pay To Play, en die zou volgens de Cub Koda fanclub uit 1985 stammen.
De Cub Koda fanclub, inderdaad, want die in 2000 op 51-jarige leeftijd
overleden muzikale duivel-doet-al speelt gitaar op 8 van de 13 tracks
op die LP, geperst op 300 exemplaren, zo lezen we hier. Daaruit concludeer
ik dat de 26 tracks op deze CD wellicht in de jaren ’70 of ’80
zijn opgenomen. Ook nummers als de Sun Records tribute Gonna Boogie
Tonight of Play To Play (volgens mij een tikfout op het hoesje: moet
dat niet Pay To Play zijn?) over “goin’ all the way”
wijzen daarop: dat soort liedjes werd in de jaren ’50 niet opgenomen.
De Pay To Play nummers staan hier niet op, wel live en “one man
band” opnames, al klopt dat laatste strikt genomen niet: een éénmansband
bespeelt verschillende instrumenten tegelijkertijd, terwijl het hier
gaat om nummers waarbij Lee alle instrumenten zelf overdubde. Het resultaat,
op zijn eentje of met The Rugbeaters, is medium tempo voortkabbelende
rock ‘n’ roll die inderdaad erg ‘70s klinkt. Alle
songs zijn zelfgepend uitgezonderd Look At That Moon (Carl Perkins)
en Baby Baby (Curtis Johnson). Van vijf nummers staan er na mekaar twee
versies zodat je kan vergelijken hoe ze evolueerden of hoe Lee op z’n
dooie eentje of samen met zijn band variaties uitprobeerde. De meeste
tracks zijn vrij rustig en niet al te wild, al gaat bijvoorbeeld Midnight
Rockin’ meer richting revival rock ‘n’ roll en is
A Cadillac Ride pure rockabilly. If I en Hey Now Baby zijn dan weer
melodieuze countrybilly. Veel nummers zijn rechtlijnig, lang en tamelijk
repetitief, maar ze blijven leuk en aanstekelijk. Een aantal songs zijn
op dezelfde leest geschoeid en gebruiken steeds dezelfde rifjes en ritmes
alsof Lee muzikaal vrij beperkt was, wat misschien niet mag verrassen
bij opnames van iemand die zelf alles inspeelt. Toch horen we een aantal
interessante structuren, stop-start ritmes en typische revival akkoordenbuigingen.
Bij een aantal nummers is er geen gitaarsolo: die worden opgevuld door
wat geneuzel op mondharmonica of de ritmegitaar die gewoon het melodieschema
rondspeelt. De stem klinkt soms als Jackie Wilson, soms als ‘70s
Elvis, en meestal als typisch ‘70s revival. Sommige nummers klinken
alsof ze zijn opgenomen op banden waar eerder iets anders opstond. Ook
dat heb je met huis-, tuin- en keukenvlijt. De rock ‘n’
roll geschiedenis dient op basis van deze CD niet herschreven, maar
het geeft wel een mooi beeld hoe sommige mensen helemaal op hun dooie
eentje en verstoken van enige vorm van succes of erkenning onverstoord
hun eigen ding bleven doen. Deze CD is dan ook het muzikale equivalent
van een hobbytentoonstelling. Ik ga alvast op zoek naar de Pay To Play
LP, want Lee had/ heeft duidelijk talent en ik ben benieuwd hoe ie klonk
met échte muzikanten in een échte productie in een échte
studio. Info: www.collectorrecords.nl
(Frantic Franky) |
![]()
13 mei 2011
|
MOVE
ON IN/ THE BARNSTOMPERS |
|
TIRED
OF DRIVIN’/ MOONSHINE REUNION Langverwachte
tweede CD van de Vlaamse band die ongestoord zijn eigen ding doet, en
dat ding is door country beïnvloede truckin’ rockabilly.
In vergelijking met hun Sex & Trucks & Rock ‘n’
Roll debuut uit 2006 hebben ze een nieuwe steelplayer, en niet de minste,
namelijk onze Portugese vriend Jorge Fortunato (zou dat zoveel als Lucky
George betekenen?) van 49 Special, die het na al hun optredens in en
om Turnhout hier zo bevallen is dat hij gewoon in België is komen
wonen en werken. Opmerkelijk: voor deze CD trokken de Moonshine boys
helemaal naar Chicago naar de Hi-Style studio van Jimmy Sutton die ondermeer
de fantastische CD van JD McPherson opleverde. |
|
BACK
SCRATCH/ THE BABOONS Net
als bij Moonshine Reunion werd er bij The Baboons (B) halsreikend uitgekeken
naar de tweede CD, vooral omdat The Baboons internationaal echt wel
scoren én omdat ze gedoodverfd worden als de opvolgers van The
Seatsniffers, een naam waar ze wellicht nooit helemaal vanaf zullen
raken. Komt ervan als je dezelfde bezetting met sax hanteert, ongeveer
hetzelfde soort rock ‘n’ roll brengt, en je drummer les
neemt bij Piet Sniffer. De saxofonist is inmiddels verdwenen uit The
Baboons, anno nu is de bezetting gewoon zang-akoestische gitaar, leadgitaar,
contrabas en drums. Inderdaad opent Back Scratch met twee nummers die
helemaal Sniffers klinken, want Bungalow en All Set For The Weekend
hadden zo uit de koker van Walter Broes kunnen vloeien: zelfde sfeertje,
zelfde gelaagdheid, zelfde wall of sound, zelfde repetitieve groove,
zelfs gelijkaardige zang, niet zozeer qua klankkleur, wel qua brutale
intonatie. En toeteren daar geen saxen mee? Daarna slaan ze echter resoluut
een andere richting in, maar waar bij Moonshine een countryrock wind
waait dompelen The Baboons zich onder in de rootsblues en wordt deze
CD een gumbo van relaxte New Orleans, low down dirty rhythm ‘n’
blues, Tony Joe White swamprock, gospel en zelfs early soul, met piano,
mondharmonica, slide en sax (gespeeld door – jawel – Roel
Jacobs van The Seatsniffers), een biotoop waarin het wemelt van poultry
men, black cat bones, fishbones en mojos. Ik herken covers van Can’t
Let You Go (Sugar Pie DeSanto in 1961 op Chess), I Ain't Got You (Billy
Boy Arnold in 1956 op Vee Jay) en Everything I Do Is Wrong (Charlie
Rich, in 1959 de soulvolste artiest op Sun), en ik hoor een link naar
het dramatische van de rustigere nummers van The Blasters. |
|
THE
BODYBAGS/ THE BODYBAGS Psychobilly
is niet onze doelgroep, maar voor psychobands uit eigen land maken we
graag plaats omdat we weten dat heel wat van onze Boppers die moderne
vorm van rock ‘n’ roll toch leuk vinden of op zijn minst
tolereren. Het prille begin van de uit Arnhem afkomstige Bodybags situeert
zich in 2006, en ze brachten in eigen beheer de CD Going Wild uit, door
de band zelf omschreven als “een enorme kut-CD aangezien we die
thuis opgenomen hadden”. Sindsdien zijn ze gereduceerd tot een
kwartet: na het vertrek van zanger Nik nam contrabassist Ramon ook de
zang voor zijn rekening en daarmee lijken The Bodybags hun definitieve
configuratie te hebben gevonden, te oordelen naar de kwaliteit en volwassenheid
die ze tentoon spreiden op deze eerste officiële CD: 11 korte kopstoten
van mokersongs met supersnelle contrabas en drums en stijlelementen
afkomstig uit punk, speedrock en zelfs The Ramones, met refreinen die
je met gebalde vuist kan meezingen tijdens het wrecken. Wat mij betreft
100% pure pyschobilly, aangevuurd door de rechtlijnige vastberadenheid
van de jeugd. Als je een beetje into psycho bent lijkt het me sterk
dat je The Bodybags nog niet zou kennen want ze hebben al op zowat elk
pyschobilly festival in Nederland gestaan en geopend voor alle grote
namen in het genre, maar moest dat het geval zijn check: www.myspace.com/thebodybags
(Frantic Franky) |
|
WILD
ROCKIN’ WITH VOCAL BACKING Volume 3 Of
beter gezegd: early sixties rockin’, want het merendeel van de
26 tracks op deze CD stamt uit begin jaren ’60, zo schatten wij.
Dat voel en hoor je gewoon aan de stuwende elektrische bas en de backing
vocals. Neem opener Come On Everybody, een teen rocker van het zuiverste
water door Phil Orsi & the Little Kings, groepsnaam die misschien
verwijst naar de gemiddelde leeftijd van de groep: de leadzang klinkt
jong maar gedreven met al het enthousiasme dat ook Ronnie Dawson in
zijn tienerjaren kenmerkte, in een snelle interpretatie van de Cochran
klassieker met een sax die in de strofes wat zuinigjes meetoetert maar
tijdens de solo’s voluit gaat, en voorts veel “come on come
on” backings. Backing vocals zijn inderdaad het leitmotief op
deze CD, waaronder u dient te verstaan: tijdens de solos veel volk dat
er een feestje van maakt in Ooh Poo Pah Doo stijl, hier te horen in
een cover van The Pace-Setters. Nog onbekende covers zijn er met een
dubbelslag Buddy Holly in That’ll Be The Day (Dave Baucom) en
Think It Over (Terry Gale), allebei trouw aan het origineel. Chuck Berry’s
Betty Jean verscheen origineel op Chuck’s Rockin’ At The
Hops LP uit 1960, dus de versie door Terry Gale moet van later dateren.
Van White Lightning blijven maar versies opduiken, en deze hier van
Sherwin Linton is naar de gitaar en de mondharmonica te horen ergens
uit de tweede helft van de jaren ’60 afkomstig maar zelfs dan
is het niet kapot te krijgen. Vocal backing betekent hier ook dangerous
doo-wop, wat ons brengt bij nummers als Sassy van S & H Scamps (zwart
of blank is moeilijk te beoordelen, maar ’t is in elk geval een
meer dan verdienstelijke rocker) en Bom Do Wa van Toby & Ray &
the Margilators. Al die vocale hoogstandjes durven wel eens tot gekke
toestanden leiden, getuige de Crazy Rock van Carlo & the Cupids.
Voorts op deze CD: meerstemmige meezingers (Waitin’ van Jimmy
& Mike & the Emjays), teenager pathos (Southern Georgia van
Bobby Sharp & the Impressions), Vegas grind (Weirdsville van George
Ross & the Red Tops), space age rock ‘n’ roll (het geinige
Rocket To The Moon van Bob Roubain), en jungle exotica, ook al mogen
The “These & Those” (???) in Come On A-Long n’
Rock nog zoveel over mambo en cha cha zingen als ze willen. Een aantal
songs zijn trouwens zo overdreven over the top dat wij ons niet kunnen
voorstellen dat ze ooit serieus bedoeld zijn. Eén foutje: Slippin’
And Slidin’ van Barbara Greene (en niet Green zonder -e op het
eind) blijkt Long Tall Sally te zijn, ook al staat de labelshot van
Slippin’ And Slidin’ afgedrukt in het booklet. Opmerkelijk
trouwens dat iemand rond 1962 op single beide kantjes van een Little
Richard single van pakweg 5 jaar eerder coverde! Niks mis met die Long
Tall Sally, integendeel, wij vinden die backings die kwaken als kikkers
ge-wel-dig, alleen hadden we het al en die Slippin’ And Slidin’
nog niet. Conclusie: zet de 16 beste/ rockendste/ merkwaardigste nummers
van deze CD op één vinylplaat en je krijgt iets Madness
Invasion-achtig. Info: www.collectorrecords.nl
(Frantic Franky) |
Boek Recensie
|
THE
ORIGINALS – PREQUEL OF THE HITS/ ARNOLD RYPENS |
![]()
21 april 2011
|
SHAKEDOWN/
THE CAEZARS The
Caezars zullen de geschiedenis ingaan als de eerste en voorlopig enige
Britse band die een CD opnamen voor Wild Records, het label uit Los
Angeles gespecialiseerd in, euh, wilde rockabilly. Ze zijn zowat dé
sensatie van 2010, worden overgevlogen naar elk festival in Europa,
en speelden bij ons in de Cruise Inn in Amsterdam. Ik zag ze één
keer en vond de hype overroepen: piepjonge kereltjes die het meer moesten
hebben van veel show dan van hun kunde, en veel sixties rifjes op de
gitaar. Op CD valt dat reuze mee: die sixties invloed is helemaal afwezig
en zelfs de Sonics cover Dirty Robber klinkt fifties white rock. Gek
genoeg doen de meeste songs me aan Roy Orbison op Sun denken, niet qua
stem, wel qua structuur en opbouw, en wie ik ook in The Caezars hoor
zijn de Britse jaren ’90 band The Rough Diamonds: dit is hetzelfde
soort agressieve gitaarrock ‘n’ roll. Dit laatste mag niet
echt een verrassing heten, want Caezars gitarist Danny Dawkins blijkt
de zoon van Rough Diamonds frontman Paul Owens, sinds een ongeval in
2003 verlamd. Eén nummer is gepend door Owens, Get Lost You No
Good Creep, en aangezien ik dat niet ken neem ik aan dat hij het speciaal
voor The Caezars schreef. Terzijde: eerder verscheen al een vinylsingle
met twee onuitgebrachte tracks uit 1994 van The Rough Diamonds op Wild.
De 14 songs van The Caezars worden er op deze CD in exact 30 minuten
doorgejaagd, dus het gaat vooruit. Wild CD’s gaan niet alleen
snel vooruit, ze worden ook snel opgenomen, en dan weet u dat de opnamekwaliteit
niet echt primeert, met als resultaat een rammelende mix waarin de zang
af en toe op het randje is en de gitaar tijdens de solo’s soms
inzakt wegens niet luid genoeg. In het begin is dat even wennen, maar
na een paar luisterbeurten zie (of beter hoor) je licht in de duisternis
en blijken hier uitstekende eigen songs op te staan als Six Feet In
The Ground, Shakedown, I Told You, Sitting At The Top en het instrumentale
Hail Caezars. Bij de covers staan geen componisten vermeld (is dat niet
meer verplicht?) maar Pretty Jane is van Mark Robinson, en Mad Man:
geen idee, in elk geval is dit niet de Mad Man van Jimmy Wages op Sun.
Op een paar nummers rammelt Victor Mendez staccato mee op piano. |
|
LIES
LIES LIES/ LI’L LUIS Y LOS WILD TEENS |
|
CAN’T
LIVE WITHOUT ROCKIN’ En toen kwamen er uit het niets
plots vier nagelnieuwe Collector CD’s! Cees Klop ging toch stoppen
met zijn label toen hij stopte met zijn échte job? Volgens ons
kan Cees daar bij die molen zelf ook niet leven zonder te rocken en
heeft ie nu gewoon nog meer tijd om zijn onwaarschijnlijke verzameling
singletjes te beluisteren en te ordenen! Het resultaat is zoals steeds
meer dan de moeite waard voor de ware collectors onder ons, dat wereldwijde
netwerk van mensen die obscure singles koesteren, matrixnummers bestuderen
en discografieën van piepkleine lokale platenlabeltjes proberen
in elkaar te puzzelen. Collector CD’s zijn namelijk niet zomaar
lukraak samengesteld met public domain opnames van meer dan 50 jaar
oud, lees: gewoon gejat en gekopieerd van andere CD’s. Collector
is detective werk! Wie waren Norman Juliano & the Realistics? Werd
er in de jaren ’50 gerockt in de Filipijnen, zie Jose Mari &
his Electro-Maniacs op het JMG label uit Manila? |
|
EARLY
ROCKIN’ GOLD 35
tracks op deze CD, een nieuw record voor Collector Records? De CD begint
met een aantal nummers die het best als white rock kunnen omschreven
worden (wilde late ‘50s rock ‘n’ roll met veel scherpe
gitaar, elektrische bas, een drummer die al roffelend zoveel mogelijk
potten en pannen probeert te raken, en de occasionele zwabberende sax),
maar al snel komen de vertrouwde Collector ingrediënten om het
hoekje piepen: verloren gelopen cowboys met ouderwetse hillbilly, medium
tempo gitaarinstrumentals van dertien in een dozijn, alle schakeringen
uptempo countryrock van onbestemde data ergens midden tot eind jaren
’60 (Big Deal van Frank Durbin is hoe The Maddox Brothers hadden
geklonken eind jaren ’60), covers weggezonken in de plooien van
de tijd (Party Doll door Ronnie & the Gamble, een Pipeline door
The Ron-De-Voo’s die qua (onbestaande) mix klinkt als een repetitie,
een onuitgegeven Wipe Out demo door The Astros), en themaplaatjes over
auto’s (In Gear van Buddy Beverly & the Sparkles), kikkers
(de gitaar-/ saxinstro Frog In The Fog van The Zircons), sci fi (Count
Down van Casey Grams op het Count label inclusief biep bieps en, euh,
countdown) en horror (Vampire van The Plaids, een instrumental zonder
geluidseffecten of enige vorm van horror die dus evengoed iets als Suzy’s
Stroll had kunnen heten). Uiteraard ontbreken enkele ronduit vreemde
tracks niet, in casu Davey I’m So Glad It Rained (meidentrio Bonnie
& the Treasures bovenop een ragtime piano), het onuitgegeven Hillbilly
Rock van The Rhythm Rangers op banjo, of de instrumental Buck Shot waarop
The Angels meer naast elkaar dan samen spelen. Hoe onbekend al dit spul
is zie je aan nietszeggende groepsnamen als Nothing & the No Names,
The Unknowns en The Rhythm Rockers. Dat goud uit de CD titel is wat
overdreven, maar Collector recycleert hier wel obscuriteiten die nog
zeldzamer zijn dan een eerlijk politicus. Hou er wel rekening mee dat
de hi fi kwaliteit van sommige singles doet vermoeden dat ze ooit als
schuurpapier zijn gebruikt. Op www.collectorrecords.nl kan je Collector
kopen à 10 € per CD en per 8 CD’s krijg je er twee
naar eigen keuze gratis bovenop. Info:
www.collectorrecords.nl
(Frantic Franky) |
Boek Recensie
![]()
|
THE
STARDAY STORY/ NATHAN D. GIBSON i.s.m. DON PIERCE Het label Starday zal de rockabillies en mainstream rockers niet vreemd in de oren klinken, met een indrukwekkende lijst van klinkende namen als (allen Starday) Sonny Fisher, Link Wray, Tommy Labeff alias Sleepy Labeef, Hal Harris, Rusty York, Sid King, Rudy Grayzell, Link Davis, George Jones, Johnny Bond, Frankie Miller, Bill Parssons (met de komische titel Hot Rod Volkswagen), Hardrock Gunter, Moon Mullican, Pete Drake, Lattie Moore, Joe Maphis en Texas Tyler, (allen Dixie) Benny Joy, Groovey Joe Poovey, (Cannon) Hi-Tombs en (Red) Red Moore. Deels ook country-artiesten die, al dan niet, met de komst van de rockabilly trachtten (soms met tegenzin!) ook dáár een graantje van mee te pikken. Dus dit label omschrijven als een countrylabel is zeker niet correct. Ook al heeft dit label natuurlijk een belangrijke rol gespeeld in de country en noemt het zich fier The House That Country Music Build. Maarrrr, dat kunnen ze ook gerust zeggen van rockabilly! Want niet alleen Sun Records stond aan de wieg ervan, zeer zeker ook Starday, dat Sun probeerde te beconcurreren, zoals de indrukwekkende opsomming van bekende namen op het label en haar ‘sublabels’ (feitelijk custom pressings, daarover later meer) laat zien. Met recht wordt Starday, samen met Sun, de ‘rockabilly movers’ genoemd. In het boek staat dan ook aardig wat informatie over de rockabilly op het label vanaf 1954! Aanvullend op de informatie in het boek: Starday had als opstapje naar het label toe een customfaciliteit, waarbij artiesten hun demo’s konden aanleveren die dan geperst werden op singles met fictieve labelnamen (gewoonlijk delen van de namen van de artiesten of afkortingen of gewoon eigen verzinselen) en bij voldoende ‘buzz’ (interesse vanuit de platenmarkt) werden de artiesten onder contract genomen bij Starday zelf. Voorbeelden van die ‘customlabels’ zijn: Dixie (Osyka, Mississippi) (opm.: Dixie bestond als volwaardig sublabel en had ook een customserie voor merendeels rockabilly), Red (Montrose, Iowa), Rock-It (Port Arthur, Texas), Missouri (Saint Louis, Misssouri), Lincoln (Peoria of Elmwood, Illinois), Cannon (Richmond, Virginia), Hillcrest (Cornelia, Georgia), Fame (Houston, Missouri (!)), Sunset (Tannersville, Virginia), Mystic (Canon City, Colorado) en Hollywood (Madison, Tennessee). Nog eentje vergeten? Vast en zeker. Maar de indrukwekkende platenlijst in het boek vult dit absoluut aan. Daarnaast was er vanaf januari 1957 een samenwerkingsverband met Mercury als Starday-Mercury voor de country en rockabillytak van dit major label. Op dat nieuwe label komen we dan grote namen tegen als Curtis Gordon, Big Bopper, Johnny Preston en Eddie Bond ‘to name a few’. Nathan
D. Gibson neemt de lezer(es) met wetenschappelijke gedetailleerdheid
mee op een reis door bijna 58 jaar Starday geschiedenis. Naast dit fascinerende
meesterwerk, is er ook nog voor de liefhebbers een meer dan indrukwekkende
complete platenlijst van alle Starday (en sublabel en custom) releases,
verdeeld over maar liefst 70 (geen tikfout) pagina’s! Slechts
enkele platen heeft men niet kunnen achterhalen, maar het zij de auteur
meer dan vergeven. Aangezien ik zelf een dergelijk boek ooit heb geschreven,
weet ik maar al te goed wat voor monnikenwerk dat is en dat je nooit
volledig kunt zijn, omdat vroeger niet alles netjes bijgehouden werd
zoals tegenwoordig. De auteur pretendeert overigens niet volledig te
zijn, noch qua alle in’s en out’s van de Starday-dagen (dat
is ook onmogelijk, hij heeft dan ook interviews, met tal van mensen
rondom het label, weg moeten laten, omdat anders het boek te dik werd,
jammer maar wel begrijpelijk), noch qua discografie. Interessant is
ook hoe de auteur op het idee is gekomen een boek aan dit label te wijden.
Zijn inmiddels 82 jarige universiteitsprofessor Rex Trailer heeft destijds
samen met Bill Haley & the Saddlemen in 1950 opgenomen en opgetreden,
en was vanaf 1956 TV-host voor Boomtown (nadat hij als TV-pionier al
sinds 1947 actief was). De goeie wijze man is nog steeds actief en heeft
al meer dan 60 jaar TV-ervaring op de rug zitten! Doe hem dat maar eens
na! Rex heeft nog tal van platen opgenomen in de 50’s en 60’s
voor o.a. ABC Paramount, Crown Records en W&G Records. Maar
het boek, de story dus, begint nog vóór het ten tonele
verschijnen van Pierce, in 1951 als Jack Starns (officiële spelling)
via het etablissement van zijn vrouw Neva (die een kokende en afwassende
manager (!) was, tegenwoordig heeft manager meer de betekenis van een,
met lange sigarethouder paffende, schoonheid in een pelsmantel) een
jonge Lefty Frizell leert kennen. Jack wordt zijn manager. En toen al
waren managers uitgekookt en uitgebreid wordt uit de doeken gedaan hoe
1. Frizell wordt gepaaid met een 50/50 aanbood. (Dus de manager kreeg
vette 50% van alle denkbare royalties (opnames, covers, bladmuziek verkoop
(destijds bestonden nog bladmuziek charts, ook bij Radio Luxemburg hier
in Europa, die in 1959 ter ziele gingen) en optredens op radio, TV en
in films), 2. Lefty moest na het verstrijken van het contract nóg
twee jaar optreden onder gelijke condities (achteraf aan contract toegevoegd?)
en 3. Jack wilde Lefty voor de rechter slepen, omdat deze door een schorre
stem (!), overmacht noemen ze dat toch (?!), 20 optredens heeft moeten
laten schieten. (Uiteindelijk is het dispuut bijgelegd met een chequeje
van 25.000 US$ van Lefty aan Jack). Apropos
picture: het boek is doorspekt met zeldzame en minder zeldzame zwart/wit
foto’s, waarop heel wat artiesten te bewonderen zijn, zowel de
‘muzikale somebodies’ als de ‘muzikale nobodies’.
In die tijd gebeurden nog sprookjes. Je gaat naar Neva Starns’
restaurant om er een kopje koffie te drinken, je wordt dan gevraagd
door Neva om samen met de huisband te zingen en een hit is geboren:
het overkwam Arlie Duff met All You Come in 1953, de eerste hit voor
Starday. Echter, ondanks de hit, merkten Starns en Daily dat ze wel
goeie talenscouts en promotors waren, maar dat ze nog wat misten om
een platenlabel te runnen. In
het verhaal van Jones is het leuk om te zien dat Webb Pierce, die de
eerste grote hit van hem Why Baby Why coverde, Pappy Daily het voorstel
deed te wachten met het uitbrengen van zijn eigen cover, zodat George
ermee kon scoren, omdat Pappy hem (Webb) ooit de muziek in heeft geholpen.
Dat noemen we nog eens een vriendendienst! Spoedig werd ook Dixie opgericht als belangrijkste sublabel (subsidiary) om lokaal nieuw talent te promoten. Dit label bevatte uitsluitend soundalike opnames, danwel imitatie-opnames, die uitsluitend via de radio verkocht (!) werden. Dit principe kennen we van ragjobbing (hier in Europa geïntroduceerd door de eigenaar Albert van Hoogten van Ronnex Records in België), waarbij onbekende artiesten de hits van bekende artiesten zingen, al dan niet gelijkend op het origineel (in Nederland op labels als Discofoon en Lion Tops, in België op Expobrood en Tempo etc., in Duitsland op Baccarole, (eveneens) Tempo etc.). Zoals gezegd werden de platen via de radio verkocht. Daartoe ontvingen de radio deejays LP’s (!), die werden gepromoot en waarvan men de songs dan op singles kon verkrijgen in de record shops. Op die platen zijn bekende Starday-artiesten te horen, die dan grote sterren imiteren. Zo zong George Jones de nummers van Elvis en Johnny Horton, Leon Payne deed imitaties van Elvis, Sonny James, Benny Barns deed Johnny Cash en Hank Snow, Sleepy LaBeef “vergreep zich aan” Johnny Cash. In het boek staan nog meer voorbeelden, maar ik verklap uiteraard niet alles uit het boek! Aanvankelijk
nog in Hollywood, verkaste het ‘country’-Starday label in
1957, na het sluiten van een monsterverbond met Mercury in Chicago als
Mercury-Starday, naar Nashville (wat een toeval, zeg!). Voor dit nieuwe
label zou George Jones de grote gangmaker zijn, maar ook The Big Bopper
zijn Chantilly Lace de platenhemel inzingen en Johnny Preston Big Boppers’
pennenvruchtje Running Bear tot kaskraker van het nieuwe label maken.
Een heel stuk wordt in het boek gewijd aan het turbulente leven in die
hoogtijdagen van George Jones. Een typisch verhaal zoals je dat in tal
van ander biografieën van sterartiesten ook kunt lezen: alcohol,
vrouwen en wat daaruit voortvloeit. In
1958 gingen Daily en Pierce uit elkaar, nadat Mercury merkte dat country
nauwelijks verkocht, maar met rock ‘n’ roll groot geld te
maken viel. Het bleek een slimme zet! Ook rockabilly kon de magere bijdrage
van Starday aan de Starday-Mercury alliantie niet compenseren. Daily
ging met stal-artiest George Jones naar Mercury en Don ging in zijn
uppie verder met Starday. En dat betekende: volledig concentreren op
gospel en bluegrass plus traditional country. Niettemin werden er toch
ook nog rockabillyplaten opgenomen. In 1960 had Pierce zijn eigen opnamestudio
met zanger Tommy Hill als engineer. In
1968 nam Starday het prestigieuze King Records in Cincinnati, Ohio over
van Syd(ney) Nathan, die dat jaar overleed. Het label ging toen verder
als Starday-King. In 1970 werd dit nieuwe label opgekocht door het legendarische
songwriter duo Jerry Leiber en Mike Stoller. Uiteindelijk zou het via
omwegen in 1974 in handen vallen van Gusto Records, tot op de dag van
vandaag: Starday-Gusto Records. Conclusie:
een must voor elke liefhebber van vintage rockabilly, voor platenlabelwereld
geïnteresseerden en platenverzamelaars. Het boek beschrijft, zoals
het toen ook was bij Starday, de artiesten en releases in de verschillende
muziekstromingen rockabilly, country, rock ‘n’ roll, bluegrass,
gospel door elkaar heen. Nathan aan de hand van de interviews met tal
van interessante artiesten en andere mensen uit de muziekwereld, chronologisch
door de jaren van het label heen. Dit alles op een goed leesbare manier.
Het Engels is goed te volgen. Bij het zien van dit soort afstudeeropdrachten
van universiteits-stuudjes zou je graag nog eens gaan studeren in Amerika
en blijvend zitten blijven is dan absolute plicht! Info: www.upress.state.ms.us/books/1311
(Henri Smeets) |
![]()
31 maart 2011
|
COVERS
GALORE/ DE SWINGERS Soms vraag ik me af wat de toegevoegde
waarde is van de zoveelste coverband. Maar blijkbaar is dat de enige
manier om nog het hoofd boven water te houden in muziekland. Als je
het dan ook nog akoestisch doet, valt het tenminste nog op ook. De naam
suggereert dat het trio op het muzikale vlak dat is, wat anderen op
relationeel gebied zijn (ofwel de ‘tutti frutti’-relaties
onder het mom van ‘verandering van spijs doet smullen’).
Dat vergelijk dekt wel de lading, al is het pikante ingeruild voor veelzijdig
muzikaal vakmanschap. |
|
ROCKIN’
AGAIN AT THE 2 I’S COFFEEBAR Reeds eerder werden er compilaties
onder de titel Rockin’ (Again) At The 2 I’s uitgegeven op
Decca (LF 1300) in 1958 en Ace (CHA 77) in 1984. Deze compilatie hier
is ruimer, met maar liefst 25 songs. Bovendien staan op de Ace-LP diverse
namen die nooit in The 2 I’s hebben opgetreden (zie hiervoor een
eerder artikel in BA over Rick Hardy). Wie beat zegt, zegt Cavern Club,
wie jazz zegt, zegt Ronnie Scott’s Jazz Club (waar onder andere
Britse pionierrocker en jazzman Tony Crombie (drums) ooit de trommelstokjes
liet vliegen), wie rock ‘n’ roll zegt, zegt The 2 I’s
Coffeebar, althans dat zou je mogen verwachten. De Cavern Club in Liverpool,
in 1957 begonnen als jazzkelder, herbergde met de doorbraak van de rock
‘n’ roll al gauw rock ‘n’ roll-acts, o.a. Rory
Storm & The Hurricanes, The Quarrymen (voorloper Beatles) en de
Beatles alias Beat Brothers als, toen nog, rock ‘n’ roll
band. Dan hebben we het over de jaren 1958-1961. De Cavern Club is,
ondanks haar later verworven faam doet vermoeden, nooit een concurrent
geweest voor een andere bar in Londen: Coffeebar The 2I’s (ook
wel als gimmick Two Eyes genoemd), dat in 1956 reeds haar deuren opende.
Deze kleine bar was het epicentrum van alles wat zich Britse rock ‘n’
roll noemde. De geboorte- en broedplaats van nieuw talent, waarvan we
een indrukwekkend aantal namen tegenkomen op de compilatie hier. |
LP Recensie
![]()
24 maart 2011
|
WOO
EEE HA HA!/ THE SEVERED LIMB We
ontvingen weer eens een heus stuk vinyl, klommen naar zolder waar onze
platenspeler met een verse nieuwe naald nog altijd indien gevraagd dienst
doet en zetten de ten inch van The Severed Limb op. Deze wat ongewone
skiffleband uit Londen bespeelt de elektrische en de akoestische gitaar,
de contrabas, het accordeon, snare drums en vanzelfsprekend het wasbord.
Waarom noem ik ze ongewoon? Omdat in hun muziek in niet direct een Lonnie
Donegan of een Chas McDevitt doorklinkt. |
CD Recensies
|
DON’T
TOUCH MY GREASY HAIR/ THE WISE GUYZ In 1999 opgericht rockabilly kwartet uit Kahrkov in Oekraïne dat na drie releases in eigen beheer nu een album uitbrengt op El Toro. Afgaande op de verpakking en de nette pakjes verwachtte ik me aan authentieke rockabilly in hepcat stijl, maar eens te meer blijkt dat uiterlijk kan tromperen: de muziek is een mix van neo (melodieën, stijl en structuur van de meeste nummers), Hot Boogie Chillun (de inleving), Paladins (de intensiteit) en bluesbop (het repetitieve). Alle metertjes gaan in het rood en werkelijk álles zit vooraan in de mix, op de stem zit veel vervorming. Goeie accentloze stem trouwens, en een hele goeie gitarist. In een stuk of vier van de 17 zelfgeschreven songs toetert een sax wat akkoorden mee, en om de twee nummers lassen ze wel een break voor een drumroffel of een contrabas solo in. Een paar nummers hebben spaarzaam doo-woppende backing vocals, en zelfs die enkele rustigere nummers klinken niet klef maar doorleefd. Vinden The Wise Guyz de rockabilly opnieuw uit? Nee, maar ze dóén er wel iets mee, en het eindresultaat is wat mij betreft de opwindendste CD sinds JD McPherson. Volgend jaar staan ze op het (door El Toro gesponsorde) Screamin’ festival in Spanje, en volgens mij moet het live vonken geven, dus haal ze naar hier, iemand? Voorbeluisteren op www.eltorecords.com dat de titeltrack ook op vinyl single uitbracht, al is ons onbekend of het dezelfde of een alternatieve versie betreft. Op de B-kant van die single staat trouwens geen nummer van The Wise Guyz maar van Arsen Roulette. Info: www.myspace.com/wiseguyzrockabilly en www.eltororecords.com (Frantic Franky) |
![]()
10 maart 2011
|
WRECKER
WALK/ THE HOUSEWRECKERS Zesde
album of zoiets van dit Fins trio dat al járenlang meegaat en
de allereerste Scandinavische band op het Brittse label Nervous was.
Vreemd verhaal: de originele groep werd opgericht in 1982 als The Black
Devils, wat al snel The Houserockers werd. In 1985 stopten ze er mee,
maar het demonummer Cause Ya Left Me kwam dat jaar op Nervous op de
compilatie-LP Hell’s Bent On Rockin’, maar dan onder de
naam The Housewreckers. Uiteindelijk werd de band heropgericht in 1988,
en sindsdien doken ze op geregelde tijdstippen op met diverse albums,
waarvan wij destijds Wreckers’ Party uit 2002 bespraken. Van de
originele Black Devils bezetting zit zanger-gitarist Teukka Aalto nog
steeds en contrabassist Janne Junnilainen sinds 1998 opnieuw in de band,
de drummer op deze nieuwe CD maakt deel uit van The Housewreckers sinds
2005. |
|
INSTROVILLE 50
instrumentals van 39 bands op één dubbel-CD, met als enige
overeenkomst dat ze, euh, allemaal instrumentaal zijn en dateren van
1956 tot 1959, waarmee u gelijk weet dat deze dubbellaar in de midprice
prijsklasse valt. Even dacht ik nog te kunnen stellen dat het allemaal
Amerikaanse opnames waren, maar nee hoor, Lord Rockinham’s XI
(met Fried Onions uit 1958 dat niets te maken heeft met de Green Onions
van Booker T & the MG’s uit 1962 dat hier uiteraard niet opstaat)
kwamen uit Engeland. Ook stilistisch valt hier geen lijn te trekken,
want de ondertitel “hits and rarities from the golden age of pop
instrumentals” geeft al aan dat naast de hoofdbrok rock ‘n’
roll ook in mindere mate jazz (drummer Cozy Cole met Topsy Part 1 en
2) en exotica (Martin Denny met Quiet Village en The Enchanted Sea)
te horen is. De definitieve instrumentale Greatest Hits is dit evenmin,
want naast Rebel Rouser (Duane Eddy), Tequila (Champs) of Rumble (Link
Wray) hoor je ook massa’s minder bekend spul, en van Johnny &
the Hurricanes krijgen we wel Crossfire en Buckeye maar niet Red River
Rock. We krijgen echter niet noodzakelijk de beste nummers voorgeschoteld:
van een nummer getiteld The Clouds door een groep genaamd The Spacemen
had ik meer vuurwerk verwacht, en The Frantics hebben rockender spul
in huis dan de bijna popcorn van Straight Flush en Fog Cutter, met name
The Whip en Werewolf die hier niet opstaan. Op zich zijn die
minder bekende nummers evenwel interessant, want zo leer je bijvoorbeeld
dat Tear Drop van Santo & Johnny minstens even goed is als hun hit
Sleep Walk. Tweedelijnsklassiekers zijn ondermeer Teen Beat (Sandy Nelson)
en Bongo Rock (Preston Epps), en voor de rest horen we cult classics
(de originele Woo Hoo van The Rock-A-Teens, The Green Mosquito van The
Tune Rockers) en onverbiddelijke dansvloervullers als Midnighter van
The Champs. Ooit nog een Britse ted geweten die elke keer als de DJ
dat nummer oplegde de hele zaal over en weer bopte... op zijn handen!
We krijgen zelfs Sun stuff: Bill Justis’ saxslurper Raunchy en
Sonny Burgess’ wilde Itchy (met Billy Lee Riley op smoelschuif)
beschouwen we als gekend, minder courant zijn Justis’ College
Man, 706 Union van Brad Suggs, en The Memphis Belles Featuring Shirley
met Snow Job (het wordt geacht een kerstnummer te zijn, maar dat hoor
ik er niet in). Sun afgeleiden zijn Roland Janes met Guitarville (dat
merkwaardig genoeg evenveel op sax voortborduurt als op gitaar) op Judd,
en natuurlijk ook Smokie Part 2 van Bill Black’s Combo oftewel
bassist Bill Black die post Elvis een dikke boterham overhield aan instrumentale
covers van hits, een zaakje dat zo goed draaide dat hij er op een gegeven
moment een franchise van maakte en tot vijf ándere groepen toestemming
gaf gelijktijdig te toeren onder de naam Bill Black’s Combo, terwijl
hij zelf thuisbleef om de zaken te behartigen. Ook na Black’s
overlijden in 1965 aan een hersentumor bleef het Bill Black’s
Combo bestaan tot in de jaren ’70! |
![]()
24 februari 2011
|
PRESENTS
THE WESTERN SPAGHETTI/ U hebt iets tegen spaghetti western surf? Leest u dan rustig verder, waar daar heeft deze CD absoluut niets mee te maken! Dit is het nieuwe project van Luky Linetti alias Luca Bugno (Italië), de man achter conceptgroepen I Belli Di Waikiki en Los Terribles De Tijuana. Met The Western Spaghetti gaat ie terug naar de roots van zijn eigen land, en dan zwelt ons hart van vreugde, want telkens wij Louis Prima of Dean Martin horen zijn we wat trots dat we zelf Italiaans zijn. En dat terwijl er geeneens Italiaans bloed door onze aderen stroomt, kan je nagaan! Nee, alle gekheid op mijn stokje, de idee is dat Linetti hier Italiaanse country brengt, al is het – ook al horen we op enkele nummers steel gitaar – eigenlijk pure rockabilly, consumptievriendelijk maar degelijk gebracht, speels maar vakkundig uitgevoerd. Die zeg maar countrybilly wordt vermengd met nummers die me afkomstig lijken uit de Italiaanse varieté swing maar op z’n rockabilly’s gebracht worden. En alles dus in het Italiaans gezongen! Hello Mary Lou, de beschaafde Drinking Wine Spo-Dee-O-Dee (allebei ook in het Italiaans) en de instrumental Steel Guitar Rag kennen we natuurlijk, maar of de andere nummers eigen composities, eigen vertalingen van Amerikaanse songs dan wel covers van bestaande Italiaanse nummers/ vertalingen zijn is ons niet duidelijk. Eén weggever: Things van Bobby Darin wordt Baci, in Italië in 1963 gedaan door ene Remo Germani. En omdat u het bent geven we er nog een moeilijkere mee: Butta La Chiave van het Van Wood Quartet uit 1955. Waarom juist deze? Omdat die Van Wood een Nederlander was, namelijk de vorig jaar in Rome overleden Nederlandse jazzgitarist Peter Van Wood, echte naam (u had het geraden) Peter van Houten. Van Wood vertrok na de tweede wereldoorlog uit Nederland om ondermeer in de Olympia in Parijs en Carnegie Hall in New York op te treden en zich begin jaren ’50 in Italië te vestigen. De andere nummers mag u zelf opzoeken! Niet dat het allemaal veel uitmaakt, maar de liefhebber zal zich er ongetwijfeld mee amuseren. Geinig zijn in elk geval de paar verwijzingen die wij herkennen, zoals de Dixie solo in Un Bacio A Mezzanotte, en het intro van Mamma Voglio Anch'io La Fidanzata waarin wij My Rifle My Pony And Me van Ricky Nelson & Dean Martin uit de western Rio Bravo (1959) herkennen. Goed gedaan, erg leuk gedaan ook, maar we vrezen dat de noveltyfactor van enkel Italiaanse vocals de toegangelijkheid voor niet-Italiaanstaligen zal bemoeilijken. Info: www.myspace.com/thewesternspaghetti en www.part-records.de (Frantic Franky) |
|
VOODOO
RHYTHM RECORDS: RECORDS TO RUIN ANY PARTY VOLUME 3 |
![]()
17 februari 2011
|
LET
ME RIDE IN YOUR AUTOMOBILE/ CC JEROME’S JETSETTERS Vorig
jaar toerden CC Jerome’s Jetsetters (Jeroen van Gasteren; gitaar,
Deon Buck; contra- en elektrische bas en Coen Molenschot; drums/ percussie)
met bluesartiest Gene Taylor door, onder andere, ons land en derhalve
was het één plus één om samen een album
te gaan maken. Al is Taylor wellicht iemand uit de blueshoek, toch is
het ook voor menig rocker een bekende naam. De tegenwoordig in België
woonachtige Amerikaan kennen we met name van The Blasters en de laatste
jaren van The Fabulous Thunderbirds, maar de bluespianist speelde ook
samen met rhythm & bluesartiesten als Big Joe Turner en T-Bone Walker
en countryster Dwight Yoakam. |
|
NOT
FOR NOTHIN’/ MARTI BROM |
|
ROCKABILLY
MUSIC IS BAD BAD/ Als
je het bestelnummer leest: bcd 17106 ahaaaaa, dan kom je bij het horen
van deze zangeres al gauw terecht bij het Freudiaanse ‘aha-erlebnis’.
Aha, dát is dus dirty rockabilly! Peggy, Ilona Gerulat met burgerlijke
naam, waarvan ik reeds in januari 2009 een optreden heb besproken, is
nou niet bepaald het witte handschoentjes en geschoeide punthakjes type.
Degene die haar ontmoet heeft, snapt direct haar eigen compootje en
albumtitel Rockabilly Music Is Bad Bad Bad. Ze is zoiets als de hedendaagse
zangmatige vertegenwoordiging van het ‘bad girl’ type. De
opener, en tevens titel van het album, rockt hard. Ietwat hardrock-tintje
dus in deze stevige rockabilly, die zelfs de Duitse hitformatie Baseballs
laat verbleken als mannen zonder ballen. Peggy heeft ballen, gelukkig
op de juiste plaats, en dat bewijst ze later nog in de gevoelig gezongen
ballade I Won’t Stand In Your Way. Als je de CD in de handen houdt
en even tot je door laat dringen dat dit album uit huize Bear Family
is, dan schrik je wakker en denk je… waaaaw! Het komt uiterst
sporadisch voor dat een revival act op Bear Family, dat immers gespecialiseerd
is in re-releases van oude muzikale mottenballen, beland. Dus not bad
voor een nog relatief nieuw talent in rockabillyland, om in de klauwen
van de berenfamilie geraakt te zijn! Bravo! (om maar eens met de titel
van een beroemd Duits tienermagazine te spreken). Miss Sugarhill laat
zelfs de bleek gepoederde ‘vrouwelijke man’ Little Richard
op diens oerhit Lucille witjes worden. Een lekker ruige rocker, deze
versie hier! Eigen penseltje She Don’t Love You (volgens goede
Amerikaanse traditie natuurlijk geen correct school-Engels), dat overduidelijk
een Dani Klein (van het Belgische Vaya Con Dios) atmosfeer uitstraalt,
valt niet alleen op door de powerzang van de Keulse, maar ook door het
coole gitaargetokkel van André Tolba alias Adriano Batolba (ex-Backbeats).
Dit nummer is echt voor het ruigere volk, de hotrodders en bikers onder
de rockabillies. Een stevig vet nummer. Paladins-fans komen volledig
aan hun trekken in Sticks And Stones, de cover van Titus Turner. Smullen
in optima forma! Als we het dan toch over hedendaagse versies van oude
juweeltjes hebben, dan mag daarin Money Honey van The Drifters niet
ontbreken. De blanke zangeres met zwarte stem Ella Mae Morse, ging deze
Miss Dynamite hier reeds voor in 1954. Nu 57 jaar later maakt het nummer
deel uit van een, van begin tot einde, stevig rockend album. Andermaal
een eigen pennenstreek: Gisele. Met sensuele vervoering, al luisterend
in een schaars belichte kamer met een zielig kaarsje dat verwoede pogingen
doet het luchtruim een romantische sfeer te verlenen, laten we dit nummer
via onze oorschelp naar binnen glijden en afzakken naar het kriebelgedeelte,
dat gewoonlijk rond Valentijnsdag (de dag dat ik deze recensie schreef)
extra activiteit vertoont. Na dit heerlijke onderuitzaknummer worden
we woest wakker geschud met haar interpretatie van Arthur Crudup’s
That’s Allright Mama, dat wat vreemd gemixt is. Het klinkt wat
rommelig, vooral tijdens het refrein. Bassofielen komen echter helemaal
op hun kosten bij de contrabassolo en een kleine gimmick horen we hier
nog in de zang, waarin Peggy met een licht Speedy Gonzales stemmetje
af en toe een eigen flair aan het nummer geeft. Ook grootmeester Setzer
wordt niet vergeten. Van zijn hand komt immers de gevoelige ballad I
Won’t Stand In Your Way, waarbij ik als 17-jarige snotaap in 1983
mijn eerste kalverliefde traantjes wegpinkte. Dat nummer wordt hier
op een prijzenswaardige wijze gerevived. Als we dan toch al in de 80’s
zitten, dan is het niet verwonderlijk dat een andere hit uit 1983, Breakaway
van Tracey Ullman (uit de vingers van Jackie DeShannon), hier acte de
présènce geeft. Een pittige versie die haar gelijke niet
kent! De reeds eerder geciteerde vette rockabilly-lijn wordt doorgetrokken
in Switch Blade (Brian Setzer Orchestra) dat echte ‘powerhouse
billy’ genoemd mag worden. |
|
THE
BEST OF RIPSAW RECORDS vol. 1 Ripsaw
Records werd in 1976 opgericht door Johnathan Strong en de in 2006 overleden
Jim Kurkuff. In 1990 zag de voorlopig laatste release van dit label
het levenslicht, want het zou tot 2010 duren voordat er een volgende
CD uitgebracht zou gaan worden. De nu te bespreken verzamelaar tellen
we niet mee, want dit is een product van Part Records uit Duitsland
dat de opnames op dit album in licentie uitbrengt, al gingen in het
verleden andere labels Part al voor. Deze serie moet wel het eerste
echte overzicht van de releases van Ripsaw Records gaan vormen. |
|
ROCKS/
ELLA MAEA MORSE De
laatste jaren worden we overstelpt met pré-Elvis rock ‘n’
roll. Een eerbetoon aan hen die Elvis en de zijnen voorgingen in het
rock ‘n’ roll-idioom, ook al werd de muziek toen nog niet
zo genoemd. Dat vóór 1954 al puur gerockt & gerollt
werd is voor ‘die-hearts’ niet nieuw, maar voor relatief
nieuwe rock ‘n’ roll fans wellicht een oorverdovende verfrissing.
Tot die frisse oerrockers uit de prehistorie van de rock ‘n’
roll behoort de zangmatige evenknie van Elvis: Ella Mae Morse. Zoals
‘Mr. Hip Wiggle’ een blanke was die als een zwarte klonk,
zo deed Ella dat (met haar sexy touch in de stem) ook, echter reeds
in de tijd dat Elvis net geboren was (rond 1935)! En dan zijn we meteen
bij twee andere onvermijdelijke details: segregatie en ouderdom. Over
dat eerste kunnen we kort zijn. Het was destijds niet vanzelfsprekend
dat er bands waren met een mix van blanke en zwarte artiesten. Ella
is ook in dat opzicht baanbrekend geweest, dus niet alleen qua zang.
Wat dat tweede item betreft, de leeftijd, zit ze (geboren rond 1924:
officieel 1923, maar andere bronnen vermelden 1924) in dezelfde leeftijdscategorie
als Chuck Berry en Bill Haley. Wat dan opvalt is, dat ze carrière
maakt in de 30’s/ 40’s, maar dat ze net als de oudere generatie
(geboren rond 1910), met Louis Jordan en Joe Turner als prominente vertegenwoordigers,
in de mid-50’s probeert met oude nummers nog eens rockend bij
de nieuwe generatie aan te slaan, hetgeen (net als bij Louis en Joe)
uiteindelijk jammerlijk mislukt. Zo ging ook voor haar de muzikale pijp
uit in 1957. En dat, terwijl leeftijdsgenoten Chuck en Bill juist wel
scoorden! |
![]()
10 februari 2011
|
PLAY
FOR KEEPS/ THE ASTROLITES |
|
UNLEASHED/
777 Ik
heb 777 (je spreekt het uit als Triple Seven) één keer
live gezien, in september 2009 tijdens de Billy Lee Riley Tribute in
The Rambler in Eindhoven. Ze verkochten daar een mini-CD, maar ik had
toen niet bepaald de onweerstaanbare drang om die te kopen, omdat ze
naar mijn smaak veel te veel Brian Setzer klonken. Trio bezetting? Check.
Zanger-gitarist met Gretsch? Check. Ik weet niet of wat ze toen verkochten
hun Or Don’t You Dare uit 2005 was, maar in elk geval staan zes
van de zeven nummers van Or Don’t You Dare (de afwezige is This
Just Ain’t No Lovesong) nu ook op het full length debuut van deze
in 2005 in Osnabrück opgerichte band. Alle 12 nummers op de CD
zijn trouwens gepend door zanger-gitarist Nikolai Petrova. Tot mijn
opluchting klinkt de CD niet echt Brian Setzer, al ademt ie wel hetzelfde
sfeertje uit: rocksongs gespeeld op z’n rockabilly’s, gitaar
in de hoofdrol, lang uitgesponnen solos, veel tempowissels en veel jazzy
gefriedel. Op het eerste gehoor lijkt de CD door het ontbreken van de
gebruikelijke clichés- uitgezonderd de contrabas solo’s
en die draak van een trage - wat minder toegankelijk, maar na enkele
luisterbeurten begin je‘m te waarderen. Voor liefhebbers van het
moderne werk geldt dus opnieuw: check ze uit op www.myspace.com/777
en www.tripleseven-music.de.
Info: www.part-records.de (Frantic
Franky) |
![]()
28 januari 2011
|
STRINGS
OF FORTUNE/ ROCK OF AGES De
Zoetermeerse formatie tingelt al langere tijd aan de muzikale weg op
fortuinlijke snaren. Laat je niet misleiden door de toch wat ‘new
age’-achtige cover (vooral de achterkant), het is gewoon lekkere
vocale en instrumentale rock ‘n’ roll (instro). Het gezelschap
rond ‘oudgedienden’ Han Olijerhoek (lead gitaar), Pierre
Jaworski (vocals), Ed Jaworski (ritmegitaar), Arjan van den Oever (strings
of toch synthesizer?) en Wilfried Hatasolt (basgitaar), Leon van der
Geest (drums), rocken er lustig op los in de twee inviteersongs van
het album: Lightriders en Happy Home. Het midtempo Sponza, net als de
eerste twee songs een eigen ‘compootje’, plaveit de weg
naar het eerste vocale nummer, de oude uit 1960 daterende Crickets-kraker
Don’t Ask About Love. Jeugdsentiment puur voor de doelgroep van
deze CD, die vooral uit gerimpelde tieners zal bestaan. Een andere vocale
cover trilt in ons oor met one-hit wonder Phil Phillips‘ smash
hit uit 1959 (no. 1 in rhythm & blues chart en no. 2 in billboard
Hot-100): Sea Of Love, ooit door de Honeydrippers naar nummer 3 gezongen
in diezelfde Billboard Hot-100 in 1984. Ondanks dat het eigentijdse
opnames zijn, straalt het toch een vintage flair uit. Het zelfgepende
en gezongen Tamara, heeft qua sfeer iets weg van A Steelguitar And A
Glass Of Wine van Paul Anka uit 1962. Het vocale Trouble zweept je op,
ook al vind ik de monotone drum wat te computerachtig en te hard klinken
(op hoofdtelefoon althans, ook al horen rock ‘n’ roll-CD’s
eigenlijk in een CD-jukebox te zitten, shame on me), waardoor het te
zeer de aandacht trekt, jammer. Daardoor lijkt me bijna nog de voortreffelijke
zang op dit nummer te ontgaan. Als we dan toch kritisch zijn, dan nog
een opmerking over de geluidskwaliteit. Het lijkt wel alsof alle nummers
van LP zijn opgenomen, want er is aan het einde van een nummer steeds
rommelen te horen (zoals bij een platennaald over vinyl). Als dat geen
nostalgie is! Zanger Pierre heeft even pauze op de Shadows-achtige songs
Coral (slow) en Strings Of Fortune (uptempo). De ballade You lijkt qua
sound wat op een sentimentele, naar ‘de ware’ smachtende,
Engelbert Humperdinck met vetkuif. Na deze wegdromer klinkt het rockende
Radio Lindau uit de speakers, allicht een ode aan die goeie ouwe tijd
daar in Duitsland voor vele Nederlands-Indische bands. Refereert de
song aan het in 1923 opgerichte Radio Lindau? Helaas is de zang namelijk
niet duidelijk te verstaan op dit nummer. Andermaal galmt een bekende
gouwe ouwe door het luchtruim: Connie Francis’ Everybody’s
Somebody’s Fool uit 1960. Zij het, dat het zonder emotie, te technisch,
gezongen wordt. Daar waar Connie helemaal verliefd is, lijkt het alsof
Pierre niet weet waar de song over gaat. Jammer. De krachtige instro
Force straalt inderdaad kracht uit. Ook al lijkt die extra gitaar in
het refrein niet goed gemixed, klinkt ‘erbij geplakt’. Niettemin,
toch een leuk nummer. Het gevoelige Maleise Risau is zowel gezongen
als instrumentaal te beluisteren. Een echt ‘mens erger je niet’-song,
lekker relaxed. |
|
LICENSE
TO THRILL/ COJACK 59 |
|
ROCK
‘N’ ROLL PHILOSOPHY/ THE FOGGY MOUNTAIN ROCKERS Toen jullie redacteur, als presentator, samen met deze band op het podium stond in 2005 op het Teddyboyfestival in Vlissingen, kon hij nog niet vermoeden dat ze allen nóg een hobby delen: filosofie. Zeker de rock ‘n’ roll-filosofie is een interessant vakgebied. En als je dacht dat deze opmerking alleen maar gekkigheid is, heb je mooi naast het befaamde potje gepist. Want de populaire TV-presentator met Schmalztolle (vetkuif) uit het Rheinland, net als de Foggy Mountain Rockers, Götz Alsmann (in de 80’s o.a. voor rockabillylabel Mac Records actief (yep!), bekend als voormalig rock ‘n’ roll-radiodeejay Prof. Bob, als bandlid van zijn eigen rockabilly-/ jive-band The Sentimental Pounders, van gemeenschappelijke projecten met Sunny Domestozs en The Keytones, die echter de laatste jaren het ruwe muziekgeweld heeft verruild voor zoetsappige easy listening en jazz) is ooit afgestudeerd (!) op de rock ‘n’ roll. Jawel! Die afstudeeropdracht is in boekvorm verkrijgbaar en inmiddels een collectors item: Rock & Roll Subversiv (betekent: rock ‘n’ roll rebellerend, ook al kennen de Duitsers tevens het minder chique woord voor subversiv: ‘rebellisch’). Goed, het blijkt dus dat rock ‘n’ roll een wetenschap is (er bestaat zelfs een technisch (!) boek over de rock ‘n’ roll: The Art Of Rock And Roll van Charles T. Brown, waarin de diverse stijlen (rockabilly, doo-wop etc.) vanaf de 50’s volledig worden ontleed). Rock ‘n’ roll is dus ‘salonfähig’ geworden, zeg universiteitsrijp. Genoeg gefilosofeerd, naar de muziek zelf! Sinds dat optreden in 2005 is er qua bezetting niet veel veranderd, zij het dat men versterking heeft gevonden in de persoon van basgitarist Olaf Gross (sinds 2010). De overigen zijn veteranen, de meesten zelfs nog van de oerbezetting uit 1992 toen alles begon. We horen: zanger Heiko Piecha, ritmegitarist Ingo Goerges, percussionist Domenico Todaro, drummer Sven Schürmann en leadgitarist Mario Oehlmann (die in rockabillymekka Finland woont). Foggy Mountain Rockers is een typisch voorbeeld van Deutsche Gründlichkeit (Duitse grondigheid): de band pakt alles gedegen en weloverwogen aan, een beetje atypisch voor rock ‘n’ rollers (smile). Voor de rest is het een echte bende Teddyboys hoor. Een band die in haar ruim 18-jarige bestaan een behoorlijke reputatie heeft opgebouwd. Op dit album eren ze de Nederlandse oerrockers Ronnie Nightingale & The Haydocks (in 2006 op het Teddyboyfestival Vlissingen, met enkele Foggy Mountain Rockers-leden als bezoekers), die reeds jaren geleden de 80’s neo-rockabilly hebben ingeruild voor de 70’s teddyboy, met diens song Don’t Break My Heart Again. Dit nummer is tevens het langste nummer met ruim 5 minuten. Daar waar men in de 50’s gewoonlijk bleef plakken rond de 2 minuten is het gemiddelde inmiddels opgeschoven naar de 3 minuten. Dit album is daar geen uitzondering op. Het kortste nummer op dit album is 2:49! De meeste songs zijn dik drie minuten of enkelen zelfs meer dan 4 minuten. Met 18 tracks levert dat toch gauw een zatte 75 minuten muziek op. De songs zijn, behoudens het eerbetoon aan Ronnie en de zijnen, allen eigencomposities (merendeels) uit de pen van zanger Heiko Piecha en Mario Oehlmann. Het is goede ouderwetse teddyboy van topkwaliteit, ook al hebben de songs een ietwat eigen soms eigentijds aandoende touch. Tekstueel bewegen hun nummers, die ook afgedrukt staan in het schitterende booklet, zoals gewoonlijk tussen liefde en ‘being a teddyboy’. It’s Not Too Late To Be Wild, Pain Hurts, Be Apart en logo Teddyboy Anthem zijn eersteklas Tedstompers. Geheimtip What Are You Waitin’ For is swingende rock ‘n’ roll met een lichte doo-wop touch, terwijl men in The Fog het rockabillypad kruist, om in Alone in een ruige country-achtige omgeving te belanden. Dat je een Man’s Ruin ook op teddyboy-wijze kunt bezingen is een schrale troost bij de oude wijsheid dat mooie vrouwenogen nog geen gelukzaligheid in optima forma hoeven betekenen (als we het dan toch al over filosoferen hebben…). Countrysong The Wanted Man In Black wordt afgewisseld met de uptempo rocker Tender Days (met doo-wop feeling). Something Wrong With You en Teddyboy Movement laten Teds-harten harder bonken. Countrysong Wanderin’ Stars is weer eens een teken dat de band zich niet als een zuivere Tedband ziet. Overigens, dat er nauwelijks superlatieven in deze recensie te vinden zijn, betekent geenszins dat de kwaliteit niet goed zou zijn, integendeel: het is zo goed, dat je lovende woorden tekort komt! De rockabilly The Beat is een song, die qua titel ook treffend het karakter van dit album weergeeft: het is ‘the beat’ die je de rock ‘n’ roll laat beleven, zoals je die als rock ‘n’ roll-fan wilt beleven: wild, dirty en cool. Ook al is rockabilly-instro Illuminati meer een beschaafd toonbeeld van vakmanschap. Voor de één is het gewoon muziek, voor de ander zelfs een religie: de rock ‘n’ roll. Echter, op Rock ‘n’ Roll Religion zou zelfs de bisschop nog de voetjes van de vloer laten gaan. En voor alle mannen die volgens hun vrouwen tijgers zijn, het kan ook anders: de werewolf rocker She Brings Back The Wolf In Me is quasi het corpus delicti. Als afsluiter het reeds geciteerde eerbetoon aan de Nederlandse nachtegaaltjes der teddyboymuziek. Als je spaarvarken zou kunnen spreken, zou die zeggen: thank God, I’m a teddypig! Conclusie: een topalbum van een topband, je hoort gewoon het jarenlange vakmanschap. Info: www.part-records.de (Henri Smeets) |
|
RIP
AND RUN/ JINX JONES De
titel klinkt als ‘CD rippen en dan gauw wegrennen’. Maarrrrrr
dat ontmoedigen wij ten zeerste, want zijn we niet toevallig nog overblijfselen
uit de brave generatie die nog iets in de handjes wil hebben: single,
EP, LP, CD? Prrrrrrecies! |
![]()
14 januari 2011
|
COME
TO NEW ORLEANS/ CHRIS ALMOADA & THE BROKEN HEARTS |
Demo Recensie
![]()
THE SUNCOURT RAMBLERS/ THE SUNCOURT RAMBLERS Deze demo kreeg ik in handen
gestopt door Koen Depreitere met de vraag “jij zit toch in de
roots, niet ?” Tja, wat heet in de roots zitten? Het enige voordeel
van oud worden is dat je meer muziek leert kennen. Begonnen met rockabilly
leerde ik gaandeweg meer muziekjes waarderen in diverse genres als
country, big band swing, crooners, vaudeville, Hawaiiaanse muziek,
ska, calypso of wat ook meer. En dan zit je in de roots zeker? Altijd
beter dan in de rats zitten, zeg ik altijd maar. Het betrof hier bluegrass,
aldus Koen, en omdat hij vroeger zong en gitaar speelde bij de bijzonder
luidruchtige Demon Teds (ze speelden na net geen 10 jaar hun laatste
optreden op 28 augustus 2009), een groep die ik makkelijkshalve bij
de psychobilly indeel, verwachtte ik me aan een of ander trashy gedoe.
Groot was mijn verbazing toen me duidelijk werd dat het hier wel degelijk
de real stuff betrof, authentieke onvervalste bluegrass uit de oude
doos! The Suncourt Ramblers komen uit Belgisch Limburg en zijn met
zeven. Buiten Koen (die hier contrabas speelt) ken ik niemand van
de band, maar ik hoor en zie akoestische gitaar, viool, mandoline,
banjo, ukelele en dobro. Deze demo werd live opgenomen bij een optreden,
met na elk nummer een beleefd en netjes uitfadend applaus. Alle nummers
zijn klassiekers en traditionals (Riding That Midnight Train, Nine
Pound Hammer, My Sweet Blue Eyed Darling, Rank Stranger, Columbus
Stockade Blues, High On A Mountain Top, Hold Whatcha Got), terwijl
we Rollin’ In My Sweet Baby’s Arms, Cigarettes Whiskey
And Wild Wild Women en Mama Don’t Allow ook in rock ‘n’
roll middens als bekend mogen beschouwen. Dirty Old Town is vooral
bekend als folksong van The Dubliners (u kent ongetwijfeld de hitversie
van The Pogues uit 1985) maar werkt wonderwel als bluegrass, en Man
Of Constant Sorrow is sinds de film O Brother Where Art Thou (2000)
verplichte kost. Enig nummer dat op negatieve wijze opvalt is Rocky
Raccoon, een Beatles nummer van hun White Album uit 1968, beter bekend
als “de dubbele witte”. In deze bluegrass setting is het
totaal overbodig, want het klinkt alsof een singer-songwriter nadrukkelijk
zijn solo folkding wou doen. Die ene misstap daargelaten klinkt deze
live opname geheel volgens de regels van de bluegrass kunst : een
afwisseling van snelle en medium tempo nummers, verschillende leadzangers
met op gezette tijden de hele band die vocaal een tandje bijsteekt,
elkaar opvolgende solo’s van viool, banjo, dobro en mandoline.
Vergeleken met hét rockende en ronkende bluegrass ijkpunt in
onze scene, de Nederlandse Hillbilly Boogiemen annex Blue Grass Boogiemen,
klinken The Suncourt Ramblers minder ervaren (kan ook niet anders,
de Boogiemen hebben járen voorsprong) maar daarom niet minder
enthousiast of authentiek. Want zo klinken ze wel degelijk, en gelukkig
vooral niet gepolijst, er zit een rauw kantje aan zowel zang als muziek,
en de slap van de contrabas geeft een rock ‘n’ roll injectie
aan het klaaglijk jankende instrumentarium. |
CD Recensies
![]()
5 januari 2011
|
SLEIGHING
TOGETHER |
|
ROCKABILLY
TOWN/ THE SUN SKIPPERS |
naar
boven
![]()
Lees
hier de oudere recensies
![]()