(reclame)


Je recente CD, DVD, plaat of boek geresenceerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent CD, DVD, record or book reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!


CD Recensies



23 juni 2011

RECAPTURED/ MARS ATTACKS
Part Records, PART-CD 696.001

Vijfde CD van het authentic rockabilly kwartet uit Zwitserland/ Oostenrijk dat inmiddels ook al weer meer dan 10 jaar bestaat en op zowat alle grote festivals stond. Deze nieuwe CD is evenwel niet echt nieuw, want het betreft heropnames van hun al lang niet meer te vinden eerste twee albums Run For Your Life (1999) en Dirty Tricks (2003) en van de 4 track vinyl-EP Snatch It & Grab It (2000). Nu ben ik toevallig iemand die liever de originele opnames bezit, al dan niet in een heruitgave, dat maakt me niet uit, want heropnames vind ik maar niks. Ik begrijp dat de rechten bij al die kleine (en vaak al lang bankroete) platenfirma’s zitten en de bands er totaal geen zeggespraak in hebben, maar als iedereen zijn eigen platen gaat heropnemen is het hek van de dam. En het klopt ook nooit helemaal, zoals ook hier: niet alle songs zijn heropgenomen, want alles bij elkaar tellen die drie releases 33 songs en op deze CD staan er maar 26. Twee van die 26 komen dan weer niet van de drie genoemde releases: de originele Leavin’ It All Behind en High School Caesar stonden op respectievelijk het album Circle Of Love en de Blue Lake sampler Lake Rattle & Roll Volume 1, allebei uit 2006. Of neem hun Johnny Jano cover High Voltage, opgenomen tijdens de Run For Your Life sessies, in april 2000 verschenen op een Dynamite single en nergens anders te vinden. Dynamite is/ was een onderdeel van Part Records, dus die High Voltage was hier een mooi extraatje geweest. Helaas, zo werkt het niet in platenland, en dan maar klagen dat de mensen kopiëren!
Tot daar mijn gezeur, over naar de orde der zaken, en dat betekent 26 rockabilly tracks, zo te horen in één sessie opgenomen want ze klinken allemaal hetzelfde, wat bij 26 tracks toch een beetje een nadeel is wegens van het goeie teveel, ook al omdat er slechts één trage opstaat, de Elvis-achtige ballad Please Can You Say. Laten we deze CD dus maar beschouwen als hun complete setlist die voorbij raast, hahaha. Covers als Snatch It And Grab It, Pepper Hot Baby, That’s The Way I Feel, Four Tired Car, Lies, High School Caesar en I Guess It’s Meant That Way geven aan waar ze de mosterd halen, en hun eigen songs liggen in dezelfde lijn, met als uitschieters rockers en boppers als The Way I Bop en Tattoo Bop, waarop een trompet meeblaast die ook opduikt in de bluesboppers You’ll Never Break Me en Leavin’ It All Behind. En met een groepsnaam als Mars Attacks mag science fiction billy niet ontbreken, vandaar songs als Sputnik (The Satellite Girl) van Jerry Engler en de eigen werkjes Man From Mars (met satelliet-biep-biep gitaarsolo), Rocket In The Sky en Mars Attacks. De band in klassieke leadgitaar/ akoestische gitaar/ contrabas/ drums bezetting heeft alle rockabilly trucs onder de knie, zanger Roland Riedberger klinkt alsof ie Elvis-gewijs één mondhoek omhoogkrult en in de andere een dikke prop kauwgum heeft. Goed gebracht, goed uitgevoerd, maar misschien wat routineus, mogelijk juist omdàt die songs er zo goed inzitten. Uitgezonderd de trompet zijn er geen gasten op de CD en zoals gezegd is de sound 26 tracks lang hetzelfde, dus na een nummer of 20 heb je het wel gehoord. Desalniettemin: als u Mars Attacks fan bent en de originele releases niet hebt is deze CD aanbevelenswaard. Als u nog niets van Mars Attacks hebt trouwens ook. Info: www.part-records.de en www.rockabilly.ch/marsattacks (Frantic Franky)


HANGOVER BLUES/ THE BOOZE BOMBS
Part Records PART-CD 678.005

Derde CD van een Duitse band die ik vorig jaar zag op de Rockabilly Roundup in De Mortel en daar een van de beste bands bleken. Hele sympathieke band ook. Toen verkochten ze de Part CD Rockin’ Off The Grid die ook uit was op LP op Part. Ik wist niet dat Part nog vinyl uitbracht, maar The Booze Bombs legden me uit dat ze er extra hadden voor moeten betalen. Alles kan, met andere woorden, maar alles heeft zijn prijs. Of deze nieuwe CD ook op vinyl gaat verschijnen weet ik niet, maar het zou zeker mogen, want dit is – om meteen ter zake te komen - een uitstekend werkstukje geworden. Een Chuck Berry gitaarintro, enkele fikse meppen op de snare en we zijn vertrokken met een geslaagde klassieke rechtdoor jiver met een piano solo, een sax solo én een gitaarsolo. Piano en sax? Die hebben The Booze Bombs toch niet? Inderdaad niet, ze zijn een traditioneel gitaar-contrabas-drums kwartet met een zangeres, maar de gastpiano en gastsax vormen op deze CD absoluut een toegevoegde waarde, die daarenboven heel prominent aanwezig zijn, net zoals de vervormde mondharmonica die de toon zet in verschillende blues en bluesbop nummers, die evenwel allemaal medium of uptempo zijn én stevig rocken. Soms doet het me denken aan de allesverschroeiende blues van de jaren ’80 band The Red Devils (USA) zaliger. Neem You Don’t Want Me, een gemene chicken scratch blues met marraccas voor extra percussie: prima groovend nummer toch? En wat is gitarist Stephan Brodbeck goed, zeg! Inventief, verrassend, speels, frivool... maar altijd binnen de context van pure rock ‘n’ roll! Tien op tien krijgen ze ook voor de knappe arrangementen, de onopvallende details in die arrangementen, en het sterke CD geluid. Ook goed: 13 van de 14 nummers zijn eigen materiaal, met als enige cover Hasil Adkins’ rechtdoor rocker Roll Roll Train. Een ander pluspunt is de variatie: rockabilly met mondharmonica, desperate rock ‘n’ roll, bluesbop gekoppeld aan twangy gitaar, een in het Italiaans gezongen sleazy stroller met slurpende sax, de Blue Moon Baby huppeldepup van Crazy Heart, binnen hetzelfde nummer omschakelen tussen rustig en wild, een instrumental die alle klassieke rock ‘n’ roll rifjes tot en met het Batman thema aan elkaar rijgt, zelfs een soulvolle ballade inclusief gesproken middenstuk (hoe klassiek kan je gaan?), The Booze Bombs geven hun persoonlijke interpretatie van diverse stijlelementen en maken er ondanks die variatie een consistent geheel van. Goeie muzikanten, goeie gastmuzikanten, en ook een goeie stem: Anneliese Pardo (samen met Stephan Brodbeck ook actief in de hillbillyband Devils & Soehne) zingt beheerst waar nodig, op tijd en stond uitbundig, grommend indien vereist, als het moet uit volle borst(en), en op eenvoudig verzoek schreeuwt ze vol overgave de ziel uit haar lijf. Allemaal positief, en dat voor een CD met meer dan een kwart blues invloed! Heb ik dan helemaal geen kritiek op deze CD? Euh... Nee, eigenlijk niet. Meer zelfs: dit is een regelrechte aanrader! Info: www.part-records.de, www.boozebombs.de en www.myspace.com/theboozebombs (Frantic Franky)

naar boven

(reclame)



16 juni 2011

STRINGS ‘N’ STRIPES/ THE BASEBALLS
Music Warner Group, 5052498-5745-5-1 Dutch Edition

Ook al is de albumtitel een parodie op stars and stripes, er zijn geen vioolorkesten (strings) als begeleiding te horen. Dus dat scheelt weer, maar waar de titel dan wel op slaat? Het grote ‘mystery’, iets wat we in nóg twee songs tegen zullen komen. Deze drie Berlijnse gasten zijn inmiddels al niks nieuws meer onder de popabilly zon. Voor de één zijn het de geliefkoosde baseballetjes, voor de ander de gehate soepballetjes (omdat ze het niet veel soeps vinden wat het drietal brengt).
Niettemin, dit album is een stuk rockiger en meer vintage nog als hun debuutalbum Strike. Het CD-doosje heeft afgeronde hoeken, wellicht een voorfase van de uiteindelijke ronde CD om hun naam Baseball wat meer cachet te geven? Het booklet (in true vintage stijl) is, wat je de laatste tijd niet meer zo gewend bent bij majors (grote platenmaatschappijen), pompeus uitgevoerd en bevat de lyrics ofwel songteksten om eens lekker mee te neuriën voor de spiegel. Vroeger wilde men Elvis uithangen voor deze glanzende wanddecoratie, de jochies en meiden van anno nu willen wellicht een Baseballetje zijn. Hoe dan ook, het trio weet (gesteund door een muziek-reus als Warner) de eigentijdse rock ‘n’ roll, met knipoog naar revival en vintage, de tot scene-muziek verwelkte rock ‘n’ roll nieuw leven in te blazen voor het grote publiek. Daarbij is een flinke vette portie commercie helaas onvermijdelijk. Zo, nu hebben we de knuppel (die onontbeerlijk is bij baseball) in het rockige hoenderhok van de die-hards gegooid. De gezichtscrème-billies, die hun manier van rocken als voc ’n’ roll presenteren, zijn door hun grote sigaarpaffende baas ‘mister Warner’ met een slimme marketingtruc in de buitengebieden van Duitsland gedropt. Daartoe behoort ook Nederland. Die slimme truc is, dat men blijkbaar in elk land een nummer-1 hit uitzoekt, die men dan covert. In ons kikkerbillies landje is de keuze gevallen op Het Is Een Nacht van Guus Meeuwis. De cover is zeer verdienstelijk omgezet naar een rock ‘n’ roll-melodie en –ritme met de originele Guus als vierde Baseball erbij. Moet een raar gezicht zijn: Meeuwis met een vetkuif, haha. Wellicht dat de Brabander, onder contract bij de andere major Universal, nooit gedacht had ooit een Engelse rockige versie uit te brengen met drie Duitse jonkies in baseball jasjes. Guus zingt samen met de Duitsers én we horen de Baseballs eventjes fonetisch in het Nederlands zelfs, geinig. Dit nummer is het geweldige sluitstuk van het album: een aanrader! (ook al heeft het aardig wat weg van Umbrella, iets wat helaas bij teveel songs hier het geval is).
Het album wordt geopend met wat geleuter van Scott Mills, een of andere pipo van de BBC-radio. Dus ook als je Baseballsfan bent, wordt het toch minstens één keertje skippen als je de CD afspeelt! Het suikerzoete Candyshop gaat erin als koek: het trio klinkt hier wat als de revivalversie van Rocky Sharpe & The Replays. Not A Girl, Not Yet A Woman is al iets moderner, ook al heeft het een wat latere Elvis touch. In Hello rocken Basti, Digger, Sam bijgestaan door hun eigen band, bestaande uit pianist Jan Miserre (zijn pianospel is overigens geen misère), Klaas Wendling (verticale bas), Tomas Svensson op drums en gitarist Lars Vegas er lustig op los. Het nummer heeft overduidelijk elementen in zich van I Get Around van de Beach Boys. Je hoort dat de band toch wel iets heeft met vintage rock ‘n’ roll, want muzikaal komen we daar regelmatig voorbeelden van tegen op dit album. Overigens viel ik bijna van mijn stoel om de naam van Axel Praefcke op drums en tevens producer op een enkele opname te zien. Deze door en door hepcat (bekend van Round Up Boys, Cherry Casino & The Gamblers) betrokken bij een commercieel project van de Baseballs?! Jullie auteur heeft diverse malen in zijn studio in Berlijn gestaan en daar is alles (behalve wij zelf) true vintage. Zo zie je maar. Trouwens de naam Lars Vegas klinkt de één of andere trouwe Boppin’ Around-lezer wellicht ook bekend in de oren. We hebben zijn album Küsse, Jeans & Rock ‘n’ Roll in 2010 beschreven. Voor Bitch heeft inmiddels opa Rocky Sharpe met zijn rollator-Replays onmiskenbaar model gestaan. Wat je vaak ziet bij hits, is dat men op een opvolgend album een nummer opneemt in de stijl van een eerdere hit, dat geldt ook voor deze song, dat in het refrein toch wel aardig wat weg heeft van Umbrella, hun grote hit. Voor het intro diende overigens Elvis’ Mystery Train als voorbeeld. Quit Playing Games ligt ook enigszins in die lijn. Paparazzi, eveneens een echte Umbrella-kloon, een nummer over de ouwenwijvenbladen-fotografen (iets waar de drie vooralsnog weinig last van zullen hebben), ligt ook aardig in het gehoor. Ghetto Superstar moet wellicht tekstueel aanleunen bij Elvis’ In The Ghetto, maar is een echte highschool rocker, met vleugjes Elvis erin en heuse Shadows guitarlicks á la Man Of Mystery. California Gurls heeft een gitaarbeat die meer weg heeft van Chiffons’ Sweet Talking Guy dan California Girls van de Beach Boys, terwijl de zang een behoorlijk eigentijdse touch heeft (geen Beach Boys). Hard Not To Cry ademt een overdosis (kan dat?) 50’s zwarte doo-wop uit, mooi. Lekker swingen in uptempo rocker Coming Home. Meer hoef je daar niet van te vertellen, behalve dan nog dat het refrein gewoon een wat meer vintage klinkende kopie is van Umbrella. Tik Tok, nee dit keer eens geen Rocky Sharpe, gaat ook weer in de richting van Umbrella, maar dan met een wat ander ritme, het begint wel wat te vervelen. Follow Me is weer een nummer dat iets van Beach Boys heeft in de intro (California Girls) en in de achtergrond zang. Voor de rest is het gewoon Sharpe doo-wop. Miami kon wel een misplaatste kloon van Joe Kotser’s Summer In The City zijn.
Het kan je niet ontgaan dat de revival-doowop, met name van Rocky Sharpe, en de Beach Boys met een vleugje Elvis als inspiratiebron hebben gediend. Als je hiervan houdt zal je spaarvarkentje graag in de modder gaan rollen en je zult het niet eens erg vinden dat die zijn roze jasje vuil heeft gemaakt. Voor de rest vind ik het wel jammer dat maar liefst vijf van de vijftien songs een kloontje zijn van hun grote hit Umbrella. Iets teveel van het goede, want nog nooit eerder in de rock ‘n’ roll-historie is een kloon net zo’n grote hit geweest als de originele hit! Info: www.thebaseballs.com (Henri Smeets)


SPECIAL/ THE JAILBIRDS
Part Records, 694.001

In 2006 tijdens de teddyboymeeting kreeg ik backstage, toen ik met Lou Cifer & The Hellions praatte, een promo (Layla) in de handen geduwd (ik had liever de jonge dame zelf in de handen gehad) van een voor mij totaal onbekende band. Ik dacht: zal wel een nieuwe band zijn die wat promo zoekt in Nederland. Tja, deze ‘nieuwe’ band uit het Ruhrgebiet in Duitsland bestond toen al 10 jaar! Slik. Nu dan de recensie van hun album, Special, dat een overzicht bevat van hun repertoire (genomen van diverse albums) uit de afgelopen 15 jaar.
Ik ben niet gauw in extase te krijgen met een cover, maar Martin Manneck (vocals, akoestische gitaar), Lutz Berkenfeld (drums), Marcel Strohm (slappin’ bass) en Lele Lugusi (voorheen Maico Masjosthusmann van Junior Marvel & The High-Flyers op drums (!) en Mark Braunen) laten Elvis vol-le-dig verbleken op Viva Las Vegas. Kan dat? Ja, dat kan! Oordeel zelf! Zoals heden ten dage de Baseballs hedendaagse hitkrakers ver-rock ‘n’ rollen, zo doet deze band dat met oude krakers als Light My Fire van The Doors (en later ook nog Summerwine (Hazlewood/ Sinatra) om me even tot deze voorbeelden te beperken). Waanzinnig goed, deze opzwepende rocker. Flikker je hippiejurkje en jointjes in de prullenbak… now it’s greaser time! Hoe kan het toch dat ik nog nooit eerder van deze band gehoord had! Eric Clapton’s Layla (hier een rockabillystomper), met Martin stemmatig als een Mark Knopfler met vetkuif klinkend, wordt gevolgd door teddyboyzweper Blue Blue Day. Dan een van de potgerukte goede verrassende rockabillyversie van Brian Hyland’s Sealed With A Kiss. She’s Gone uit 1999 klinkt als de ongeboren Baseballs. Tedsharten gaan weer sneller kloppen met As Long As I Live en Boppin’ Rosalie. Wat opvalt is de enorme variatie in de songs. Dat toont vakmanschap. Al helemaal als we in het gezongen Number One warempel de instro-kant opgaan met gevoelige Shadows guitarriffs en een wat zigeunerachtig aandoend ritme (wat we ook kennen van Vaya Con Dios). Cats In The Cradle is geheel andere koek en gaat meer richting de vroege Restless. In die lijn ligt ook My Girl No. 1. Dat de mannen ook met geheimagenten overweg kunnen laten ze horen in het James Bond achtige Secret Agent Man dat we ook kennen in de uitvoering van de Ventures. Sandra Laurenzis is wellicht de niet vermelde zangeres die het duet zingt met Martin in het nummer Hurt Again, een nummer met een duidelijke Vaya Con Dios inslag. Drapes vliegen weer bij Faith. Maar zelfs voor die teds zal de teddyboyversie van Elvis’ Good Luck Charm wat vreemd in de oren klinken met veel teveel echo op de zang, waardoor het aandoet als een amateuropname door de nadrukkelijke aanwezigheid ervan, jammer. Tornado (als ik me niet vergis is dit de cover van Dale Hawkins’ gelijknamige nummer) is een van de betere teddyboy songs. Dat geldt helaas niet helemaal voor het Restless achtige Spend A View, omdat men om de een of andere wazige reden een trechter voor de mond van de zanger heeft geplaatst (zo klinkt het). Door en door jammer, want het nummer spettert. Teds komen weer op hun kosten in One Eyed Jack. Je blijft smullen met dit album, dat heet een compilatie te zijn van ‘the best and the rest’. Nou laat dat ‘the rest’ maar weg! ‘The best’ zou nog ‘onderdreven’ zijn. Laat je tenen jubelen op de 80’s The Deltas’ Raging Sea kloon Tell Me Why. Als we het over klonen hebben: wat dacht je van Birds Are Back, gitaarmatig in de stijl van Restless. Als we het niet alleen over klonen hebben, maar zelfs over (in dit geval wat mij betreft geaccepteerde) plagiaat, dan horen we in Waterboy niks anders dan een supercoole versie van Gershwin’s Summertime met andere lyrics. Ook onze grote slabbertjesvriend Demis Roussos, de zeveraar uit Athene (die echter in het midden van de jaren zestig reeds in rock ‘n’ roll en beat band The Idols zong!), wordt niet vergeten met Summerwine, dat we ook kennen van Roussos samen met Nancy Boyd, maar het origineel (1967) is van die andere Nancy, Sinatra, met Lee Hazlewood (eigenlijk zelfs nog eerder: van Suzi Jane Hokom en Hazlewood, 1966). Martin en Sandra zingen duidelijk in de stijl van de originele versie, ook al vind ik dat Martin in dit lage zangbereik niet goed wegkomt. Bovendien zingt hij af en toe te geforceerd. Maar de verrockte versie compenseert dit minpuntje meer dan genoeg. That Blue Moon heeft wat weg van Ace Cats’ Katzen Tanzen Durch Die Nacht en een rockabillyversie van Sweet Dreams van The Eurythmics. We gaan weer op de teddyboytour met Never Talked About Me. De ruwe rockabillystomper Gone Away is een mooie afwisseling met Johnny Burnette’s countrysong Midnight Train uit 1960. Het album rockt eruit met het opzwepende Wild One.
Conclusie: één van de beste albums die ik sinds lang heb gehoord. Dit is rock ‘n’ roll tot kunstvorm verheffen! Ze doen hun eretitel “Germany’s Special Hot Rock'n'Roll Band Number One“ alle eer aan. In aanleuning aan de Jailbirds song My Girl No. 1 is my spaarpiggy number one al helemaal in voor een dieetronde! Ab-so-luut! Info: www.jailbirds.de en www.rockabilly.de (Henri Smeets)


TAKE IT OFF/ WILD ROOSTER
Part Records, 693.001

Een groep wilde Vikingers met drapes, zo zou je ze kunnen omschrijven, deze oudgedienden in de teddyboy scene.
Dat wordt je ook al meteen duidelijk in albumopener Sweet Revenge. Eén van de vele eigen compootjes van de hand van bandleader Steve Riot. Als je dit hoort zou je prompt denken dat teddyboy rock ‘n’ roll uit Zweden komt i.p.v. Engeland. Dat beeld blijft ook zo gedurende het beluisteren van het hele album. Ruwe stompende opzwepende nummers, zoals je die ook niet anders mag verwachten uit die scène. Steve Riot alias Stefan Jägermyr (vocals, ritme gitaar), Kim ‘Little Joe’ Amberg (lead gitaar), Lars ‘Boogie Man’ Wermlund (basgitaar) en Christian ‘Crazy Chris’ Björkman bevolken Wild Rooster en hebben samen met Duitser Lou Cifer (van Lou Cifer & The Hellions) nog het side project Barnyard Devils sinds eind 2009. Steve heeft ook met legende Bob Burgos samengewerkt en als ode aan hem staat Bob’s song Ride On Rebels op het album. Ook Lars heeft met Bob samengewerkt en beiden, Steve en Lars zaten voorheen in Snakebite. Kim zat ooit in The Rockin’ Wildcats. De tweede song van het album is een cover, en wel Kenny Parchman’s uit 1956 stammende Tennessee Zip. Gevolgd door een Crazy Cavan achtige Demon Riders van de hand van Steve himself. Wederom een cover nu, maar ditmaal van Gene Summer’s Fancy Dan uit 1958, geschreven destijds door bandlid en medeoprichter van zijn Rebels: James McClung. Forever Ted (dit soort songs zijn bijna plicht in dit rock ‘n’ roll subgenre), The Only One (weer een Crazy Cavan kloon), Sisters In Crime, Motorbike, Won’t Waste My Time en Southern Rose laten horen dat Steve niet voor niets al jaren een teddyboy is! Lars is verantwoordelijk voor de titelsong Take It off, een geslaagde slow voortkabbelende tedsong. Hank Ballard’s Tore Up (dat we ook kennen van een jonge Sleepy LaBeef) is hier in een echte teddyboy drape gestoken. Cool. Raw Deal van Quinton Claunch (Junior Thompson & The Meteors, 1956) is andermaal een pittige cover.
Al met al een album waarvoor je je spaarvarkentje in strakke rok, graag laat stoeien met de wild rooster (wilde haan) uit het hoge noorden. De band heeft zelf een wat leeg aandoende website (www.wildrooster.se), die ook in een Noorse variant bestaat (www.wildrooster.no), maar daarnaast ook een wat meer gevulde fanclubpage:
http://wildroosterfanclub.weebly.com (Henri Smeets)

naar boven



5 juni 2011

15 SMOKING TRACKS/ THE RAGTIME WRANGLERS
Sonic Rendezvous Records, SRV 057

Tweede CD van The Ragtime Wranglers, en dat werd tijd want hun solodebuut Groove A Tune dateert ondertussen ook al van 2005. Met ‘solo’ bedoelen we uiteraard zonder Miss Mary Ann, en dat de heren ook zonder haar hun, euh, mannetje staan bewijzen ze veelvuldig tijdens optredens zonder hun frontvrouw. Tja, je moet iéts doen als je zangeres naar Engeland verhuist, maar je moet natuurlijk wel van goeden huize zijn om instrumentaal een uur lang te kunnen blijven boeien. The Ragtime Wranglers zijn al 20 jaar goed: welke andere Nederlandse band kan zeggen dat ze de vaste begeleiders zijn van ‘50s artiesten van het kaliber Collins Kids? The Barnstompers, ja, die kunnen dat ook zeggen van Sid King en Lew Williams, maar dan hebben we het zo wel ongeveer gehad.
15 Smoking Tracks is volledig instrumentaal en bevat 14 originals van de hand van gitarist Joe Sixpack + één cover, in tegenstelling tot Groove A Tune waar de verhouding zowat 50-50 was. Het muzikale spectrum dat de nieuwe CD bestrijkt gaat breder dan Groove A Tune, want naast de rockabilly die we associëren met The Ragtime Wranglers worden hier diverse andere en minder voor de hand liggende stijlen omarmd. De CD had eigenlijk net zo goed “Variaties Op Een Thema” kunnen heten, want dat is exact wat de Rotterdammers hier doen: hun kijk presenteren op traditionele instrumentale thema’s. Opener Harissa is surf met oosterse en Arabische invloeden, waarbij de gitaar (of correcter gitaren, want op de hele CD heeft Joe Sixpack zich overgedubd) worden vergezeld door een vrolijke tenorsax (Benjamin Herman, bandleader van New Cool Collective en ooit nog bij De Gigantjes) die mee de melodielijn toetert. Red Rod Race is een surfy hot rod instro in Del-Fi stijl (maar dan met contrabas) compleet met de sounds van scheurende race cars. Driving All Night combineert surf met de sound van Britse early ‘60s instrumentals die ook opduikt in Buck ‘n’ Rich, een eerbetoon aan Buck Owens gitarist Don Rich gekoppeld aan de Sleepwalk-achtige non-pedal steel gitaar van Jeremy Wakefield (niet alleen een van de beste muzikanten uit Los Angeles maar ook de man achter de Spongebob geluidjes), maar dan uptempo. Ook de enige cover is surf, Thunder Reef uit 1965 van The Bobby Fuller Four onder de naam The Shindigs (en volgens ons net hetzelfde nummer als Thunder van Bob Taylor & the Counts uit 1958 waarop de latere BFF gitarist Jim Reese piano speelde). Indianen instrumentals krijgen we met Firewater Stomp (op Kawliga leest gestoeld met opnieuw steel), Mojo Bag Bop is hun take op bluesbop rifs, Resaca is een trage sleazy stripper met sax waarin Miss Mary Ann haarzelve twee keer op bijzonder zwoele wijze de titel uitspreekt. The Sky’s Gone Out is een sobere melancholische semi-akoestische Chet Atkins-stijl fingerpicker met extra mandoline (Jeroen Jongsma die opduikt in elke rootsband waarin zijn instrument getolereerd wordt, eerder was ie al te horen bij The Ranch Girls), en ook het reflectieve Lullaby For Louis is een dromerige fingerpick melodie. Helemaal ver van het Ragtime Wranglers bed zijn filmische nummers als de trage Mexicaanse western surf (denk Ennio Morricone) Sin City Serenade met klapratel, accordeon (Gabriel Gort) die klinkt als een mondharmonica, en een jazzy trompet (Joe Rivera van New Cool Collective, hij toerde in het verleden met het Glenn Miller Orchestra door Europa en Japan) die naar mijn bescheiden mening niet echt veel toevoegt aan het nummer. Amor Perdido koppelt die tegendraadse spaghetti surf en jazzy trompet dan weer aan Latino klanken. Niet wat je verwacht van The Ragtime Wranglers, maar het is uitstekend uitgevoerd en werkt wel degelijk. Meer typische Ragtime Wranglers horen we in de Del-Fi-achtige chicken picker The Chicken Room (op ska ritme), de stroller op een 12 maten bluesschema The Mexican Standoff (met pistoolschoten), en het Mosrite gitaar + mandoline duet Smoke ‘Em Out in de traditie van de gitaarduels van Joe Maphis & Larry Collins, maar dan met bluegrass invloed. U merkt aan deze opsomming dat we hier heel andere Ragtime Wranglers horen dan we gewoon zijn, als het ware een nieuwe maar zeker niet onaangename kennismaking met een band die duidelijk nog niet het achterste van zijn tong heeft laten zien en horen. Dat het geheel uitermate strak is opgenomen en kristalhelder klinkt hoeft geen betoog.
Ik lees dat er ook een op 500 stuks gelimiteerde 180 gram vinyl versie te koop is, en dat de eerste 250 stuks daarvan vergezeld gaan van een extra vinyl single. Overigens kan je – als je slim bent – deze CD helemaal gratis bemachtigen! 15 Smoking Tracks wordt namelijk aan pers en publiek voorgesteld op 12 juni (Pinksteren) in Rotown in Rotterdam, mét gastmuzikanten Benjamin Herman en Joe Rivera, en DJ James uit Californië complementeert daar het feestje. En het mooie is dat alle kaarthouders (een kaartje kost 10 €) op de avond zelf een gratis exemplaar van 15 Smoking Tracks krijgen. Da’s goedkoper dan de CD achteraf te gaan kopen, want voor je 10 € krijg je dus de CD én een live optreden van The Ragtime Wranglers! Info: www.ragtimewranglers.nl (Frantic Franky)


SONGS OF CALICO/ WHEELS FARGO & THE NIGHTINGALE
Part Records, PART-CD 679.002

Bluegrass is erg populair in Oost-Europa, maar deze Wheels Fargo die in 2008 op de Rhythm Riot (GB) stonden, komen uit Italië. Moest u zich afvragen waarom ze niet Wells Fargo heten: de band kreeg van de advocaten van Wells Fargo & Co, ten tijde van het wilde westen een pony express, nu een financiële multinational, de waarschuwing de naam niet langer te bezigen… The ultimate rocking bluegrass string band, zo luidt de ondertitel van de CD, maar dat is wat ons betreft nog steeds onze eigen Hillbilly/ Blue Grass Boogiemen. Toch is Wheels Fargo ook niet slecht, zelfs misschien nog een tikje authentieker dan The Boogiemen omdat ze enkel en alleen het ambachtelijke bluegrass instrumentarium van banjo, mandoline, akoestische gitaar en contrabas bezigen, dus zonder de drums die The Boogiemen er af en toe bijnemen. De enige percussie hier is het strummen van de akoestische gitaar en occasioneel een wasbord. Op slechts één nummer horen we elektrische gitaar. Nee, het rock ‘n’ roll gehalte wordt verhoogd door de contrabas, doordat ze nogal wat uptempo meezingers zoals Night Train To Memphis of het eigen Victorian Lady spelen, en omdat deze muziek nu eenmaal een van de inspiratiebronnen van de rock ‘n’ roll is. Drie van de groepsleden spelen/ speelden trouwens in rockabillybands. Grootste verschil met The Boogiemen is dat Wheels Fargo een zangeres heeft, met een beetje een weerbarstige stem – volgens mij geeft ze een gilletje als je d’er knijpt. Die stem is niet echt geweldig, maar ze werkt wel binnen dit genre waarin inleving belangrijker is dan stemvirtuositeit. Ook muzikaal is het allemaal wat slordiger dan The Boogiemen, maar de routine die The Boogiemen doorheen de jaren hebben opgebouwd kan geen enkele band nog inhalen, vrees ik. Desalniettemin is dit een feest-CD geworden, door het enthousiasme van de band, door het overwicht van uptempo tracks, en door klassiekers als Rocky Top, Foggy Mountain Breakdown en Cotton Fields, u welbekend van The Beach Boys en CCR. Crazy Arms en tongtwister The Auctioneer (van Leroy Van Dyke) hebben een rock ‘n’ roll link, van House Of The Rising Sun brengen ze een ingetogen versie die tekstueel – vermoed ik – veel meer teruggaat op een oudere versie dan op de ‘60s hit van The Animals. Drie geslaagde (en geinige) eigen songs, daarnaast covers van The Carter Family (Ain’t Gonna Work Tomorrow), Jimmie Rodgers (het jodelende T For Texas), Bill Monroe (Footprints In The Snow en Molly And Tenbrooks) en The Stanley Brothers (Little Maggie). Alles tezamen klinkt het als bluegrass meets Maddox Bros And Rose. Ja, best wel een feest-CD. Info: www.part-records.de, www.wheelsfargoandthenightingale.it en www.myspace.com/wellsfargothenightingale (Frantic Franky)


WHATEVER HAPPENED TO ROCK ‘n’ ROLL/ THE MOJOKINGS
Bad Soul Records, MK001

Garage trash, zo omschrijft dit kwartet uit Essex-Norfolk (GB) de muziek op hun tweede CD (hun debuut verscheen in 2008) en dan weet u dat het aan de ruige kant gaat zijn. Dit is inderdaad het hardere werk, maar geen psychobilly of punk (en ook geen blues zoals je op basis van die mojo zou kunnen vermoeden), eerder een mix van rock en hele moderne rock ‘n’ roll met veel tempowissels én gekoppeld aan contrabas. De eigen instrumental Chet Head wisselt rifs à la Motörhead (en mogelijk ook refererend naar nog andere mij onbekende heavy bands) af met fingerpicking, en tussen het eigen geweld door staan drie covers: Dirty Robber dat me meer doet denken aan de cover van Hot Boogie Chillun dan aan The Sonics (het echte origineel van The Wailers stamt al uit 1959), Teenage Kicks van punkband The Undertones werd hen al voorgedaan door The Go Getters, en ook Paint It Black van The Rolling Stones werd reeds diverse malen gecoverd. The Mojokings breien er een, euh, uitgebreide Mexicaanse intro op akoestische gitaar aan. Het vergde verschillende luisterbeurten, maar een keer de songs er goed inzaten luidde de conclusie wat mij betreft dat dit me qua combinatie van volume en melodie nog het meest doet denken aan de latere Hot Boogie Chillun, en da’s op zich geen mis referentiekader. What happened to rock ‘n’ roll is dat bands als deze Mojokings die muziek weer een dimensie verder sleuren. Voer voor Sjock, te nemen of te laten! Info: www.mojokings.com (Frantic Franky)

naar boven



19 mei 2011

IT’D SURPRISE YOU/ ANNITA & THE STARBOMBERS
Barn Records, BARN CD 104

Tweede CD van onze voormalige Haystack Hitone Annita Langereis en haar Starbombers oftewel The Barnstompers + zangeres, en alle positieve dingen die we schreven over de nieuwe Barnstompers CD gelden ook voor de Annita CD. Toch zijn er wel degelijk verschillen, zo wordt er veel meer gebruikt gemaakt van de lap steel, bespeeld door Kees Stigter (overgedubd: zelfs Kees kan niet tegelijk gitaar én lap steel spelen). Ook de muziek zelf verlegt de accenten: hier krijgen we naast crispy rockabilly in de stijl van bijvoorbeeld het Capitol label en veel shuffles ook swing geserveerd, maar dan swing zoals ie destijds gebracht werd door hele legioenen cowgirls. I Wish I’d Never heupwiegt op een mambo melodie, I Gotta Have You is wat ze vroeger een blues noemden maar eigenlijk een traag rock ‘n’ roll schema is, en we horen zelfs pure crooners. We krijgen covers van Jan Smith, Tennessee Ernie Ford, Loretta Lynn, Hank Thompson, James O'Gwynn, Charline Arthur, Ann Jones en Faron Young, maar mijn favoriet is de pijnlijk mooie Patsy Cline cover Strange, en als ik de CD moet omschrijven zou ik inderdaad stellen dat die helemaal in de Patsy Cline sfeer ligt. Annita heeft een mooie rijke welluidende stem die toch weer anders klinkt dan het half dozijn andere rock ‘n’ roll zangeressen dat Nederland rijk is, en haar stem komt ten volle tot zijn recht begeleid door het vakmanschap van The Barnstompers. Annita’s stem is heel close opgenomen, waardoor het lijkt alsof ze in de huiskamer voor je staat te zingen, al hoor je daardoor ook elke oneffenheid, wat evenwel niets afdoet aan de kwaliteit. Tenslotte is dit echte muziek gespeeld en gezongen door echte mensen. Zie en vooral luister in dat verband ook zeker naar het vijftal duetjes met Kees en met contrabassist Jeroen Haagedoorn. Daarnaast noteer ik perfect samenspel van de instrumenten en verfijnde speelse arrangementen. Sommige CD’s maken bij ons zo snel mogelijk plaats voor nieuwe CD’s die we moeten reviewen, maar deze zal nog lang in de CD-speler kamperen, want dit is puur genieten. Track 17 is een nummer van de nieuwe Barnstompers CD. Info: www.xs4all.nl/~hillbmen/annita/ (al kan die site wel eens dringend een update gebruiken) en www.myspace.com/annitastarbombers (Frantic Franky)


MINUS BLAST OFF/ EASY LAZY “C” & HIS SILVER SLIPPERS
Rock Paradise Records, RPRCD 10

Debuut van de Franse band met leden van Hot Rhythm And Booze, Pete & the Atomics en Little Lou & the Moonshiners van wie we vroeger al een demo bespraken, een demo die pure white rock was Bip Bop Boom van Mickey Hawks, de opener waarmee ze er meteen volle gas invliegen, ligt helemaal in die lijn, maar dit album blijkt meer dan enkel white rock: op Minus Blast Off brengen ze ook black screamers oftewel zwarte schreeuwlelijken (Hole In My Heart van Esquerita) en desperate late ‘50s/ early ‘60s als Curfew van Steve Carl & the Jags dat járen geleden ook op de eerste plaat van onze Tin Stars stond. Nog meer desperate white rock zijn Froggie Went A Courting van Danny Dell, Minus (One) Blast Off van The (maar niet dié) Sonics, My Little Jewel van Bill Taylor & the Clefs, My Car’s Faster van Don Agee, My Mind’s Made Up van The Renowns, en I’m In Love van Glyn Tucker & the Tornados. Andere soorten smerige rock ‘n’ roll horen we in de rhythm ‘n’ blues rock I Had A Dream Last Night van Lonesome Sundown, de ‘60s rock ‘n’ roll van That’s All Right (Mickie Most & the Gear in 1964) en de gitaarinstrumental Ich-I-Bon (origineel van Nick & the Jaguars in 1959, de eerste blanke single op Tamla-Motown), hier een mix van indianen ritmes, jungle exotica en Frolic Dinner met zelfs een vleugje orgel. Enkel covers, inderdaad, maar omdat dat niet de meest voor de hand liggende of bekendste nummers zijn kunnen we daar mee leven. Veel stop-start patronen, en de sound is scheurderig met een distorted gitaar (Chris Almoada opteert hier voor een compleet ander geluid dan op zijn recent door ons besproken solo-CD), in het wilde weg roffelende drums, een contrabas afgewisseld met elektrische bas die daartussenin een stevige fundering legt, en een piano die de pret nog verhoogt. Niets zo geweldig als een vlammende gitaarsolo gevolgd door een vlammende piano solo, nietwaar? Pianist Jean Pierre Cardot heeft echter intussen de groep verlaten wegens ook nog lid van vijf andere bands en is bij mijn weten niet vervangen. Goeie boogie woogie pianisten groeien immers niet aan de bomen. Hoe ze klinken zonder piano? Ik heb ze live gezien en kan getuigen: exact hetzelfde maar dan, euh, zonder piano. Kan tellen qua kennersoordeel, hahaha. Christophe Lazy’s stem is merkwaardig maar past uitstekend in het geheel: net als bij zijn andere band Hot Rhythm And Booze zingt hij niet zozeer maar schreeuwt hij het uit en wringt ie zijn stembanden als het ware rond de tekst om die vervolgens als een natte dweil uit te persen.
Wild debuut van een wilde band! Info: www.myspace.com/rockparadiserecords en www.rockparadise.fr (Frantic Franky)


LOUISIANA SUN/ MAMA ROSIN TOGETHER WITH HIPBONE SLIM & THE KNEETREMBLERS
Voodoo Rhythm Records, VRCD65

Twee Voodoo Rhythm acts die samen een album opnemen: de Zwitserse cajun en zydeco band Mama Rosin en Sir Bald Diddley’s rockabilly/ bluesbop alter ego Hipbone Slim. Een vreemde combinatie, of misschien juist niet: de zwarte zydeco muziek is immers ten zeerste schatplichtig aan en geïmpregneerd met rhythm ‘n’ blues.
De CD opent met een trance-achtige voodoo groove die wij liefst zo snel mogelijk skippen, maar vanaf de tweede track zitten ze op het juiste spoor met traditionele zydeco die constant in dezelfde rhythm ‘n’ blues rif blijft hangen. Helemaal gezellig wordt het als ze in London Zydeco het tempo opdrijven, en vanaf dan brengt de CD naast uptempo cajun een rijke mengeling aan stijlen: swamp pop (Trouble Ain’t Never So Far Away), rockabilly (The Cat Never Sleeps) of nummers die teruggrijpen naar oude blues (Killing Two Birds With One Stone) of zelfs ragtime swing (Quel Espoir), meer vaak dan niet met accordeon en zelfs banjo. De zang is beurtelings in het Frans en het Engels. Hoogtepunt is Louisiana Sun, hun partyversie van California Sun van Joe Jones (1961) en The Rivieras (1963) waarin ze de gitaar vervangen door accordeon. Geen idee of het al eerder is gedaan, maar ’t is een geweldige vondst geheel in de traditie van al die andere rock ‘n’ roll nummers die de cajuns zich toe eigenden. Helaas staat verder op de CD nog een tweede vervelend fusion nummer, maar die twee songs buiten beschouwing gelaten wordt dit na enkele luisterbeurten een boeiend album voor wie op tijd en stond een scheut cajun en zydeco lust, al zal de liefhebber ter zake dit ongetwijfeld al allemaal eerder gehoord hebben. Naar goede Voodoo Rhythm gewoonte ook uit op vinyl VR1265. Info: www.voodoorhythm.com (Frantic Franky)


FAT 41/ THE WIGSVILLE SPLIFFS
Drunkabilly Records, DBR 20052

Alles komt terug: dit is het debuutalbum van het Britse trio The Wigsville Spliffs... opgericht eind jaren ’70! In de jaren ’80 waren ze vaste prik in de Klub Foot psychobilly-/ neo-scene, maar ze brachten toen nooit een album uit. “This is the album we should have released 25 years ago, but it never seemed to happen as we were always giving tracks away for inclusion on compilation albums”, aldus contrabassist Mike Lister op het hoesje, en daar is iets van waar, want al hun tracks op verzamelaars allerhande + onuitgegeven materiaal leverde in 2002 de 16 tracks tellende titelloze Wigsville Spliffs CD op Raucous op. In 2008 kwamen ze opnieuw bij elkaar ter gelegenheid van het Bedlam Breakout psychobilly festival, maar merkwaardig genoeg is originele zanger-gitarist Ian Aitkin (die later The Bus Stop Boys oprichtte) er tegenwoordig om familiale redenen niet meer bij: hij is vervangen door Lee Gocher (in de tijd van de Klub Foot bij The Rapids, en u al dan niet bekend van Lee Gocher & the Sundowners) die toen ik de band in 2010 live zag zijn debuut maakte bij The Wigsville Spliffs en zijn songteksten moest aflezen, wat de schwung van hun set niet echt ten goede kwam. Echt veel indruk maakten ze toen trouwens niet op me, ’t was mij allemaal iets te statisch en te sloom. De 12 nieuwe opnames (om correct te zijn: 10 nieuwe nummers plus heropnames van Highclass Power en I Ain't Lonely No More) zijn simpel, rechtdoor, rechtlijnig (wie er niet van houdt zal zeggen: langdradig), straight to the point en pure basics: neo klonk nooit zo oldschool. Niks fancy, niks ingewikkeld, niets is opgesmukt met gastbijdrages, hooguit is er een slidegitaar te horen of een tweede elektrische gitaar overgedubd. Een nummer of vier zijn gebaseerd op bluesbop rifs, titeltrack Fat 41 slaat op een hot rod en niet op de leeftijd van de heren, Gamblin’ Train is happybilly gebaseerd op een aanzet van Boz Boorer destijds en nu pas door de band afgewerkt. Dit had inderdaad een LP van 25 jaar geleden kunnen zijn. Info: www.drunkabilly.com. Op www.myspace.com/wigsvillespliffsofficial las ik dat er een vinyl versie is op 250 exemplaren. (Frantic Franky)


THE CHRONICLES OF/ THE PUSSYWARMERS
Voodoo Rhythm Records, VRCD68

Op art deco geïnspireerd artwork en een promotekst die jubelt over jaren ’20 Weimar klanken? Moet kunnen: ik heb thuis retro-swing-CD’s die pure charleston zijn. Maar Voodoo Rhythm zou Voodoo Rhythm niet zijn als op de tweede release van deze Zwitserse band niet vele stijlen botsten, en dit blijkt inderdaad van alles en nog wat door elkaar geklutst. Ik hoor Balkanfanfares zoals die heden ten dage verplicht lijken op cultureel verantwoorde en politiek correcte parkfeesten en stadsfestivals, jaren ’30 swing, bibberende oud klinkende hoge stemmetjes, Jacques Brel met elektrische gitaar, Portugese processies en Italiaanse maffia toestanden, vertolkt op instrumenten die klinken als banjo, klarinet, trombone, tuba, cornet en een kermisorgeltje, en één nummer eindigt zelfs met een fade out van jubelende kerkklokken. En hoor ik daar een zweverige theremin? Let wel: dit is een hedendaagse anarchistische interpretatie van die muziekjes, zeker geen intellectuele recreatie. En ik kan begrijpen dat er een publiek voor is: recent zag ik CW Stoneking zijn stokoude blues plegen op prime time televisie. The Pussywarmers zingen in het Italiaans, Frans en Duits, maar meestal in het Engels, wat de toegankelijkheid verhoogt. Met rock ‘n’ roll heeft dit absoluut niets te maken, maar eerlijk toegegeven stoort deze Europeana me niet, uitgezonderd een paar songs waarin ze net iets te lang doordrammen. Maar ja, ik kan me dan ook een hele nacht bescheuren met de Dikke en de Dunne. Al vraag ik me af: rockabillybands halen hun inspiratie uit de fifties, maar waar luisteren deze Pussywarmers thuis naar? Muziek uit de jaren ’10 en ’20? Een Bear Family 15-CD-box met de verzamelde Bauhaus cabaret opnames uit Berlijn pré-Wereldoorlog Eén? Naar goede Voodoo Rhythm gewoonte ook uit op vinyl VR1268. Info: www.voodoorhythm.com (Frantic Franky)


STIR IT UP/ SPELLBOUND
Drunkabilly Records, DBR20047

Alles komt terug: de Ierse psychobilly band Spellbound werd opgericht in 1986 en hun debuutalbum Mystical Madness verscheen in 1988. In 2003 richtten de broers Frankie en Adrian Hayes de groep opnieuw op met nieuwe groepsleden, en sindsdien verschenen A Fistful Of Spells (2005) en Eleven Deadly Sins (2007). Deze Stir It Up is dus hun vierde studio album, en toen ik ze in oktober 2010 op de Old-School Rockabilly Psychosis in Antwerpen zag bleek Spellbound daar een van de beste en energiekste bands. Ik veronderstelde dat de vier types schoenen op het hoesje (creepers, Dr. Martens, baskets en motorlaarzen) symbool zouden staan voor de stijlen op deze CD, maar daar vergiste ik me in. Opener Ballad Of Bobby Kane blijkt uptempo countryrock in de stijl van The Byrds, en het Stephen King-achtige verhaaltje Soulcatcher is rock op ska-ritme. Pas vanaf track drie, Old School Boogie (waarin ze hulde brengen aan de grote namen uit de psycho en ook de “slick rockin’ sounds” van onze eigen Batmobile een vermelding krijgt én de rif van Transsylvanian Express passeert) krijgen we pyschobilly, uitermate professioneel uitgevoerd, gezongen en gespeeld met ultrasnelle slap, rijke arrangementen en veel variatie binnen de songs, maar jammer genoeg ook in een productie die zo gepolijst afgelikt is dat het geheel toch weer afglijdt richting rock. Anderzijds zal wie bijvoorbeeld van Frenzy houdt dit ook wel lusten. De “billy versie” van People Are Strange van The Doors is die naam nauwelijks waardig. Let ook op de teksten: intellectuele psychobilly, het is weer eens wat anders! Je krijgt bij de CD gratis een DVD met hun prestatie vorig jaar op de vierde Psychomania Rumble in Duitsland, maar die zat niet bij ons promo exemplaar. Info: www.drunkabilly.com en www.myspace.com/spellboundmusic. Drunkabilly bracht dit ook op vinyl uit. (Frantic Franky)


EARLY ROCKIN’ - THE REAL STUFF/ BILLY LEE & THE RUGBEATERS
Collector Records, CLCD 4542

Zijn er nog artiesten die nog geen CD-behandeling kregen? Jawel, en Collector heeft er eentje gevonden: nobele onbekende Billy Lee. Eerder stonden op diverse Collector CD’s al enkele tracks van hem, maar we hebben geen flauw idee wie de man is, en de info in de CD-inlay blijft vaag. Zijn echte naam is blijkbaar William Joseph Maska, maar waar komt hij vandaan? Leeft ie nog? Wat heeft ie ooit uitgebracht? En het belangrijkste: van wanneer dateren deze opnames? De enige concrete aanwijzing is zijn LP Pay To Play, en die zou volgens de Cub Koda fanclub uit 1985 stammen. De Cub Koda fanclub, inderdaad, want die in 2000 op 51-jarige leeftijd overleden muzikale duivel-doet-al speelt gitaar op 8 van de 13 tracks op die LP, geperst op 300 exemplaren, zo lezen we hier. Daaruit concludeer ik dat de 26 tracks op deze CD wellicht in de jaren ’70 of ’80 zijn opgenomen. Ook nummers als de Sun Records tribute Gonna Boogie Tonight of Play To Play (volgens mij een tikfout op het hoesje: moet dat niet Pay To Play zijn?) over “goin’ all the way” wijzen daarop: dat soort liedjes werd in de jaren ’50 niet opgenomen. De Pay To Play nummers staan hier niet op, wel live en “one man band” opnames, al klopt dat laatste strikt genomen niet: een éénmansband bespeelt verschillende instrumenten tegelijkertijd, terwijl het hier gaat om nummers waarbij Lee alle instrumenten zelf overdubde. Het resultaat, op zijn eentje of met The Rugbeaters, is medium tempo voortkabbelende rock ‘n’ roll die inderdaad erg ‘70s klinkt. Alle songs zijn zelfgepend uitgezonderd Look At That Moon (Carl Perkins) en Baby Baby (Curtis Johnson). Van vijf nummers staan er na mekaar twee versies zodat je kan vergelijken hoe ze evolueerden of hoe Lee op z’n dooie eentje of samen met zijn band variaties uitprobeerde. De meeste tracks zijn vrij rustig en niet al te wild, al gaat bijvoorbeeld Midnight Rockin’ meer richting revival rock ‘n’ roll en is A Cadillac Ride pure rockabilly. If I en Hey Now Baby zijn dan weer melodieuze countrybilly. Veel nummers zijn rechtlijnig, lang en tamelijk repetitief, maar ze blijven leuk en aanstekelijk. Een aantal songs zijn op dezelfde leest geschoeid en gebruiken steeds dezelfde rifjes en ritmes alsof Lee muzikaal vrij beperkt was, wat misschien niet mag verrassen bij opnames van iemand die zelf alles inspeelt. Toch horen we een aantal interessante structuren, stop-start ritmes en typische revival akkoordenbuigingen. Bij een aantal nummers is er geen gitaarsolo: die worden opgevuld door wat geneuzel op mondharmonica of de ritmegitaar die gewoon het melodieschema rondspeelt. De stem klinkt soms als Jackie Wilson, soms als ‘70s Elvis, en meestal als typisch ‘70s revival. Sommige nummers klinken alsof ze zijn opgenomen op banden waar eerder iets anders opstond. Ook dat heb je met huis-, tuin- en keukenvlijt. De rock ‘n’ roll geschiedenis dient op basis van deze CD niet herschreven, maar het geeft wel een mooi beeld hoe sommige mensen helemaal op hun dooie eentje en verstoken van enige vorm van succes of erkenning onverstoord hun eigen ding bleven doen. Deze CD is dan ook het muzikale equivalent van een hobbytentoonstelling. Ik ga alvast op zoek naar de Pay To Play LP, want Lee had/ heeft duidelijk talent en ik ben benieuwd hoe ie klonk met échte muzikanten in een échte productie in een échte studio. Info: www.collectorrecords.nl (Frantic Franky)


naar boven



13 mei 2011

MOVE ON IN/ THE BARNSTOMPERS
Barn Records, BARN CD 103

Derde CD van The Barnstompers die inmiddels 20 jaar actief zijn: het Nederlandse kwartet werd opgericht in september 1991. En zeggen dat dit nieuwe album langverwacht is is een understatement, hun vorige CD Western Rhythm dateert van 2002! Kwaliteit is voor The Barnstompers altijd belangrijker geweest dan kwantiteit, maar Move On In was het wachten meer dan waard: perfectie bestaat niet, maar dit komt aardig in de buurt. Belangrijkste verschil met hun vorige releases is dat dat Move On In heel sixties klinkt... sixties country, that is. Een flink deel van de royale 18 songs is namelijk het soort kalme beheerste medium en uptempo country dat in die gouden dagen eind ’50 begin’ 60 met dozijnen tegelijk aan de lopende band werd ingeblikt door artiesten als Ray Price (Move On In And Stay), Faron Young (I Hear You Talking) of Lattie Moore (Cajun Doll) en dat je een halve eeuw later kan kopen op grote dikke Bear Family boxen. Die “moderne” country wordt hier afgewisseld met rockabilly, western swing en oldschool country zo oldschool dat ie zelfs in de jaren ’50 een half uur na de opname al hopeloos ouderwets was, al lopen die subgenres op deze CD gezellig door elkaar. The Barnstompers doen nog steeds alles zelf, ze nemen op in hun eigen studio en doen zelf de productie, en dat doen ze goed: de klank is kristalhelder en sprankelt als een bergbeekje. Niks fancy, niks wild. Gitarist Kees Stigter’s rijke neusbariton past perfect bij dit soort muziek (let ook op zijn accent: “tired” wordt gezongen als “tarred”), en er staan hier enkele mooie staaltjes duo- en samenzang op. Naarmate de band rijper wordt spelen ze letterlijk minder: contrabassist Jeroen Hagedoorn (die zelf ook één nummer zingt), akoestisch ritmegitarist Jaap Slijk en drummer Rutger Berends spelen geen noot respectievelijk slag teveel: more is immers less, less is more, en eenvoud siert. Opvallend hoe weinig lapsteel hier eigenlijk opstaat trouwens. Slechts twee eigen composities, maar dat is niet erg omdat hier niet de meest voor de hand liggende songkeuze gemaakt wordt, en we dagen iedereen uit die twee eigen songs eruit te halen. Mooie beeldspraak trouwens in Train As Black As Cole. Track 18 is een nummer van de nieuwe Annita & the Starbombers CD.
Move On In is niet zomaar authentieke muziek, dit is artisanale muziek: zoals een meubelmaker liefdevol timmert en zaagt en schaaft tot ie de perfecte kast gebouwd heeft, zo maken The Barnstompers hun countrybilly. Wat mij betreft een van de top CD’s van 2011, ware het niet dat ie vorig jaar al verscheen. Info: www.barnstompers.com (Frantic Franky)


TIRED OF DRIVIN’/ MOONSHINE REUNION
Drunkabilly Records, DBR20051

Langverwachte tweede CD van de Vlaamse band die ongestoord zijn eigen ding doet, en dat ding is door country beïnvloede truckin’ rockabilly. In vergelijking met hun Sex & Trucks & Rock ‘n’ Roll debuut uit 2006 hebben ze een nieuwe steelplayer, en niet de minste, namelijk onze Portugese vriend Jorge Fortunato (zou dat zoveel als Lucky George betekenen?) van 49 Special, die het na al hun optredens in en om Turnhout hier zo bevallen is dat hij gewoon in België is komen wonen en werken. Opmerkelijk: voor deze CD trokken de Moonshine boys helemaal naar Chicago naar de Hi-Style studio van Jimmy Sutton die ondermeer de fantastische CD van JD McPherson opleverde.
De CD opent met de meer dan prima rechtdoor jive rocker I’m Desperate met tweestemmige zang, twee gitaren én... piano! De piano wordt gespeeld door engineer Alex Hall die diverse keren op de CD opduikt en met zijn 88 toetsen net dat beetje extra toevoegt dat soms muzikale wonderen verricht. Na I’m Desperate slaat de CD resoluut een rootsy countryrock richting in met vooral rustige en medium tempo songs, vaak gebaseerd op boom-chick-a-boom ritmes, shuffles en two steps, gekenmerkt door veel twang en een verhalende steel gitaar die echt wel geweldige dingen doet: speelse riedels en geluidjes, mooie melodieuze arrangementen die soms pure western swing worden. De twee laatste nummers tonen een ander aspect van Moonshine Reunion: My Way Or The Highway is een deels in het Spaans gezongen tex mex polka polonaise in de traditie van The Texas Tornados, en El Cid is instrumentale western swing die Zuid-Amerikaanse en Moorse invloeden combineert tot een opgewekt geheel. Moonshine Reunion was ooit de helft van Los Fabulous Frankies en dat zit blijkbaar nog steeds in hun bloed. Kippenvel: hun cover van Dirty Old Town, de oude folk traditional uit begin jaren ’50 vooral bekend in de versie van The Pogues uit 1985. Bij Moonshine klinkt het als Hank III die Hank Williams zingt!
Live rockt Moonshine Reunion tot nader order als de be(e)sten, op hun tweede CD verlaten ze de platgetreden rockabillypaden voor hun eigen persoonlijke americana universum, met als referenties Don Gibson, Dave Dudley, Del Reeves of hedendaags James Intveld, en wat die western swing en steel betreft Spade Cooley en Pee Wee King of hedendaags Jeremy Wakefield. Vrij vertaald: absoluut geen klachten als jongens van bij ons een CD maken die klinkt als het beste uit Austin. Info: www.drunkabilly.com en www.moonshinereunion.com (Frantic Franky)


BACK SCRATCH/ THE BABOONS
Drunkabilly Records, DBR20049

Net als bij Moonshine Reunion werd er bij The Baboons (B) halsreikend uitgekeken naar de tweede CD, vooral omdat The Baboons internationaal echt wel scoren én omdat ze gedoodverfd worden als de opvolgers van The Seatsniffers, een naam waar ze wellicht nooit helemaal vanaf zullen raken. Komt ervan als je dezelfde bezetting met sax hanteert, ongeveer hetzelfde soort rock ‘n’ roll brengt, en je drummer les neemt bij Piet Sniffer. De saxofonist is inmiddels verdwenen uit The Baboons, anno nu is de bezetting gewoon zang-akoestische gitaar, leadgitaar, contrabas en drums. Inderdaad opent Back Scratch met twee nummers die helemaal Sniffers klinken, want Bungalow en All Set For The Weekend hadden zo uit de koker van Walter Broes kunnen vloeien: zelfde sfeertje, zelfde gelaagdheid, zelfde wall of sound, zelfde repetitieve groove, zelfs gelijkaardige zang, niet zozeer qua klankkleur, wel qua brutale intonatie. En toeteren daar geen saxen mee? Daarna slaan ze echter resoluut een andere richting in, maar waar bij Moonshine een countryrock wind waait dompelen The Baboons zich onder in de rootsblues en wordt deze CD een gumbo van relaxte New Orleans, low down dirty rhythm ‘n’ blues, Tony Joe White swamprock, gospel en zelfs early soul, met piano, mondharmonica, slide en sax (gespeeld door – jawel – Roel Jacobs van The Seatsniffers), een biotoop waarin het wemelt van poultry men, black cat bones, fishbones en mojos. Ik herken covers van Can’t Let You Go (Sugar Pie DeSanto in 1961 op Chess), I Ain't Got You (Billy Boy Arnold in 1956 op Vee Jay) en Everything I Do Is Wrong (Charlie Rich, in 1959 de soulvolste artiest op Sun), en ik hoor een link naar het dramatische van de rustigere nummers van The Blasters.
Net als Moonshine verlaten The Baboons de platgetreden rock ‘n’ roll paden, maar zij verkennen het terrein waarin al die alternatieve en hooggeprezen retro bluesbands furore maken. Da’s misschien een richting waarin een aantal rockabillies hen niet zullen volgen, maar het strekt bands tot eer dat ze evolueren in plaats van zichzelf te herhalen. Hoewel de schaduw van The Seatsniffers nog steeds ten dele over deze CD hangt, stappen The Baboons zelf in het zonnetje en doen ze tot spijt van wie’t benijdt hun eigen ding met die Sniffers erfenis, en voorlopig legt hen dat geen windeieren. Kempenzonen go New Orleans, met als enig nadeel dat dit weer zoveel extra publiek gaat aantrekken dat ik niet meer op de eerste rij kan staan. Drunkabilly bracht dit ook op vinyl uit (zij het met twee songs minder), wat me gelijk de vraag doet stellen: waarom Moonshine Reunion niet? Info: www.drunkabilly.com en www.myspace.com/baboonstheband (Frantic Franky)


THE BODYBAGS/ THE BODYBAGS
Tombstone Records, TOMB-CD 2092

Psychobilly is niet onze doelgroep, maar voor psychobands uit eigen land maken we graag plaats omdat we weten dat heel wat van onze Boppers die moderne vorm van rock ‘n’ roll toch leuk vinden of op zijn minst tolereren. Het prille begin van de uit Arnhem afkomstige Bodybags situeert zich in 2006, en ze brachten in eigen beheer de CD Going Wild uit, door de band zelf omschreven als “een enorme kut-CD aangezien we die thuis opgenomen hadden”. Sindsdien zijn ze gereduceerd tot een kwartet: na het vertrek van zanger Nik nam contrabassist Ramon ook de zang voor zijn rekening en daarmee lijken The Bodybags hun definitieve configuratie te hebben gevonden, te oordelen naar de kwaliteit en volwassenheid die ze tentoon spreiden op deze eerste officiële CD: 11 korte kopstoten van mokersongs met supersnelle contrabas en drums en stijlelementen afkomstig uit punk, speedrock en zelfs The Ramones, met refreinen die je met gebalde vuist kan meezingen tijdens het wrecken. Wat mij betreft 100% pure pyschobilly, aangevuurd door de rechtlijnige vastberadenheid van de jeugd. Als je een beetje into psycho bent lijkt het me sterk dat je The Bodybags nog niet zou kennen want ze hebben al op zowat elk pyschobilly festival in Nederland gestaan en geopend voor alle grote namen in het genre, maar moest dat het geval zijn check: www.myspace.com/thebodybags (Frantic Franky)


WILD ROCKIN’ WITH VOCAL BACKING Volume 3
Collector Records CLCD 4540

Of beter gezegd: early sixties rockin’, want het merendeel van de 26 tracks op deze CD stamt uit begin jaren ’60, zo schatten wij. Dat voel en hoor je gewoon aan de stuwende elektrische bas en de backing vocals. Neem opener Come On Everybody, een teen rocker van het zuiverste water door Phil Orsi & the Little Kings, groepsnaam die misschien verwijst naar de gemiddelde leeftijd van de groep: de leadzang klinkt jong maar gedreven met al het enthousiasme dat ook Ronnie Dawson in zijn tienerjaren kenmerkte, in een snelle interpretatie van de Cochran klassieker met een sax die in de strofes wat zuinigjes meetoetert maar tijdens de solo’s voluit gaat, en voorts veel “come on come on” backings. Backing vocals zijn inderdaad het leitmotief op deze CD, waaronder u dient te verstaan: tijdens de solos veel volk dat er een feestje van maakt in Ooh Poo Pah Doo stijl, hier te horen in een cover van The Pace-Setters. Nog onbekende covers zijn er met een dubbelslag Buddy Holly in That’ll Be The Day (Dave Baucom) en Think It Over (Terry Gale), allebei trouw aan het origineel. Chuck Berry’s Betty Jean verscheen origineel op Chuck’s Rockin’ At The Hops LP uit 1960, dus de versie door Terry Gale moet van later dateren. Van White Lightning blijven maar versies opduiken, en deze hier van Sherwin Linton is naar de gitaar en de mondharmonica te horen ergens uit de tweede helft van de jaren ’60 afkomstig maar zelfs dan is het niet kapot te krijgen. Vocal backing betekent hier ook dangerous doo-wop, wat ons brengt bij nummers als Sassy van S & H Scamps (zwart of blank is moeilijk te beoordelen, maar ’t is in elk geval een meer dan verdienstelijke rocker) en Bom Do Wa van Toby & Ray & the Margilators. Al die vocale hoogstandjes durven wel eens tot gekke toestanden leiden, getuige de Crazy Rock van Carlo & the Cupids. Voorts op deze CD: meerstemmige meezingers (Waitin’ van Jimmy & Mike & the Emjays), teenager pathos (Southern Georgia van Bobby Sharp & the Impressions), Vegas grind (Weirdsville van George Ross & the Red Tops), space age rock ‘n’ roll (het geinige Rocket To The Moon van Bob Roubain), en jungle exotica, ook al mogen The “These & Those” (???) in Come On A-Long n’ Rock nog zoveel over mambo en cha cha zingen als ze willen. Een aantal songs zijn trouwens zo overdreven over the top dat wij ons niet kunnen voorstellen dat ze ooit serieus bedoeld zijn. Eén foutje: Slippin’ And Slidin’ van Barbara Greene (en niet Green zonder -e op het eind) blijkt Long Tall Sally te zijn, ook al staat de labelshot van Slippin’ And Slidin’ afgedrukt in het booklet. Opmerkelijk trouwens dat iemand rond 1962 op single beide kantjes van een Little Richard single van pakweg 5 jaar eerder coverde! Niks mis met die Long Tall Sally, integendeel, wij vinden die backings die kwaken als kikkers ge-wel-dig, alleen hadden we het al en die Slippin’ And Slidin’ nog niet. Conclusie: zet de 16 beste/ rockendste/ merkwaardigste nummers van deze CD op één vinylplaat en je krijgt iets Madness Invasion-achtig. Info: www.collectorrecords.nl (Frantic Franky)

Boek Recensie

THE ORIGINALS – PREQUEL OF THE HITS/ ARNOLD RYPENS
ISBN: 9789090256832, Uitgeverij Epo, Antwerpen (B) (Engelstalig), 604 pagina’s (z/w)

Kijk, dit is nu het soort boek waar ik me uuuuren mee kan amuseren. Normaliter hou ik absoluut niet van boeken over “de muziekgeschiedenis” wegens veel te veel inhoud die mij niet interesseert, te weinig rock ‘n’ roll en al helemaal geen rockabilly. Dit is evenwel geen muziekgeschiedenis. Dit is een naslagwerk, noem het een encyclopedie, die tracht alle originele versies van songs op te lijsten. Veel bekende liedjes blijken immers origineel niet afkomstig van de artiest waarmee je dat liedje associeert.

The Originals ontstond in België in februari 1982 als onderdeel van radioprogramma Domino (toenmalig Omroep Brabant) en zwierf later uit naar Nederland (KRO, Omroep Limburg), West Vlaanderen (Radio 2) en Studio Brussel. Sedert 1992 waren The Originals als dagelijkse column te horen op Radio 1 in Neem Je Tijd en PiliPili. Sinds 2007 is het levenswerk van Arnold Rypens back on the air, wekelijks en in prime time op zondagmiddag van 13 tot 14 uur via L1 Radio, in streaming door iedereen beluisterbaar via hun site www.L1.nl/radio. In de tweede helft van de jaren ’80 verscheen het boek, dat nu aan zijn vijfde editie zit, en dat werd hoog tijd, want de vorige editie dateert al van 10 jaar geleden en sindsdien is er niet alleen veel nieuwe informatie en documentatie boven water gekomen die leidde tot correcties, er diende ook heel veel opnieuw gecheckt te worden, want tegenwoordig mag internet dan wel een onuitputtelijke informatiebron zijn, dat betekent daarom nog niet dat alles wat we daar lezen correct is, als het al niet allemaal van mekaar overgeschreven is. En tenslotte is er sinds 2001 natuurlijk ook weer veel gecoverd, want zolang mensen platen of CD’s of wat dan ook opnemen zal er gecoverd blijven worden. Toch is het niet de bedoeling dat dit boek álle covers opsomt: dat zou ondoenbaar zijn, zeker in onze rockabillyscene waarin élke CD die verschijnt wel een aantal covers bevat. Ik heb het trouwens altijd vreemd gevonden dat buitenstaanders wat neerkijken op de rockabilly omdat die zich vooral bezig houdt met het coveren van ‘50s materiaal. Ik bedoel: in de klassieke muziek doen ze niks anders dan coveren en daar is het grote kunst!

Zoals gezegd: het is niet de bedoeling dat alle originals in dit boek staan, maar toch verzamelen ze er meer dan 11.700, zijnde 5400 meer dan in de vorige uitgave! Dit is dan ook een dik boek: 1,3 kg, 600 pagina’s kleine druk, geen illustraties. Alle 11.750 songs staan alfabetisch gerangschikt en meestal beperkt de info zich tot originele versie, uitvoerder, jaartal en platenfirma + een lijst van covers, af en toe wordt relevante informatie verstrekt betreffende de original: lees er maar eens op na hoe het nu juist zit met Screaming Jay Hawkins’ drie I Put A Spell On You’s die de hit uit 1955 voorafgingen. En dat is het mooie aan dit boek, dat het een ander licht werpt op de dingen. Neem nu Bill Haley, toch algemeen beschouwd als de eerste rock ‘n’ roll ster. Shake Rattle And Roll is van Big Joe Turner, dat weet het kleinste kind, en een heel aantal onder jullie weten ongetwijfeld dat See You Later Alligator van de pas overleden Bobby Charles is. Maar wie kent de originele Rock Around The Clock van Sonny Dae & his Knights, waarvan de tekst dan weer fragmenten overnam van Round The Clock (Wynonie Harris, 1945) en Rock Around The Clock (Hal Singer, 1950). Of de originele Rock A Beatin’ Boogie? The Treniers in 1954, zei u? Nee, nog een jaar eerder The Esquire Boys with Kay Karol, een groep met Bill Haley-gitarist Danny Cedrone in de gelederen! En zo kunnen we een tijdje doorgaan. Rockin’ Bones van Ronnie Dawson? Elroy Dietzel! Let The Four Winds Blow van Fats Domino? Dave Bartholomew in 1955! The Shape I’m In van Johnny Restivo? Kenny Lee Martin een jaar eerder! Train Kept A Rollin’ van Johnny Burnette? Tiny Bradshaw in 1951! Crackerjack van Joe Clay? The Cues! Whole Lotta Shakin’ Goin’ On? Big Maybelle! Ook moderne rock ‘n’ roll covers eisen hier hun rechtmatige eigenaar op: Saturday Night van Crazy Cavan is van Roy Brown uit 1957. Nog leuker wordt het wanneer je dieper de onbekendere regionen induikt: ik dacht altijd dat Café Zonder Bier van Bobbejaan Schoepen Pub With No Beer van de Australische cowboy Slim Dusty uit 1958 was, maar nu blijkt er een twee jaar oudere live versie ontdekt vertolkt door componist Gordon Parsons zelf, opgenomen door een fan tijdens een Slim Dusty show. Wie deed de eerste Orange Blossom Special? Russell Wise & Mr. White in 1936 onder de titel Train Blues. Hoe zit het met de Griekse, Egyptische en Armeense roots van Dick Dale klassieker Misirlou? Weetjes, weetjes, weetjes: de blinde Leon Payne schreef de killer country klassieker Psycho nadat hij Hitchcock’s gelijknamige film “zag”. Love Me Tender gaat terug op een folkballad uit de jaren 1860. En natuurlijk spoort The Originals mij aan op zoek te gaan naar onbekende covers, zoals Surf City door De Fouryo's en in de Franstalige versie Deux Fill's Pour Un Garçon van de Belgische rock ‘n’ roll held Burt Blanca (allebei 1963), of This Ole House (niet van Shakin’ Stevens uit 1981, niet van Rosemary Clooney in 1954, maar van Stuart Hamblen in datzelfde jaar 1954) in de Nederlandse versie Onze Flat door Alexander Pola & Henk Dorel. En zo zou ik hier nog veel te lang kunnen doorgaan, maar die tijd spendeer ik liever in mijn luie zetel met dit boek, dat uiteraard ook heel veel niet-rock ‘n’ roll bevat, maar zelfs dat vind ik interessant om te lezen. You can’t judge a song by its cover.

The Originals heeft ook een website, www.originals.be, maar net zoals een aantal onder jullie nog steeds de gedrukte Boppin’ Around verkiezen boven de internet versie, zo blader ik liever in dit boek, bij www.epo.be te bestellen à 30 €. Overigens is deze vijfde editie de eerste die volledig in het Engels is. (Frantic Franky)

naar boven



21 april 2011

SHAKEDOWN/ THE CAEZARS
Wild Records, geen cat. nr.

The Caezars zullen de geschiedenis ingaan als de eerste en voorlopig enige Britse band die een CD opnamen voor Wild Records, het label uit Los Angeles gespecialiseerd in, euh, wilde rockabilly. Ze zijn zowat dé sensatie van 2010, worden overgevlogen naar elk festival in Europa, en speelden bij ons in de Cruise Inn in Amsterdam. Ik zag ze één keer en vond de hype overroepen: piepjonge kereltjes die het meer moesten hebben van veel show dan van hun kunde, en veel sixties rifjes op de gitaar. Op CD valt dat reuze mee: die sixties invloed is helemaal afwezig en zelfs de Sonics cover Dirty Robber klinkt fifties white rock. Gek genoeg doen de meeste songs me aan Roy Orbison op Sun denken, niet qua stem, wel qua structuur en opbouw, en wie ik ook in The Caezars hoor zijn de Britse jaren ’90 band The Rough Diamonds: dit is hetzelfde soort agressieve gitaarrock ‘n’ roll. Dit laatste mag niet echt een verrassing heten, want Caezars gitarist Danny Dawkins blijkt de zoon van Rough Diamonds frontman Paul Owens, sinds een ongeval in 2003 verlamd. Eén nummer is gepend door Owens, Get Lost You No Good Creep, en aangezien ik dat niet ken neem ik aan dat hij het speciaal voor The Caezars schreef. Terzijde: eerder verscheen al een vinylsingle met twee onuitgebrachte tracks uit 1994 van The Rough Diamonds op Wild. De 14 songs van The Caezars worden er op deze CD in exact 30 minuten doorgejaagd, dus het gaat vooruit. Wild CD’s gaan niet alleen snel vooruit, ze worden ook snel opgenomen, en dan weet u dat de opnamekwaliteit niet echt primeert, met als resultaat een rammelende mix waarin de zang af en toe op het randje is en de gitaar tijdens de solo’s soms inzakt wegens niet luid genoeg. In het begin is dat even wennen, maar na een paar luisterbeurten zie (of beter hoor) je licht in de duisternis en blijken hier uitstekende eigen songs op te staan als Six Feet In The Ground, Shakedown, I Told You, Sitting At The Top en het instrumentale Hail Caezars. Bij de covers staan geen componisten vermeld (is dat niet meer verplicht?) maar Pretty Jane is van Mark Robinson, en Mad Man: geen idee, in elk geval is dit niet de Mad Man van Jimmy Wages op Sun. Op een paar nummers rammelt Victor Mendez staccato mee op piano.
Een typische Wild Records release zullen we maar zeggen, en misschien vind ik The Caezars live wel beter nu ik de songs ken van de CD. Info: www.wildrecordsusa.com en www.myspace.com/thecaezars (Frantic Franky)


LIES LIES LIES/ LI’L LUIS Y LOS WILD TEENS
Wild Records, geen cat. nr.

Een nieuwe CD van Li’l Luis y Los Wild Teens? Ik wist geeneens dat die nog bestonden, want ik hoor de laatste jaren enkel spreken over Luis & the Wildfires en over The Dragtones, merkwaardig genoeg een groep Zweden waar Luis Arriaga ook bij zingt. Alleen komen een vijftal songtitels op Lies Lies Lies me opvallend bekend voor... Wat blijkt: “deze CD werd opgenomen omdat er weinig opnames zijn die de live energie en herrie van Li’l Luis y Los Wild Teens vastlegden”. Nou, verzamel dan al hun losse songs van compilaties en singles op één CD of breng gewoon de full-CD Rip It Up van 2003 opnieuw uit, zou ik zeggen, in plaats van vijf songs van die CD opnieuw op te nemen met een half nieuwe bezetting: enkel Luis zelf en drummer Angel Hernandez zaten constant in Los Wild Teens, contrabassist Alex Vargas deed mee op die CD uit 2003, en gitarist Carlos Gomez en elektrisch bassist Omar Romero maakten dan weer op een ander moment deel uit van de band die voor zover ik weet vijf jaar terug splitte. De CD bevat “songs die ik in geen 10 jaar gezongen heb, songs die ik constant heb gezongen sinds 1998, songs die ik nooit opnam en live favorieten”, in concreto dus heropnames van vijf songs van de CD uit 2003, van Shake Shake dat eerder op de Wild compilatie The Wildest stond, van de stroller La Rebeldona dat in 2000 op een Wild promosingle stond, van La Fiesta Esta De Ambiente en Lies Lies Lies die in 2005 in Japan op single verschenen, en van Live It Up dat in 2006 in Japan op een split-EP met The Rizlaz stond. De andere songs zijn nieuw, althans voor mij.
De stijl kennen we: wilde rechtdoor early ‘60s gitaarrock die geen gevangenen maakt: met slechts twee medium tempo nummers is alles geven hier de boodschap. Luis is een beter performer dan zanger, en de zang is hier inderdaad bij momenten gewoon kapotgeschreeuwd: Wild Records kennende is de hele CD vermoedelijk opgenomen in één namiddag terwijl de alcohol rijkelijk vloeide. Het gaat nog sneller dan The Caezars (12 songs in 24 minuten), en de sfeer is zoals vaak op dit label belangrijker dan de kwaliteit. Vijf van de 12 songs zijn gezongen in het Spaans, componisten staan niet vermeld: “alle songs geschreven door Luis Arriaga, uitgezonderd de songs die hij niet schreef”... Ja, zo kunnen wij het ook. Covers zijn in elk geval Rip It Rip It Up (Florian Monday), Little Lil (Mel Dorsey) en Live It Up (Wilbur Martin & the Sundowners), en dan weet u uit welke Desperate, Buffalo Bop en White Label hoek de wind waait. Mucho Amor is Lotta Lovin’ van Gene Vincent in het Spaans (best geinig), Whole Lotta Shakin’ Goin’ On is onherkenbaar als de gitaarrocker La Fiesta Esta De Ambiente van de Mexicaanse groep Los Sonámbulos uit 1960. White rock gemaakt door Mexicanen, het is weer eens wat anders.
Misschien is dit een overbodige release, maar zeker geen slechte release voor wie Luis & the Wildfires te sixties vindt... Op basis hiervan kunnen Li’l Luis y Los Wild Teens wellicht naar Europa overvliegen voor een paar festivals, en zo blijft de wereld draaien! Voor de rest is dit het lelijkste hoesje dat we in lange tijd onder ogen kregen. Info: www.wildrecordsusa.com en www.myspace.com/lilluisyloswildteens (Frantic Franky)


CAN’T LIVE WITHOUT ROCKIN’
Collector Records CLCD 4539

En toen kwamen er uit het niets plots vier nagelnieuwe Collector CD’s! Cees Klop ging toch stoppen met zijn label toen hij stopte met zijn échte job? Volgens ons kan Cees daar bij die molen zelf ook niet leven zonder te rocken en heeft ie nu gewoon nog meer tijd om zijn onwaarschijnlijke verzameling singletjes te beluisteren en te ordenen! Het resultaat is zoals steeds meer dan de moeite waard voor de ware collectors onder ons, dat wereldwijde netwerk van mensen die obscure singles koesteren, matrixnummers bestuderen en discografieën van piepkleine lokale platenlabeltjes proberen in elkaar te puzzelen. Collector CD’s zijn namelijk niet zomaar lukraak samengesteld met public domain opnames van meer dan 50 jaar oud, lees: gewoon gejat en gekopieerd van andere CD’s. Collector is detective werk! Wie waren Norman Juliano & the Realistics? Werd er in de jaren ’50 gerockt in de Filipijnen, zie Jose Mari & his Electro-Maniacs op het JMG label uit Manila?
Deze Can’t Live Without Rockin’ is een goeie rock ‘n’ roll verzamelaar geworden (er staat nauwelijks hillbilly op) met alle gebruikelijke Collector ingrediënten: rock ‘n’ roll met piano, zware shuffles, rurale rockabilly, een royale portie instrumentals, een space song (Rock Rock Rocket Ship van The Rockers met doorheen de gitaren iets wat een elektrische mandoline lijkt), uit verlatingsangst opgetrokken teen rockers (Who’s Gonna Hold Your Hand nu ik naar de universiteit ga van Danny Dalton), twisten die geen twist maar rock ‘n’ roll zijn (al is de saxsolo in Bowling Twist van Sam Thomas & the Valeneers wel degelijk twist), namen waarop je de dag van heden geen carrière meer zou kunnen bouwen (de Frank Gay Five met Little Richard’s Lucille als heavy stroller), één bekende naam (Troy Shondell met een early sixties Come On Everybody), en covers zoals je ze nog nooit gehoord hebt (Clarence Frogman Henry’s Ain’t Got No Home door The Outlaws). Al moeten we de puntjes op de i zetten: de Go Johnny Go hier door een “unknown singer and band” is volgens onze bescheiden mening niet Go Johnny Go maar Johnny B. Goode. En hoe zit het met die previously unissued The Lowest Man door weer een andere “unknown singer”? Ik weet zeker dat ik dat nummer jaren geleden al heb gehoord, maar verdomd als ik me titel en uitvoerder herinner.
Als je de bekendste/ beste/ boppendste rockabilly songs zoekt, moet je Collector niet kopen. Als je interesse uitgaat naar het ultra zeldzame spul is Collector een schatkamer, ook al zijn verschillende van de 30 nummers al gecompileerd op diverse andere verzamelaars. Mijn hoogtepunten zijn de melodieuze countrybopper inclusief backing vocals en twangy gitaar Free As A Breeze van Carmol Taylor, de instrumentale early ‘60s gitaarjiver Don’t Call Me Flyface van The Reekers, de surfy duozang rocker Umm van Ken & Roy (20 keer beluisterd maar nog geen flauw idee waar het nu eigenlijk over gaat), en Goodbye Little Star (volgens de legende geïnspireerd door de dood van Judy Tyler, Elvis’ tegenspeelster in de film Jailhouse Rock) door Kenny Baker die heel wat minder hillbilly klinkt dan de cowboy met fiddle op de foto eruit ziet. Jouw favorieten zijn misschien weer helemaal anders. Info: www.collectorrecords.nl (Frantic Franky)


EARLY ROCKIN’ GOLD
Collector Records CLCD 4544

35 tracks op deze CD, een nieuw record voor Collector Records? De CD begint met een aantal nummers die het best als white rock kunnen omschreven worden (wilde late ‘50s rock ‘n’ roll met veel scherpe gitaar, elektrische bas, een drummer die al roffelend zoveel mogelijk potten en pannen probeert te raken, en de occasionele zwabberende sax), maar al snel komen de vertrouwde Collector ingrediënten om het hoekje piepen: verloren gelopen cowboys met ouderwetse hillbilly, medium tempo gitaarinstrumentals van dertien in een dozijn, alle schakeringen uptempo countryrock van onbestemde data ergens midden tot eind jaren ’60 (Big Deal van Frank Durbin is hoe The Maddox Brothers hadden geklonken eind jaren ’60), covers weggezonken in de plooien van de tijd (Party Doll door Ronnie & the Gamble, een Pipeline door The Ron-De-Voo’s die qua (onbestaande) mix klinkt als een repetitie, een onuitgegeven Wipe Out demo door The Astros), en themaplaatjes over auto’s (In Gear van Buddy Beverly & the Sparkles), kikkers (de gitaar-/ saxinstro Frog In The Fog van The Zircons), sci fi (Count Down van Casey Grams op het Count label inclusief biep bieps en, euh, countdown) en horror (Vampire van The Plaids, een instrumental zonder geluidseffecten of enige vorm van horror die dus evengoed iets als Suzy’s Stroll had kunnen heten). Uiteraard ontbreken enkele ronduit vreemde tracks niet, in casu Davey I’m So Glad It Rained (meidentrio Bonnie & the Treasures bovenop een ragtime piano), het onuitgegeven Hillbilly Rock van The Rhythm Rangers op banjo, of de instrumental Buck Shot waarop The Angels meer naast elkaar dan samen spelen. Hoe onbekend al dit spul is zie je aan nietszeggende groepsnamen als Nothing & the No Names, The Unknowns en The Rhythm Rockers. Dat goud uit de CD titel is wat overdreven, maar Collector recycleert hier wel obscuriteiten die nog zeldzamer zijn dan een eerlijk politicus. Hou er wel rekening mee dat de hi fi kwaliteit van sommige singles doet vermoeden dat ze ooit als schuurpapier zijn gebruikt. Op www.collectorrecords.nl kan je Collector kopen à 10 € per CD en per 8 CD’s krijg je er twee naar eigen keuze gratis bovenop. Info: www.collectorrecords.nl (Frantic Franky)

Boek Recensie

THE STARDAY STORY/ NATHAN D. GIBSON i.s.m. DON PIERCE
ISBN 9781604738308, University Press Of Mississippi (Engelstalig), 265 pagina’s (z/w)

Met deze recensie wil ik jullie graag een smaakmakend gedetailleerde impressie (ik verklap echt niet alles) geven van een boek dat zeker meer dan het lezen waard is, ook al zou je alleen maar school-Engels beheersen. No problem! Independent labels (onafhankelijke platenmaatschappijen) waren, en zijn het nog steeds, heel belangrijk in de muziekwereld. Niet alleen grote namen en majors (grote platenlabels) houden een genre overeind, juist die talloze kleine independents met relatief onbekende artiesten in hun ‘stal’ vormen het draagvlak van een genre. Rock ‘n’ roll in de 50’s was nooit geweest wat het is geworden met alleen maar Elvis en de zijnen, als er geen onafhankelijke platenlabels met artiesten waren geweest. Tot zover mijn persoonlijke noot, die echter wel overduidelijk bevestigd wordt bij het lezen van het boek dat hier besproken wordt.

Het label Starday zal de rockabillies en mainstream rockers niet vreemd in de oren klinken, met een indrukwekkende lijst van klinkende namen als (allen Starday) Sonny Fisher, Link Wray, Tommy Labeff alias Sleepy Labeef, Hal Harris, Rusty York, Sid King, Rudy Grayzell, Link Davis, George Jones, Johnny Bond, Frankie Miller, Bill Parssons (met de komische titel Hot Rod Volkswagen), Hardrock Gunter, Moon Mullican, Pete Drake, Lattie Moore, Joe Maphis en Texas Tyler, (allen Dixie) Benny Joy, Groovey Joe Poovey, (Cannon) Hi-Tombs en (Red) Red Moore. Deels ook country-artiesten die, al dan niet, met de komst van de rockabilly trachtten (soms met tegenzin!) ook dáár een graantje van mee te pikken. Dus dit label omschrijven als een countrylabel is zeker niet correct. Ook al heeft dit label natuurlijk een belangrijke rol gespeeld in de country en noemt het zich fier The House That Country Music Build. Maarrrr, dat kunnen ze ook gerust zeggen van rockabilly! Want niet alleen Sun Records stond aan de wieg ervan, zeer zeker ook Starday, dat Sun probeerde te beconcurreren, zoals de indrukwekkende opsomming van bekende namen op het label en haar ‘sublabels’ (feitelijk custom pressings, daarover later meer) laat zien. Met recht wordt Starday, samen met Sun, de ‘rockabilly movers’ genoemd. In het boek staat dan ook aardig wat informatie over de rockabilly op het label vanaf 1954!

Aanvullend op de informatie in het boek: Starday had als opstapje naar het label toe een customfaciliteit, waarbij artiesten hun demo’s konden aanleveren die dan geperst werden op singles met fictieve labelnamen (gewoonlijk delen van de namen van de artiesten of afkortingen of gewoon eigen verzinselen) en bij voldoende ‘buzz’ (interesse vanuit de platenmarkt) werden de artiesten onder contract genomen bij Starday zelf. Voorbeelden van die ‘customlabels’ zijn: Dixie (Osyka, Mississippi) (opm.: Dixie bestond als volwaardig sublabel en had ook een customserie voor merendeels rockabilly), Red (Montrose, Iowa), Rock-It (Port Arthur, Texas), Missouri (Saint Louis, Misssouri), Lincoln (Peoria of Elmwood, Illinois), Cannon (Richmond, Virginia), Hillcrest (Cornelia, Georgia), Fame (Houston, Missouri (!)), Sunset (Tannersville, Virginia), Mystic (Canon City, Colorado) en Hollywood (Madison, Tennessee). Nog eentje vergeten? Vast en zeker. Maar de indrukwekkende platenlijst in het boek vult dit absoluut aan. Daarnaast was er vanaf januari 1957 een samenwerkingsverband met Mercury als Starday-Mercury voor de country en rockabillytak van dit major label. Op dat nieuwe label komen we dan grote namen tegen als Curtis Gordon, Big Bopper, Johnny Preston en Eddie Bond ‘to name a few’.

Nathan D. Gibson neemt de lezer(es) met wetenschappelijke gedetailleerdheid mee op een reis door bijna 58 jaar Starday geschiedenis. Naast dit fascinerende meesterwerk, is er ook nog voor de liefhebbers een meer dan indrukwekkende complete platenlijst van alle Starday (en sublabel en custom) releases, verdeeld over maar liefst 70 (geen tikfout) pagina’s! Slechts enkele platen heeft men niet kunnen achterhalen, maar het zij de auteur meer dan vergeven. Aangezien ik zelf een dergelijk boek ooit heb geschreven, weet ik maar al te goed wat voor monnikenwerk dat is en dat je nooit volledig kunt zijn, omdat vroeger niet alles netjes bijgehouden werd zoals tegenwoordig. De auteur pretendeert overigens niet volledig te zijn, noch qua alle in’s en out’s van de Starday-dagen (dat is ook onmogelijk, hij heeft dan ook interviews, met tal van mensen rondom het label, weg moeten laten, omdat anders het boek te dik werd, jammer maar wel begrijpelijk), noch qua discografie. Interessant is ook hoe de auteur op het idee is gekomen een boek aan dit label te wijden. Zijn inmiddels 82 jarige universiteitsprofessor Rex Trailer heeft destijds samen met Bill Haley & the Saddlemen in 1950 opgenomen en opgetreden, en was vanaf 1956 TV-host voor Boomtown (nadat hij als TV-pionier al sinds 1947 actief was). De goeie wijze man is nog steeds actief en heeft al meer dan 60 jaar TV-ervaring op de rug zitten! Doe hem dat maar eens na! Rex heeft nog tal van platen opgenomen in de 50’s en 60’s voor o.a. ABC Paramount, Crown Records en W&G Records.
Zo is Nathan dus in aanraking gekomen met het thema en aldus ook met de Starday platen. Via de Starday-artiesten is hij uiteindelijk bij Don Pierce beland (de man achter het label), die prinsheerlijk woonde tegenover Johnny Cash’s House Of Cash (dat inmiddels niet meer publiekelijk toegankelijk is, omdat meneer Barry Gibb (van de Bee Gees, ulgh… ik moest die gasten toen al niet, toen je eind jaren zeventig nog plaatjes kon krijgen bij het tankstation met Grease, Happy Days en de Bee Gees erop… de Bee Gees waren nooit een lang leven beschoren in mijn verzameling) meende er inspiratie te moeten opdoen. Enfin, Don was gevonden en de story kon beginnen. Het zij nog opgemerkt dat de auteur, Nathan, zelf een band heeft met wie hij twee (authentieke) rockabilly en country-albums heeft opgenomen in 2007: Nate Gibson & The Gashouse Gang.

Laten we eens iets vertellen over de co-auteur Don Pierce. Deze man (op 3-4-2005 op 89-jarige leeftijd van ons heengegaan) had al vanaf 1946 zijn sporen verdiend bij 4-Star Records in Los Angeles (bekend van o.a. Maddox Brothers and Rose, Web Pierce, Hank Locklin) en heeft aan de wieg gestaan van de Country Music Hall Of Fame (CMHOF) dat in 1961 in het leven werd geroepen door CMA (Country Music Association, waarvan Pierce de voorzitter was) en reikte sinds 1989 zijn eigen awards uit, The Golden Eagle Master Achievement Awards in Nashville, die jaarlijks gehouden werd tijdens de reünie van professionele entertainers. O.a. Patsy Cline (postuum natuurlijk), Conway Twitty, Faron Young, Webb Pierce, Sonny James, Ferlin Husky (in 2010 in CMHOF), Roy Clark (in 2009 in CMHOF), Jimmy Dean (in 2010 in CMHOF) en zelfs Pappy Daily, om me tot enkelen te beperken, waren de gelukkigen.

Maar het boek, de story dus, begint nog vóór het ten tonele verschijnen van Pierce, in 1951 als Jack Starns (officiële spelling) via het etablissement van zijn vrouw Neva (die een kokende en afwassende manager (!) was, tegenwoordig heeft manager meer de betekenis van een, met lange sigarethouder paffende, schoonheid in een pelsmantel) een jonge Lefty Frizell leert kennen. Jack wordt zijn manager. En toen al waren managers uitgekookt en uitgebreid wordt uit de doeken gedaan hoe 1. Frizell wordt gepaaid met een 50/50 aanbood. (Dus de manager kreeg vette 50% van alle denkbare royalties (opnames, covers, bladmuziek verkoop (destijds bestonden nog bladmuziek charts, ook bij Radio Luxemburg hier in Europa, die in 1959 ter ziele gingen) en optredens op radio, TV en in films), 2. Lefty moest na het verstrijken van het contract nóg twee jaar optreden onder gelijke condities (achteraf aan contract toegevoegd?) en 3. Jack wilde Lefty voor de rechter slepen, omdat deze door een schorre stem (!), overmacht noemen ze dat toch (?!), 20 optredens heeft moeten laten schieten. (Uiteindelijk is het dispuut bijgelegd met een chequeje van 25.000 US$ van Lefty aan Jack).
Deze weergave uit het boek laat (met nog meer andere voorbeelden) heel duidelijk zien, hoe het er werkelijk achter de schermen aan toe ging en dat is zeker interessant voor degenen, die niet alleen de gelikte verhaaltjes van roemruchte artiesten en hun flamboyante bezigheden wil lezen.
Jack had nu geld en kon dus een eigen label oprichten. Hij was alleen nog op zoek naar een geëigende zakenpartner die verstand had van countrymuziek. En die was snel gevonden in de persoon van Daily. Hoe anders was Daily als zakenman. Niet voor niets kreeg hij de bijnaam Pappy. Een man die uit liefde voor de muziek jong talent een kans bood om via zijn eigen platenzaak, uit zijn eigen zak (!), een demo op te nemen, die dan naar 4-Star Records te sturen en vervolgens die aldaar geperste platen in heel Texas (op één na grootste staat van USA!) in de jukeboxen te verspreiden en aldus te promoten (dus 4-Star hoefde bijna niets te doen). Dat waren de 50’s! Toen waren jukeboxexploitanten nog ‘top of the bill’. Webb Pierce en Hank Locklin behoorden tot de gelukkigen die door Daily aan roem zijn gekomen. Maar ook Daily werd door 4-Star belazerd en het moment waarop hij er genoeg van had, was net toen Jack Lefty aardig wat geld afhandig had gemaakt. De basissetting voor Starday was dus een feit: Starns en Daily.
De afgestudeerde econoom Don Pierce werkte op dat moment voor 4-Star, maar het zou nog even duren voordat ook hij ‘in the picture’ kwam bij het kersvers opgerichte platenlabel.

Apropos picture: het boek is doorspekt met zeldzame en minder zeldzame zwart/wit foto’s, waarop heel wat artiesten te bewonderen zijn, zowel de ‘muzikale somebodies’ als de ‘muzikale nobodies’. In die tijd gebeurden nog sprookjes. Je gaat naar Neva Starns’ restaurant om er een kopje koffie te drinken, je wordt dan gevraagd door Neva om samen met de huisband te zingen en een hit is geboren: het overkwam Arlie Duff met All You Come in 1953, de eerste hit voor Starday. Echter, ondanks de hit, merkten Starns en Daily dat ze wel goeie talenscouts en promotors waren, maar dat ze nog wat misten om een platenlabel te runnen.
Op dat moment lag Pierce in de clinch met de 4-Star platenlabeleigenaar McCall. Hij kwam als derde man erbij en de Starday Recording And Publishing Company werd opgericht, om nu ook uitgeversrechten te incasseren, wat bij de eerste vier releases (inclusief de hit) niet gebeurde (tegenwoordig onvoorstelbaar, maar het toont de pioniersdagen van de platenindustrie voortreffelijk).
Ondanks dat maakte het drietal de eerste veertien maanden geen geld, want alles werd in het platenlabel gestoken. Daily verdiende echter daarnaast nog geld met de distributie van platen voor de jukeboxen en Starns met het runnen van de nightclubs en andere etablissementen. Alleen Don had niks, dus besloot hij in Los Angeles een rhythm & blues platenlabel (en dat voor een countryfanaat!) te runnen: Hollywood Records. Op dat moment was Linda Hayes erg succesvol. Met Hayes had hij zijn eerste grote hit, opgenomen in de studio van Capitol. Hierna stelde Don haar voor aan Buck Ram. Maar in plaats van dat die Linda groot op de markt bracht, werd Linda’s dochter de eerste zangeres van de Platters met wie hij successen vierde op Mercury. Don had het nakijken.
Het is cool om te zien hoe een bij het grote publiek onbekende Don Pierce destijds in het hart van de rhythm & blues, country en rockabilly scene in Californië zat! In het boek komen dan ook een hele reeks klinkende namen voorbij, teveel om te vermelden hier. Hollywood Records werd overigens naast Starday Records gerund, totdat Pierce met pensioen ging.
Niettemin, ondanks het bescheiden succes bij Hollywood Records, had Don met zijn compagnons bij Starday meer succes, want All You Come van Arlie Dufff werd gecoverd door Bing Crosby en het werd een smash hit. Het leverde Starday aan royalties genoeg kapitaal op om ander talent op te nemen. De opnames vonden aanvankelijk nog plaats in de woonkamer van Starns, maar na diens vertrek in 1955, stapte men over op Gold Star Recording Studio (niet verwisselen met de gelijknamige studio in Hollywood, waar Ritchie Valens, Eddie Cochran etc. hebben opgenomen). Niettemin hebben in deze studio in Houston andere memorabele rockers hun sporen achtergelaten: Big Bopper en Johnny Preston. (Tegenwoordig heet het Sugarhill Studios en mag men Sleepy Labeef tot de cliëntèle rekenen).
De grote ster bij Gold Star voor Starday was bopper Sonny Burns, die een grote hit scoorde met Eddie Noack’s Too Hot To Handle. Sonny was op dat moment beduidend groter dan een nog opkomende George Jones, die van de duetten met hem heeft geprofiteerd voor zijn eigen carrière.
Nathan’s boek vermeldt ook de twee verbanningen (‘bans’) die er waren in de jaren veertig, waarbij geen platen geperst mochten worden en geen artiesten live mochten optreden op de radio. Dat had voornamelijk met auteursrechten (royalties) te maken en dat was in het voordeel van kleine independents als Starday. Voor haar tweede grote succes met Joe ‘Red’ Hayes Satisfied Mind, kreeg het label een mooie cheque van US$ 12.000 (een gigantisch bedrag toen).
In het boek zijn aparte stukken gereserveerd, ook al is het niet als zodanig gekenmerkt, voor de grote namen en uithangborden van Starday: George Jones (50’s) en Cowboy Copas (60’s). Ook zanger Tommy Hill krijgt als soundengineer voor Starday prominente aandacht.

In het verhaal van Jones is het leuk om te zien dat Webb Pierce, die de eerste grote hit van hem Why Baby Why coverde, Pappy Daily het voorstel deed te wachten met het uitbrengen van zijn eigen cover, zodat George ermee kon scoren, omdat Pappy hem (Webb) ooit de muziek in heeft geholpen. Dat noemen we nog eens een vriendendienst!
Tevens wordt de afkeer van Jones van rock ‘n’ roll beschreven, maar om een boterham te verdienen is hij op aandringen van Pappy Daily overstag gegaan, echter nam wel op onder een andere naam: Thumper Jones. Datzelfde gold voor Leon Payne (I Love You Because, Elvis), een oude vriend van Pappy Daily, die onder het pseudoniem van Rock Rogers rock ‘n’ roll en rockabilly opnam. Starday had moeite de platen aan de man/vrouw te brengen, omdat het netwerk bestond uit country diskjockeys en dito platenhandelaren. Met artiesten die tevens weigeren live rockabilly te zingen, heb je het moeilijk om de platen te slijten. Niettemin, toch was er in 1954 al eentje die wél rockabilly wilde zingen: Sonny Fisher. Met deze zanger had het label de perfecte hillbillycat binnen de poorten gehaald: qua sound absoluut de evenknie van Elvis. De 10” LP Texas Rockabilly op Ace is een MUST voor elke zichzelf respecterende vintage rockabilly-liefhebber!
Voortreffelijk ook hoe in het boek aan de hand van het geval van Link Davis (de royaltie sheet staat afgebeeld), die vanaf 1956 rockabillyplaten opnam voor Starday en ook te horen is op Chantilly Lace (Big Bopper) en Running Bear (Johnny Preston), duidelijk word gemaakt dat de bekende ‘ripp-off’ verhalen van rockers van toen in een ander licht bezien moeten worden. Natuurlijk hadden de artiesten het gevoel dat ze nauwelijks wat kregen, zich belazerd voelden, maar als je alleen al de opnamekosten nam, dan bleek dat de artiesten best goed wegkwamen. Want om uit de kosten te komen hadden de artiesten dan 20.000 platen moeten verkopen en bij de geringe aantallen die ze werkelijk verkochten, nam dus eigenlijk Starday het verlies tijdens de opnamesessie voor haar rekening. Dit zijn zoal de details die het boek lezenswaardig maken. Aanvullende opmerking nog: in het boek spreekt men consequent van Billboard Charts, echter men bedoelt de Billboard Country charts, hetgeen ook al blijkt uit het feit dat de grote hits van het label goed waren voor een verkoop van pakweg 125.000 singles (ter vergelijk: in de ‘Billboard Popcharts alias Hot-100 had je met een top-3 hit een million seller!).
Starday ging openlijk de concurrentie aan met Sun (en is wellicht van alle labels het dichtste bij gekomen). Dit kon, doordat Gold Star Recording Studio in een nieuw gebouw werd ondergebracht met echokamer en een ‘neusje van de zalm’ Ampex tape recorder. Sleepy LaBeef was de eerste die daar zijn sessie opnam. Rond 1956 verscheen een EP (!) van Buddy Dee, Country Rockin’ And Flyin’ met Eddie Cochran en Joe Maphis op gitaar. Dat was het voordeel van Don dat hij nog het rhythm & blues label in Los Angeles exploiteerde.
Een andere ‘wanna be’ Elvis uit huize Starday, Rudy Grayzell alias Rudy Gray, was de touring partner van Elvis en verkaste na enkele flops op Starday naar Sun Records, om daar verder te floppen.
Een bekende rocker die op Starday zijn eerste schreden deed, was Rumble-man Link Wray, toen nog met zijn broers op het hillbilly-/ rockabilly-/ western-swing-pad. De uiteenzetting betreffende hem beperkt zich echter hoofdzakelijk tot de hit Rumble.
Ondanks alles bracht de rockabilly niet het grote succes voor Starday. Evenmin de ‘nieuwe’ service die het label aanbood aan artiesten, om flexiplaatjes als weggeef promo’s te persen, onder de voorwaarde dat Starday de uitgeefrechten kreeg en met de optie de artiest onder contract te nemen (natuurlijk alleen als de songs aansloegen). Niettemin het leverde wel enkele interessante platen op in die zogenaamde customseries (de flexiplaatjes dus), waaronder Jimmy Johnson’s Woman Love (gecoverd door Gene Vincent & The Bluecaps als B-zijde van Be-bop-a-lula). Tot de main series (de singles van artiesten die onder contract stonden op Starday, het mainlabel) behoorden o.a. ook Fred Crawford (met een jonge Buddy Holly op gitaar) en Sid Ervin, die later voor Columbia als Sid King door het leven zou gaan.

Spoedig werd ook Dixie opgericht als belangrijkste sublabel (subsidiary) om lokaal nieuw talent te promoten. Dit label bevatte uitsluitend soundalike opnames, danwel imitatie-opnames, die uitsluitend via de radio verkocht (!) werden. Dit principe kennen we van ragjobbing (hier in Europa geïntroduceerd door de eigenaar Albert van Hoogten van Ronnex Records in België), waarbij onbekende artiesten de hits van bekende artiesten zingen, al dan niet gelijkend op het origineel (in Nederland op labels als Discofoon en Lion Tops, in België op Expobrood en Tempo etc., in Duitsland op Baccarole, (eveneens) Tempo etc.). Zoals gezegd werden de platen via de radio verkocht. Daartoe ontvingen de radio deejays LP’s (!), die werden gepromoot en waarvan men de songs dan op singles kon verkrijgen in de record shops. Op die platen zijn bekende Starday-artiesten te horen, die dan grote sterren imiteren. Zo zong George Jones de nummers van Elvis en Johnny Horton, Leon Payne deed imitaties van Elvis, Sonny James, Benny Barns deed Johnny Cash en Hank Snow, Sleepy LaBeef “vergreep zich aan” Johnny Cash. In het boek staan nog meer voorbeelden, maar ik verklap uiteraard niet alles uit het boek!

Aanvankelijk nog in Hollywood, verkaste het ‘country’-Starday label in 1957, na het sluiten van een monsterverbond met Mercury in Chicago als Mercury-Starday, naar Nashville (wat een toeval, zeg!). Voor dit nieuwe label zou George Jones de grote gangmaker zijn, maar ook The Big Bopper zijn Chantilly Lace de platenhemel inzingen en Johnny Preston Big Boppers’ pennenvruchtje Running Bear tot kaskraker van het nieuwe label maken. Een heel stuk wordt in het boek gewijd aan het turbulente leven in die hoogtijdagen van George Jones. Een typisch verhaal zoals je dat in tal van ander biografieën van sterartiesten ook kunt lezen: alcohol, vrouwen en wat daaruit voortvloeit.
Inmiddels was Starday dus ook op het rock ‘n’ roll-/ rockabillyterrein wat groter geworden. Een mooi statement laat Don na in het voorwoord van het boek: “Due to the new and overwhelming popularity of Elvis and the advent of rock and roll, it was a difficult time for a country music record label to prosper. I’m proud Starday was able to do so”. Maarrrrrrr…..niet in de laatste plaats door juist handig op de rock ‘n’ roll-/ rockabilly-trein te springen!
Maar de afkeer van rock ‘n’ roll en al haar derivaten bij de countrymensen wordt héél duidelijk in dit boek. Omwille van ons magazine heb ik me met deze recensie beperkt tot de rockabillyjaren van het label die, opvallend genoeg voor een zichzelf puur country noemend label, ook het merendeel van het boek in beslag nemen. En wrang genoeg voor countryfanaat Pierce en andere countryminnende artiesten is dat het label juist vanwege de rockabilly (deels door die ‘countryrakkers’, die dus ongewild countryrockers werden) bekend is.

In 1958 gingen Daily en Pierce uit elkaar, nadat Mercury merkte dat country nauwelijks verkocht, maar met rock ‘n’ roll groot geld te maken viel. Het bleek een slimme zet! Ook rockabilly kon de magere bijdrage van Starday aan de Starday-Mercury alliantie niet compenseren. Daily ging met stal-artiest George Jones naar Mercury en Don ging in zijn uppie verder met Starday. En dat betekende: volledig concentreren op gospel en bluegrass plus traditional country. Niettemin werden er toch ook nog rockabillyplaten opgenomen. In 1960 had Pierce zijn eigen opnamestudio met zanger Tommy Hill als engineer.
Voor de bluegrass en gospel werden complete albums uitgebracht, daar waar de rockabillies het moesten doen met singles. Opmerkelijk in het gospelgenre van Starday zijn de namen Jordanaires en Hank Garland. Een ander opmerkelijke naam vormt het rocking gospelkwartet Oak Ridge Quartet (Oak Ridge Boys), waarbij gitarist Hardrock Gunter, die één van de ‘eerste’ rock ‘n’ roll platen opnam in 1950 (Birmingham Bounce), verantwoordelijk was voor dat ‘rocking’ kantje. Ten tijde van 1958 waren ze reeds te zien in pakweg 20 Hollywood films en hadden toen al een million seller op hun naam staan: Peace In The Valley als achtergrondkoor bij Red Foley. De groep ontleent haar naam aan de plaats Oak Ridge waar ze in een opmerkelijk ‘tent’ optraden: een kerncentrale (atomic energy plant)! Je leest het goed, een kerncentrale!!! Het staat er geschreven alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze hadden zich dus net zo goed Atomic Boys kunnen noemen. Maar met de tragedie momenteel in Japan kun je geen voorstelling maken van optredens in een kerncentrale… echt niet.

In 1968 nam Starday het prestigieuze King Records in Cincinnati, Ohio over van Syd(ney) Nathan, die dat jaar overleed. Het label ging toen verder als Starday-King. In 1970 werd dit nieuwe label opgekocht door het legendarische songwriter duo Jerry Leiber en Mike Stoller. Uiteindelijk zou het via omwegen in 1974 in handen vallen van Gusto Records, tot op de dag van vandaag: Starday-Gusto Records.
By the way, er is in deze samenhang (aanvullend op dit geweldige boek hier) nog een interessant boek verschenen met de Story Of King Records (vanaf 1945) van de hand van ook weer een ‘stuudje’, Jon Hartley Fox, University Of Illinois Press (2009). Zoals te zien aan beide boeken, gaat het er op Amerikaanse universiteiten muzikaal aan toe! De auteurs zijn studenten die op een zeer geslaagde wijze de Amerikaanse cultuurhistorie vastleggen voor liefhebbers rondom de aardbol en het nageslacht. Jammer, in dat opzicht, dat Nederland niet de 51ste Amerikaanse staat is (wetende dat ook Texas en Vermont, voordat ze ingekapseld werden bij USA, onafhankelijke landen (republieken) waren. Dus…). Dan had ik zeker een amusantere studententijd gehad.
Aan het einde van het boek staat een megalijst van platen opgesomd en staan ook op één pagina de labels afgebeeld die op Starday door de jaren heen zijn verschenen. Helaas doordat ze klein zijn, hier en daar niet helemaal leesbaar.

Conclusie: een must voor elke liefhebber van vintage rockabilly, voor platenlabelwereld geïnteresseerden en platenverzamelaars. Het boek beschrijft, zoals het toen ook was bij Starday, de artiesten en releases in de verschillende muziekstromingen rockabilly, country, rock ‘n’ roll, bluegrass, gospel door elkaar heen. Nathan aan de hand van de interviews met tal van interessante artiesten en andere mensen uit de muziekwereld, chronologisch door de jaren van het label heen. Dit alles op een goed leesbare manier. Het Engels is goed te volgen. Bij het zien van dit soort afstudeeropdrachten van universiteits-stuudjes zou je graag nog eens gaan studeren in Amerika en blijvend zitten blijven is dan absolute plicht! Info: www.upress.state.ms.us/books/1311 (Henri Smeets)

naar boven



31 maart 2011

COVERS GALORE/ DE SWINGERS
Continent Records Int. Music, DDD 6969-1

Soms vraag ik me af wat de toegevoegde waarde is van de zoveelste coverband. Maar blijkbaar is dat de enige manier om nog het hoofd boven water te houden in muziekland. Als je het dan ook nog akoestisch doet, valt het tenminste nog op ook. De naam suggereert dat het trio op het muzikale vlak dat is, wat anderen op relationeel gebied zijn (ofwel de ‘tutti frutti’-relaties onder het mom van ‘verandering van spijs doet smullen’). Dat vergelijk dekt wel de lading, al is het pikante ingeruild voor veelzijdig muzikaal vakmanschap.
Blijkbaar hebben we hier te maken met een trio Marsmannetjes, want hier op aarde schijnt Continent Records Int. Music in ieder geval niet te bestaan. ‘Controlled by Coral Music Industries’ staat eronder. Hmm. Of Google is incompleet óf ook dat label bestaat alleen in rock ‘n’ roll-sprookjesland. En Continentex Cleaner om de CD vrij te houden van stof? Heb ik dan al die tijd voor niks met mijn tandenborsteltje de CD’s liggen afstoffen? Hoe dan ook, de gemiddelde muziekliefhebb(st)er zal het worst zijn, als de muziek maar klopt. Apropos worst. Voorgaande neemt niet weg dat het me sterk doet denken aan Dick Brave & The Backbeats, die immers ook uit Canada zouden komen, maar gewoon bratwurst Duitsers zijn. En dan hebben we meteen al het steekwoord laten vallen: Dick Brave, tel daar nog eens de Baseballs en Texas Lightning (die eens voor de oosterburen als country-act aan het Eurovisiesongfestival meededen) bij op en je krijgt een ideetje in welke richting je het moet zoeken bij dit trio. Country, rock ‘n’ roll en rockabilly met een lichte poppy sound. Even nog netjes de boygroep (ze pralen immers met hun schoonheid, dames!) aan jullie voorstellen. Zeg maar: twee kuiven en een ‘al capone’-coupe, luisterend naar de (voor de afwisseling eens een keer burgerlijke) namen Marcel Verbaas (double bass en zang), Robert van Driesten (drums, cajon (zo’n lege bierkist waar je niet zat van wordt, maar waar je wel eens lekker op kunt rammen, als je althans ritmegevoel hebt) en zang) en Martin Voogd (gitaar en zang). Marcel en Robert komen we ook nog tegen in de Rotterdamse Vipers. Op hun highlights-lijstje staan o.a. Paul Burlison, James Burton en Rocky Burnette. Niet verkeerd, toch?! Robert houdt er nog een eigen website met drumtracks op na: www.onlinedrumtracks.com. Wie weet, misschien handig voor rock ‘n’ rollende spiegeldrummers op verlaten zolderkamertjes.
We nemen weer eens het bekende vergrootglas en leggen de songs van het debuutalbum van het trio eronder. Het betreft een unplugged, louter akoestisch, album. Het trio laat horen dat het ook heel goed zonder versterkers kan zelfs! Een prima geproduceerd album dat zich kan meten met commerciële albums van de eerder genoemde bands. Ook deze band hier ‘bezondigt’ zich aan het coveren van bekende popdeuntjes uit het verre hippietijdperk tot en met het recentere muzikale pop-walhalla. Centerfold van de J. Geils Band wordt hier in een countrypolka-ritme gebracht. Dat geldt ook voor I Love Rock & Roll van de Arrows (ook bekend van Joan Jett & The Blackhearts). Wie had gedacht dat ik ooit het hippienummer I’m A Believer van de Monkees/ Neil Diamond zou recenseren in een vintage rock ‘n’ roll-/ rockabillymagazine! De song heeft in de uitvoering van de Rotterdammers een rockabilly inslag. Bevalt me beter dan het origineel. Kiss van Prince had men beter met een Guild gitaar á la Paladins kunnen spelen, want de ‘drum’ heeft een soortgelijke aanslag als Dave Gonzales op zijn Guild. Jammer dat men dat niet heeft gedaan. Akoestisch heeft nu eenmaal ook zijn beperkingen (smile). De Ierse folksong Whiskey In The Jar is hier een country-kloon. Wat opvalt is, dat de songs met een zeker enthousiasme worden gebracht. Past perfect bij het concept natuurlijk van een band die zichzelf aanprijst als ‘altijd vrolijk’. Walk This Way van Aerosmith kenden we al in de uitvoering van de eerder geciteerde Dick Brave & The Backbeats, maar is ook hier in een rockabilly-jasje (beter gezegd: rockabilly leather jacket) gestoken. Coole versie. Let Me Entertain You mag het trio als lijftekst gebruiken, maar is hier natuurlijk de bekende song van Robbie Wiliams, zij het dat de rockabillyversie van de Rotterdammers beduidend aangenamer in de oren klinkt. En warempel hebben ze ook nog een oude rock & roll-hit gevonden om te coveren: Del Shannon’s Runaway. Maarrrrrr in plaats van orgeltje nu bas, cajon en akoestische gitaar! Er zit dezelfde vaart in het nummer als in het origineel: niet door het tempo, maar door het arrangement. De wijze dus waarop het gebracht wordt met meerstemmige zang. Bij dit nummer ren je zeker niet weg! Tom Jones It’s Not Unusual wordt weer multivocaal in early sixties stijl gerevived. De Beatles (‘slik’ in een vintage rock ‘n’ roll magazine) krijgen ook een plekje op de CD met I Saw Her Standing There. Echter ik kan me niet aan het idee onttrekken dat ik op de solo toch echt een elektrische gitaar ontwaar. Hmm. Niettemin het doet aan de geslaagdheid van de cover geen afbreuk, integendeel. Ballade Never Tear Us Apart van Inxs is een tranentrekker in countrystijl. Van Morrison’s Brown Eyed Girl heeft een mooie texmex-inslag, zonder accordeon dan. En dan de topper van het album: Seven Nights To Rock van Moon Mullican, dat onvervalste rockabilly is.
Conclusie: Zet je spaarvarkentje een feestneus op en maak er een knorrende party van! Info: www.deswingers.nl (Henri Smeets)


ROCKIN’ AGAIN AT THE 2 I’S COFFEEBAR
Delta Leisure Group Plc, 26632

Reeds eerder werden er compilaties onder de titel Rockin’ (Again) At The 2 I’s uitgegeven op Decca (LF 1300) in 1958 en Ace (CHA 77) in 1984. Deze compilatie hier is ruimer, met maar liefst 25 songs. Bovendien staan op de Ace-LP diverse namen die nooit in The 2 I’s hebben opgetreden (zie hiervoor een eerder artikel in BA over Rick Hardy). Wie beat zegt, zegt Cavern Club, wie jazz zegt, zegt Ronnie Scott’s Jazz Club (waar onder andere Britse pionierrocker en jazzman Tony Crombie (drums) ooit de trommelstokjes liet vliegen), wie rock ‘n’ roll zegt, zegt The 2 I’s Coffeebar, althans dat zou je mogen verwachten. De Cavern Club in Liverpool, in 1957 begonnen als jazzkelder, herbergde met de doorbraak van de rock ‘n’ roll al gauw rock ‘n’ roll-acts, o.a. Rory Storm & The Hurricanes, The Quarrymen (voorloper Beatles) en de Beatles alias Beat Brothers als, toen nog, rock ‘n’ roll band. Dan hebben we het over de jaren 1958-1961. De Cavern Club is, ondanks haar later verworven faam doet vermoeden, nooit een concurrent geweest voor een andere bar in Londen: Coffeebar The 2I’s (ook wel als gimmick Two Eyes genoemd), dat in 1956 reeds haar deuren opende. Deze kleine bar was het epicentrum van alles wat zich Britse rock ‘n’ roll noemde. De geboorte- en broedplaats van nieuw talent, waarvan we een indrukwekkend aantal namen tegenkomen op de compilatie hier.
Maar nog even iets over de coffeebar zelf. In 1955 kochten twee Australische ex-worstelaars/ catchers de coffeebar van Iraanse broers (daarom de oorspronkelijke naam 2 Iranies, afgekort tot 2 I’s (in werkelijkheid waren er 3 broers, echter de derde was gevlogen)) en openden 22 april 1956 de deuren (die in 1967 weer werden gesloten). Hun namen: Paul Lincoln en Ray Hunter. Later in 1959 werd Tom Littlewood, een judoleraar, de manager van de tent in het illustere Soho, dat je de Reeperbahn of De Walletjes van Londen kunt noemen. Wil je eens een idee krijgen van Soho anno 1960, dan is de bekende speelfilm Beat Girl uit 1960 (onze ZZ & De maskers hebben ooit nog in 1963 een rock ‘n’ roll-nummer met dezelfde titel gespeeld) interessant. Je valt wel van je stoel af, als je dan ziet dat de zoeter dan mierzoete rock ‘n’ roll-zanger Adam Faith in dit ‘dames van lichte zeden’-milieu de hoofdrol speelt naast een grote acteur als Christopher Lee. Maar als je weet dat zelfs de brave Connie Francis er ooit te gast was, mag je niets meer verbazen.
Voor degene die niet genoeg kunnen krijgen van rode licht milieus, waar rock ‘n’ roll-acts traditiegetrouw de ‘tafelmuziek’ mochten verzorgen, is de zeer realistische (!) Duitse speelfilm Polizeirevier Davidswache St. Pauli uit 1964 aanbevelenswaardig en je ziet daarin dat de ‘sterke verhalen’ van ex-nozems over die wilde uitgaansgelegenheden en de memoires van de daar spelende rock ‘n’ roll-artiesten kloppen! Mocht je het Italiaans machtig zijn, kan ik je ook nog de Italiaanse speelfilm I Magliari uit 1959 aanprijzen, een film die zich in het ‘milieu van lichte zeden’ van de binnenhavens van Hannover (D) afspeelt, met goeie rock ‘n’ roll en nozems.
Als BA-auteur probeer ik altijd zoveel mogelijk eigen inbreng te hebben in de recensies en zo min mogelijk uit CD-boekjes te halen en doorgekauwde info van internet te plukken. Dus, wil je aanvullend op deze info hier nóg meer weten (en vooral zien) van de ‘2 I’s coffeebar’ en de scenery eromheen, dan is deze site absoluut aan te bevelen:
www.nickelinthemachine.com/tag/coffee.
In mijn artikel over Rick Hardy in een eerdere BA-uitgave, een resident in de coffeebar gedurende 14 maanden in 1958 en 1959, die eind 2006 (enkele weken vóór de reünie van grote rockers van de 2 I’s!) verongelukte, kun je nog meer lezen over de ‘real live’ in dit broednest van Britse rock ‘n’ roll destijds en welke rock ‘n’ roll- en skiffle-acts er destijds optraden. In dat artikel kom je dus ook de naam van Tom Littlewood tegen en nu je weet in welke omgeving de bar zich bevond, snap je dus ook waarom al die krachtpatsers als Lincoln, Hunter en Littlewood daar acte de présènce gaven (smile).
Met deze diepgaande materiekennis van het sociaal-wetenschappelijke thema van onze rock ‘n’ roll-les van vandaag, Soho en de 2 I’s, vaart professor rock ‘n’ roll met zijn betoog voort over de minutieuze ontleding van het compilatie-album.
Zoals de Beatles het boegbeeld van de Cavern Club waren, zo waren Cliff Richard en The Drifters (later Shadows) het uithangbord van The 2 I’s. Dus mag het niemand verwonderen dat Cliffje en de zijnen op dit album prijken en uiteraard vertegenwoordigd zijn met songs uit die roemrijke periode: Living Doll, Move It en Be Bop A Lula (The Drifters solo). Tommy Steele, de eerste Britse tienerrocker (met nadruk op tiener, want Rory Blackwell & The Blackjacks (ook te gast in de 2 I’s en tevens te zien in 1957 in de Britse film Rock Your Sinners), Art Baxter & His Rock & Roll Sinners (te zien in de genoemde film) en Tony Crombie & The Rockets (met o.a. Jet Harris in de gelederen, eveneens in de geciteerde film present en met de opmerking dat Tony in 1960 de filmmuziek schreef voor een nudistenfilm (!) For Members Only) gingen hem reeds vóór (iets wat ook geldt voor Nederland, vóór de Tielmans en Koelewijn werd er al pure rock ‘n’ roll opgenomen, maar dat is een andere discussie). Discussies doen ook de ronde wie nu de eerste Britse rocker was: Rory, Art of Tony en het heeft er alle schijn van dat Rory die strijd wint. Vreemd ook dat Rory, die als één van de eersten nota bene optrad in The 2 I’s niet vermeld is op deze compilatie. Wel vermeld dus Tommy Steele (en de niet genoemde Steelmen) met Singin’ The Bues en Rock With The Caveman. Als vertegenwoordiger van de Skiffle vinden we Mister Skiffle himself, Lonnie Donnegan, die in 1956 al de akoestische ruimte van de kleine bar vulde. Hij zingt hier Cumberland Gap. Andere skiffelers zijn klinkende namen als The Vipers Skiffle Group (met Hank B. Marvin, Jet Harris en Tony Meehan erbij) met Don’t You Rock Me Daddy-O en het voortreffelijke “rockige” ‘kinderliedje’ (?) Pay Me My Money Down, The City Ramblers Skiffle Group (Mama Don’t Allow It en Midnight Special) en Chas McDevitt & Nancy Whiskey (die ondanks haar naam allesbehalve bezopen klonk) met de crossover tussen skiffle en rock ‘n’ roll: Greenback Dollar. Terug naar de rock ‘n’ roll-vertegenwoordiging. Eén rocker heeft destijds een eerbetoon opgenomen aan de coffeebar: de in berenvel gehulde Wee Willie Harris, die in 1957 Rockin’ At The 2 I’s aan de plaat toevertrouwde. Verder brengt hij nog Love Bug Crawl ten gehore. Een grotere tegenstelling met Adam Faith is bijna niet mogelijk. Deze ‘leg me in de watten’-rocker, die een goed figuur zou slaan in een reclamespot voor Zwitsal babypoeder (zelfs Connie Francis is er een ruwe rockabilly babe tegen), brengt hier met wasverzachter in de stem: What Do You Want? (geadopteerd door Amerikaan Ersel Hickey, eens een keer andersom dan gewoonlijk) en op High School Confidential hangt hij warempel de ruwe(re) rocker uit (een uitzondering in zijn overigens toch aardige repertoire). Tot de highschoolrockers eind jaren vijftig, die de fakkel van de oudgedienden overnamen, behoren ongetwijfeld Terry Dene en Marty Wilde (vader van Kim) die hun eerste sporen verdienden in de coffeebar. Terry laat A White Sports Coat en Start Movin’ horen, daar waar Marty de bad boy uithangt in het gelijknamige nummer om de teddygirls te vertederen in Endless Sleep. Van de ruwere soort zijn Vince Eager & The Vagabonds en zeker microfoonvreter Vince Taylor met zijn Playboys (wat een toepasselijke naam in Soho!). Vince-1 schalt Soda Pop Pop (in true Elvis met Jordanaires stijl) en Gene Vincent’s (die zelf in 1959 in The 2 I’s optrad) Five Days in eveneens Elvis & Jordanaires stijl door de ether, terwijl Vince-2 de Brand New Cadillac adoreert (leuk detail: de zus van Vince was getrouwd met Joseph Barbera, de man (samen met William Hanna) achter o.a. Tom & Jerry, The Jetsons en The Flintstones… je leert nog eens wat bij Boppin’ Around!). In de Playboys zaten de twee latere Shadows-drummers Tony Meehan en Brian bennett en latere Shadows-gitarist Brian Locking). In de achterhoede komen we nog namen tegen als Bill Kent (The Prettiest Girl In School) en Frankie Vaughn (Green Door). Leuk nog om te vermelden dat enkele later bekende namen hun eerste schreden deden in The 2 I’s: Paul Raven alias Gary Glitter, Ritchie Blackmore (Deep Purple), Clive Powell alias Georgie Fame en dan hebben we daar ook nog de uitsmijter Peter Grant (manager Led Zeppelin).
Resumé: dit compilatie-album (CD in plastic doosje en nog eens verpakt in een dun kartonnen omhulling, een zeldzaamheid voor een goedkoop album) is een vingeraflikker voor echte Teds en andere liefhebbers van 50’s rock ‘n’ roll van het eiland en voor de paar euro’s dat het kost (de rechten op de songs op deze Britse compilatie, maar hier gewoon verkrijgbaar, zijn in de UK immers verlopen) laat je je rebelse spaarvarkentje nog eens lekker in de modder rollen alvorens het gekortwiekt wordt. (Henri Smeets)

naar boven

LP Recensie



24 maart 2011

WOO EEE HA HA!/ THE SEVERED LIMB
Lost Johns, geen cat. nr.

We ontvingen weer eens een heus stuk vinyl, klommen naar zolder waar onze platenspeler met een verse nieuwe naald nog altijd indien gevraagd dienst doet en zetten de ten inch van The Severed Limb op. Deze wat ongewone skiffleband uit Londen bespeelt de elektrische en de akoestische gitaar, de contrabas, het accordeon, snare drums en vanzelfsprekend het wasbord. Waarom noem ik ze ongewoon? Omdat in hun muziek in niet direct een Lonnie Donegan of een Chas McDevitt doorklinkt.
De eerste track is de titeltrack en heeft dus die vreemde titel Woo Eee Ha Ha! meegekregen. De song heeft echter ‘normale’ lyrics en het blijkt dan ook dat de ‘woo eee ha ha’ op de achtergrondvocalen slaat, voor zover je deze fluisterachtige uitroepen vocalen kunt noemen dan. De zelfgepende song (alle songs zijn trouwens eigen liedjes) neigt wat naar Hey Bo Diddley, maar dan wat minder repetitief en wat melodieuzer in het refrein, met de toevoeging van accordeon. Al doet hun muziek dus in eerste instantie niet direct aan skiffle denken, de opzet is wel degelijk op skiffle geschoeid. Je kunt misschien wel stellen dat als de lieden van het zestal niet uit Groot-Britanië hadden gekomen, ze zich waarschijnlijk geen skifflegroep hadden genoemd. Het persbericht rept over de vele ingrediënten die de zes in hun muziek injecteren, zoals punk, cumbia, ska, folk en rockabilly. Dit laatste klinkt wellicht door in de tweede track Kill You getiteld. De song doet me in twee opzichten wat denken aan de sound van Johnny Legend (en dan bedoel ik de Johnny Legend van Rolllin’ Rock), namelijk de melodie en voor een tikkeltje ook het gitaarspel. De twee nummers laten een positieve indruk achter en zetten skiffle in een heel ander, doch verrassend daglicht.
Op de B-zijde (de 10-inch telt vier nummers) belanden we in een geheel andere wereld waarin in eerste instantie het woord ‘Louisiana’ bij me opkomt. Dat is natuurlijk logisch, gezien de accordeon die een wijsje begint waar je automatisch een Franstalige tekst bij zou verwachten. Echter, misschien zit ik ietwat in de verkeerde hoek en is hier, gezien de Spaansachtige titel Shake It Senora, de invloed van de mij onbekende Columbiaanse muziekstijl cumbia te horen, een muziekstijl waar ze zoals gezegd eveneens door beïnvloed zijn. Hoe het ook zij, dit nummer staat toch wel wat ver van ons rock ‘n’ rollers af. Het slotnummer komt weer meer in ons straatje en neigt weer flink naar mid-tempo rockabilly met een dreigende gitaar omringd door behoorlijk wat echo in de hoofdrol. Door mijn hoofd tollen vele namen en songs aan wie ik wil refereren, maar daar kom ik zo snel niet uit… Misschien een gitaarlick á la Baby Please Don’t Go door Big Joe Williams/ Willie & the Poor Boys/ etc., een attitude en sound á la Please Give Me Something door Bill Allen/ Jimmie Lee Maslon... Het geeft aan dat muziek van deze Severed Limb (in totaliteit in ieder geval) moeilijk te definiëren is.
Surf zelf naar www.myspace.com/theseveredlimb om wat tracks te beluisteren. Hierbij telt één eis: je moet houden van een wat ongecompliceerde, pure sound zonder hoogstandjes van producers en soundengineers. Woo Eee Ha Ha! (Frans van Dongen)

CD Recensies

DON’T TOUCH MY GREASY HAIR/ THE WISE GUYZ
El Toro Records, ETCD 3025

In 1999 opgericht rockabilly kwartet uit Kahrkov in Oekraïne dat na drie releases in eigen beheer nu een album uitbrengt op El Toro. Afgaande op de verpakking en de nette pakjes verwachtte ik me aan authentieke rockabilly in hepcat stijl, maar eens te meer blijkt dat uiterlijk kan tromperen: de muziek is een mix van neo (melodieën, stijl en structuur van de meeste nummers), Hot Boogie Chillun (de inleving), Paladins (de intensiteit) en bluesbop (het repetitieve). Alle metertjes gaan in het rood en werkelijk álles zit vooraan in de mix, op de stem zit veel vervorming. Goeie accentloze stem trouwens, en een hele goeie gitarist. In een stuk of vier van de 17 zelfgeschreven songs toetert een sax wat akkoorden mee, en om de twee nummers lassen ze wel een break voor een drumroffel of een contrabas solo in. Een paar nummers hebben spaarzaam doo-woppende backing vocals, en zelfs die enkele rustigere nummers klinken niet klef maar doorleefd. Vinden The Wise Guyz de rockabilly opnieuw uit? Nee, maar ze dóén er wel iets mee, en het eindresultaat is wat mij betreft de opwindendste CD sinds JD McPherson. Volgend jaar staan ze op het (door El Toro gesponsorde) Screamin’ festival in Spanje, en volgens mij moet het live vonken geven, dus haal ze naar hier, iemand? Voorbeluisteren op www.eltorecords.com dat de titeltrack ook op vinyl single uitbracht, al is ons onbekend of het dezelfde of een alternatieve versie betreft. Op de B-kant van die single staat trouwens geen nummer van The Wise Guyz maar van Arsen Roulette. Info: www.myspace.com/wiseguyzrockabilly en www.eltororecords.com (Frantic Franky)

naar boven



10 maart 2011

WRECKER WALK/ THE HOUSEWRECKERS
Goofin’ Records, GRCD 6158

Zesde album of zoiets van dit Fins trio dat al járenlang meegaat en de allereerste Scandinavische band op het Brittse label Nervous was. Vreemd verhaal: de originele groep werd opgericht in 1982 als The Black Devils, wat al snel The Houserockers werd. In 1985 stopten ze er mee, maar het demonummer Cause Ya Left Me kwam dat jaar op Nervous op de compilatie-LP Hell’s Bent On Rockin’, maar dan onder de naam The Housewreckers. Uiteindelijk werd de band heropgericht in 1988, en sindsdien doken ze op geregelde tijdstippen op met diverse albums, waarvan wij destijds Wreckers’ Party uit 2002 bespraken. Van de originele Black Devils bezetting zit zanger-gitarist Teukka Aalto nog steeds en contrabassist Janne Junnilainen sinds 1998 opnieuw in de band, de drummer op deze nieuwe CD maakt deel uit van The Housewreckers sinds 2005.
De CD ligt helemaal in de lijn van die Wreckers’ Party: een mix van moderne rock ‘n’ roll met een scheut Hot Boogie Chillun drive, een druppeltje Chris Isaak en The Shadows, en voorts veel rock maar ook veel pop. Eigenlijk een beetje merkwaardig dat Goofin’ hun vast label is, want ik associeer Goofin met meer authentiekere klanken. Tien eigen nummers, twee covers: Blue Jeans (And A Boy’s Shirt) van Glen Glenn krijgt een semi-blues bop arrangement, en in de categorie cover-eens-een-niet-rock ‘n’ roll-song krijgt sixties fee Mrs. Robinson van Simon & Garfunkel een lederen jekker aangemeten. De moeite van het beluisteren waard voor wie het niet erg vindt dat de “rock” in moderne rockabilly erg “pop” klinkt. Info: www.myspace.com/housewreckers en www.goofinrecords.com (Frantic Franky)


INSTROVILLE
Fantastic Voyage, FVDD061

50 instrumentals van 39 bands op één dubbel-CD, met als enige overeenkomst dat ze, euh, allemaal instrumentaal zijn en dateren van 1956 tot 1959, waarmee u gelijk weet dat deze dubbellaar in de midprice prijsklasse valt. Even dacht ik nog te kunnen stellen dat het allemaal Amerikaanse opnames waren, maar nee hoor, Lord Rockinham’s XI (met Fried Onions uit 1958 dat niets te maken heeft met de Green Onions van Booker T & the MG’s uit 1962 dat hier uiteraard niet opstaat) kwamen uit Engeland. Ook stilistisch valt hier geen lijn te trekken, want de ondertitel “hits and rarities from the golden age of pop instrumentals” geeft al aan dat naast de hoofdbrok rock ‘n’ roll ook in mindere mate jazz (drummer Cozy Cole met Topsy Part 1 en 2) en exotica (Martin Denny met Quiet Village en The Enchanted Sea) te horen is. De definitieve instrumentale Greatest Hits is dit evenmin, want naast Rebel Rouser (Duane Eddy), Tequila (Champs) of Rumble (Link Wray) hoor je ook massa’s minder bekend spul, en van Johnny & the Hurricanes krijgen we wel Crossfire en Buckeye maar niet Red River Rock. We krijgen echter niet noodzakelijk de beste nummers voorgeschoteld: van een nummer getiteld The Clouds door een groep genaamd The Spacemen had ik meer vuurwerk verwacht, en The Frantics hebben rockender spul in huis dan de bijna popcorn van Straight Flush en Fog Cutter, met name The Whip en Werewolf die hier niet opstaan. Op zich zijn die minder bekende nummers evenwel interessant, want zo leer je bijvoorbeeld dat Tear Drop van Santo & Johnny minstens even goed is als hun hit Sleep Walk. Tweedelijnsklassiekers zijn ondermeer Teen Beat (Sandy Nelson) en Bongo Rock (Preston Epps), en voor de rest horen we cult classics (de originele Woo Hoo van The Rock-A-Teens, The Green Mosquito van The Tune Rockers) en onverbiddelijke dansvloervullers als Midnighter van The Champs. Ooit nog een Britse ted geweten die elke keer als de DJ dat nummer oplegde de hele zaal over en weer bopte... op zijn handen! We krijgen zelfs Sun stuff: Bill Justis’ saxslurper Raunchy en Sonny Burgess’ wilde Itchy (met Billy Lee Riley op smoelschuif) beschouwen we als gekend, minder courant zijn Justis’ College Man, 706 Union van Brad Suggs, en The Memphis Belles Featuring Shirley met Snow Job (het wordt geacht een kerstnummer te zijn, maar dat hoor ik er niet in). Sun afgeleiden zijn Roland Janes met Guitarville (dat merkwaardig genoeg evenveel op sax voortborduurt als op gitaar) op Judd, en natuurlijk ook Smokie Part 2 van Bill Black’s Combo oftewel bassist Bill Black die post Elvis een dikke boterham overhield aan instrumentale covers van hits, een zaakje dat zo goed draaide dat hij er op een gegeven moment een franchise van maakte en tot vijf ándere groepen toestemming gaf gelijktijdig te toeren onder de naam Bill Black’s Combo, terwijl hij zelf thuisbleef om de zaken te behartigen. Ook na Black’s overlijden in 1965 aan een hersentumor bleef het Bill Black’s Combo bestaan tot in de jaren ’70!
Kortom: op deze twee CD’s staan alle mogelijke combinaties van gitaar, sax, piano en het vermaledijde orgel. Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen een orgel als het rockt, zoals bij Johnny & the Hurricanes of het frivole The Happy Organ van Dave “Baby” Cortez, maar als het eindeloos begint door te grooven op dezelfde rif haak ik af. Enkele denkpistes die bij me opkwamen bij het beluisteren: heel wat instrumentale bands blijken hele orkesten of op zijn minst uit de kluiten gewassen combo’s, en daarnaast waren een aantal “groepen” gewoon sessiemuzikanten die de gaatjes in de studio opvulden om singles te vullen. En in mijn oren beginnen zowat álle medium tempo instro’s wat sleazy te klinken en daarmee uitermate geschikt voor de nobele kunst der striptease, zelfs de rustige twee gitaren fingerpicker Bye Bye van Joe Maphis & Larry Collins. Misschien gewoon mijn onreine geest die met dit soort krakkemikkige ritmes in het reine probeert te komen... Het CD-boekje bevat summiere trackinfo en labelshots. Boeiende collectie, maar alles hangt er natuurlijk van af hoeveel van de nummers je al hebt. Je vindt de volledige tracklisting op www.futurenoisemusic.com (Frantic Franky)

naar boven



24 februari 2011

PRESENTS THE WESTERN SPAGHETTI/
LUKY LINETTI
Part Records, PART-CD 690.001

U hebt iets tegen spaghetti western surf? Leest u dan rustig verder, waar daar heeft deze CD absoluut niets mee te maken! Dit is het nieuwe project van Luky Linetti alias Luca Bugno (Italië), de man achter conceptgroepen I Belli Di Waikiki en Los Terribles De Tijuana. Met The Western Spaghetti gaat ie terug naar de roots van zijn eigen land, en dan zwelt ons hart van vreugde, want telkens wij Louis Prima of Dean Martin horen zijn we wat trots dat we zelf Italiaans zijn. En dat terwijl er geeneens Italiaans bloed door onze aderen stroomt, kan je nagaan! Nee, alle gekheid op mijn stokje, de idee is dat Linetti hier Italiaanse country brengt, al is het – ook al horen we op enkele nummers steel gitaar – eigenlijk pure rockabilly, consumptievriendelijk maar degelijk gebracht, speels maar vakkundig uitgevoerd. Die zeg maar countrybilly wordt vermengd met nummers die me afkomstig lijken uit de Italiaanse varieté swing maar op z’n rockabilly’s gebracht worden. En alles dus in het Italiaans gezongen! Hello Mary Lou, de beschaafde Drinking Wine Spo-Dee-O-Dee (allebei ook in het Italiaans) en de instrumental Steel Guitar Rag kennen we natuurlijk, maar of de andere nummers eigen composities, eigen vertalingen van Amerikaanse songs dan wel covers van bestaande Italiaanse nummers/ vertalingen zijn is ons niet duidelijk. Eén weggever: Things van Bobby Darin wordt Baci, in Italië in 1963 gedaan door ene Remo Germani. En omdat u het bent geven we er nog een moeilijkere mee: Butta La Chiave van het Van Wood Quartet uit 1955. Waarom juist deze? Omdat die Van Wood een Nederlander was, namelijk de vorig jaar in Rome overleden Nederlandse jazzgitarist Peter Van Wood, echte naam (u had het geraden) Peter van Houten. Van Wood vertrok na de tweede wereldoorlog uit Nederland om ondermeer in de Olympia in Parijs en Carnegie Hall in New York op te treden en zich begin jaren ’50 in Italië te vestigen. De andere nummers mag u zelf opzoeken! Niet dat het allemaal veel uitmaakt, maar de liefhebber zal zich er ongetwijfeld mee amuseren. Geinig zijn in elk geval de paar verwijzingen die wij herkennen, zoals de Dixie solo in Un Bacio A Mezzanotte, en het intro van Mamma Voglio Anch'io La Fidanzata waarin wij My Rifle My Pony And Me van Ricky Nelson & Dean Martin uit de western Rio Bravo (1959) herkennen. Goed gedaan, erg leuk gedaan ook, maar we vrezen dat de noveltyfactor van enkel Italiaanse vocals de toegangelijkheid voor niet-Italiaanstaligen zal bemoeilijken. Info: www.myspace.com/thewesternspaghetti en www.part-records.de (Frantic Franky)


VOODOO RHYTHM RECORDS: RECORDS TO RUIN ANY PARTY VOLUME 3
Voodoo Rhythm Records, CVRCD64

21 bands met 21 tracks als sampler van Voodoo Rhythm, uw Zwitserse garantie voor muzikale waanzin, Volume 1 of 2 ben ik nooit tegengekomen (ik kan me voorstellen dat de administratie bij Voodoo Rhythm even chaotisch is als hun sound), maar wat maakt het ook uit. Geen onuitgegeven tracks, wel trash in alle mogelijke genres, merendeel sixties-achtige garagerock maar ook soul, countryrock, bluegrass, cajun, akoestische countryblues, overstuurde slideblues, bluesbop, Franse sixties à la Jacques Dutronc of Jacques Brel, etnische pop, zeemansaccordeons, en verrassend genoeg zelfs een soort urban trip hop. En allemaal met een hoek af, dat spreekt. Eén Nederlandse band: de door ons reeds besproken Sixtyniners. Geen nieuwe ontdekkingen trouwens omdat we de meeste van Voodoo Rhythm‘s roots-gerelateerde releases hier al bespraken, maar wel handig als kennismaking met onbekende namen voor het geval je twijfelt of je bijvoorbeeld John Schooley & his One Man Band (USA), Bob Log III (USA) of King Kahn & the Shrines (CAN) moet kopen. Nou, op basis van deze tracks niet dus. Ook uit op dubbel-LP VR1264, als ik het goed begrepen heb met slechts 3 van de 4 plaatkanten afspeelbaar en op kant 4 een kunstwerkje van de Zwitserse grafische artiest Dirk Bosma. Info: www.voodoorhythm.com (Frantic Franky)

naar boven



17 februari 2011

LET ME RIDE IN YOUR AUTOMOBILE/ CC JEROME’S JETSETTERS
El Toro Records, ETCD 6046

Vorig jaar toerden CC Jerome’s Jetsetters (Jeroen van Gasteren; gitaar, Deon Buck; contra- en elektrische bas en Coen Molenschot; drums/ percussie) met bluesartiest Gene Taylor door, onder andere, ons land en derhalve was het één plus één om samen een album te gaan maken. Al is Taylor wellicht iemand uit de blueshoek, toch is het ook voor menig rocker een bekende naam. De tegenwoordig in België woonachtige Amerikaan kennen we met name van The Blasters en de laatste jaren van The Fabulous Thunderbirds, maar de bluespianist speelde ook samen met rhythm & bluesartiesten als Big Joe Turner en T-Bone Walker en countryster Dwight Yoakam.
Aangezien CC Jerome’s Jetsetters een flinke shot rhythm & blues in hun sound weten te injecteren is de combinatie met Taylor een vanzelfsprekende. Daarbij kun je stellen dat CC Jerome’s Jetsetters een link vormen tussen Taylor en de rock ‘n’ roll wereld. In dat licht bezien zijn de instrumentals Evangeline Stomp (met sax en piano) en Flying With Whitey (met sax en gitaar), de snelle swingshouter Rockin’ Little Honey en de rhumbaballad Just A Midnight Girl wellicht de hoogtepunten van het album. Niet heel toevallig fungeert vrijwel op het gehele album saxofonist Martijn van Toor als belangrijke schakel. Ook driekwart van de in totaal vier covers zijn niet te versmaden: ik noem dan de nummers Seven Nights To Rock en Motorhead Baby, maar ook de New Orleans R&B Lloyd Price cover Shirley Jeans. Dat wil echter zeker niet zeggen dat de andere songs op het album van mindere kwaliteit zouden zijn, ze hebben wellicht wat meer luisterminuten nodig vanwege niet direct in het rock ‘n’ roll-oor liggend of ze zitten net iets teveel in de (rhythm &) blueshoek om de rock ‘n’ roller in mij te behagen, waarbij dan toch ook weer uitzonderingen op de regel te bedenken zijn want een snelle rhythm & blues bopper als The Golden Rule doen me echt wel… eh… boppen. Ook het op de jaren ’50 rhythm & blues geschoeide rauwe The Walkout klinkt tof. Op deze laatste beide nummers horen we trouwens niet Jerome doch Nick Curran op gitaar. Een bescheiden gastrol is er ten slotte weggelegd voor de Belg Jeffrey Thielens (Hometown Gamblers, harmonica) en Birgit Wijdemans (achtergrondvocalen).
Op de site van Gene Taylor wordt deze meer dan prima CD als een soloalbum vermeld (zijn derde van de pakweg vijftig waarop hij eveneens te horen is) en aangezien hij niet alleen de pianist maar ook de enige zanger op het album is, en daarbij ook de acht eigen nummers schreef, zou dat een logisch uitgangspunt kunnen zijn. Ik vind deze constatering echter een flinke tekortdoening aan de band CC Jerome’s Jetsetters featuring Martijn van Toor want zonder hen had het album compleet anders geklonken. Zo, dat wilde ik toch nog even kwijt! Info: www.gene-taylor.com en www.ccjeromesjetsetters.com (Frans van Dongen)


NOT FOR NOTHIN’/ MARTI BROM
Ripsaw Records RS 223/ Goofin Records GRACD 6705

Een dame vraag je niet naar haar leeftijd, dus vertellen wij het gewoon: Marti Brom is ondertussen 48, al ziet ze er naar de foto’s te oordelen én na twee kinderen nog steeds uit als een stuk. De brunette heeft haar sporen ruimschoots verdiend: haar debuutsingle Crazy Fever (van Sean Mencher van High Noon) kwam uit in 1992 en sindsdien bracht ze minstens zes full albums uit. Op deze Not For Nothin’ wordt ze na vijf jaar stilte ondersteund door The Potomac Playboys, zijnde gitarist Pedro Sera (Evan Johns & the H-Bombs, Danny Gatton), drummer Saul T. McCormack (Billy Hancock, Hank Ballard, Big Jay McNeely), bassist Louie Newmyer (Deke Dickerson, Collins Kids) en pianist Daryl Davis (Billy Hancock, Chuck Berry, Ruth Brown). Veel namedropping en dus ongetwijfeld mensen met de nodige ervaring, maar eerder studiomuzikanten dan doorgewinterde rockabillies, vermoed ik. The Potomac Playboys worden ondersteund door een hele resem extra volk: Bill Kirchen en Billy Hancock (gitaar), Dave Van Allen (pedal steel), Tad Marks (fiddle), Del Puschert (tenorsax), Chris Watling (baritonsax) en Bryan Smith (contrabas). De productie was in handen van pianist Peter Bonta (neef van T. Jarrod Bonta, pianist op Brom’s album Snake Ranch), een man die al een Grammy won, maar helaas geen Franky gaat winnen: hij is de man dankzij wie ik dit album niet zo goed vind als ik had gewild.... Ik neem immers aan dat hij als producer verantwoordelijk is voor de sound en de arrangementen, en die gaan helemaal voor rootsrock, niet voor rock ‘n’ roll. Bij momenten klinkt de gitaar namelijk te bluesy, de sax teveel als in een Amerikaanse televisiereeks in plaats van lekker vet, de viool teveel americana en te weinig western swing, en de piano teveel Floyd Cramer en te weinig Jerry Lee Lewis. Dat de nummers heel divers zijn vinden wij geen nadeel, integendeel: liever een gevarieerde CD dan 15 nummers die op elkaar lijken, zeker omdat rock ‘n’ roll zangeressen vaak het probleem hebben dat ze nagenoeg allemaal dezelfde ‘50s klassiekers coveren. Dat is hier zeker niet het geval: hoewel Brom geen enkel nummer zelf schreef passeert geen enkele female standaard de revue. Toch leert nadere inspectie dat heel wat songs van hele of gedeeltelijke vrouwelijke komaf zijn: Never No More en Write Me In Care Of The Blues (2x Patsy Cline), Sweet Baby Of Mine (Ruth Brown) en Finders Keepers (Wynona Carr) met blazers, Blues Keep Calling (Janis Martin), Something Blue (Teri Joyce), I Get The Blues When It Rains (Judy Garland, Peggy Lee, Lena Horne, Dinning Sisters, Annette Hanshaw, alsook veel mannen), Forbidden Fruit (Pat Brown begin jaren '60, Marti staat op de CD-inlay met haar op de foto), Sweet Thang (Ernest Tubb & Loretta Lynn), Feelin' Right Tonight (Billy Hancock, gecoverd door Martha Hull). Get A Little Goner van Bill Kirchen werd gepend door Kirchen met zijn vrouw Louise Kirchen en Austin contrabassiste Sarah Brown. Mascara Tears is gepend door Arty Hill (Long Gone Daddies) en Linda Hill (Jake Leg Strutters), geen familie van mekaar overigens. Girl power? De enige niet-female songs zijn titeltrack Not For Nothin’ (Sean Mencher), de afsluitende instrumental, en de klassieke trage A Fool Such As I (Elvis, Hank Snow). De nummers variëren van rock ‘n’ roll over twangy countryrock tot country ballads, duetten (met opnieuw Bill Kirchen) en rhythm ‘n’ blues jive light. Titeltrack Not For Nothin' valt een beetje uit de toon wegens een soortement zweverige dramatiek met keyboards en rhythm 'n' blues gitaar (benieuwd hoe het zou klinken gespeeld door High Noon), instrumental Spook House is niet spookachtig, ook niet Link Wray stijl zoals de promo beweert, wel Davie Allen surf-achtig. Evenveel trage als medium tempo als uptempo nummers, en veel nummers ademen Patsy Cline uit. Alles is uitstekend gezongen, maar ik mis beleving: in sommige snelle songs had ik toch meer kick, drive, scheur verwacht in de stem. Daarnaast vind ik de CD te netjes en te vlak en te vakkundig gespeeld en gearrangeerd. Alles moest mooi binnen de lijntjes, elk instrument mag keurig na mekaar zijn solo spelen, en het hele scala aan rootsrock stijlen moest en zou gebruikt worden. Ik mis iets ruws, iets nonchalants. Kortom: deze CD is niet wat ik had gehoopt, maar Marti Brom bewijst hier wel dat ze de Patsy Cline van de 21ste eeuw is. En dat ze nog altijd een stuk is. De CD is blijkbaar een joint venture tussen Ripsaw Records (USA) en Goofin (FI). Info: www.ripsawrecords.com, www.goofinrecords.com en www.myspace.com/martirockabilly (Frantic Franky)


ROCKABILLY MUSIC IS BAD BAD/
PEGGY SUGARHILL
Bear Family, BCD 17106 AH

Als je het bestelnummer leest: bcd 17106 ahaaaaa, dan kom je bij het horen van deze zangeres al gauw terecht bij het Freudiaanse ‘aha-erlebnis’. Aha, dát is dus dirty rockabilly! Peggy, Ilona Gerulat met burgerlijke naam, waarvan ik reeds in januari 2009 een optreden heb besproken, is nou niet bepaald het witte handschoentjes en geschoeide punthakjes type. Degene die haar ontmoet heeft, snapt direct haar eigen compootje en albumtitel Rockabilly Music Is Bad Bad Bad. Ze is zoiets als de hedendaagse zangmatige vertegenwoordiging van het ‘bad girl’ type. De opener, en tevens titel van het album, rockt hard. Ietwat hardrock-tintje dus in deze stevige rockabilly, die zelfs de Duitse hitformatie Baseballs laat verbleken als mannen zonder ballen. Peggy heeft ballen, gelukkig op de juiste plaats, en dat bewijst ze later nog in de gevoelig gezongen ballade I Won’t Stand In Your Way. Als je de CD in de handen houdt en even tot je door laat dringen dat dit album uit huize Bear Family is, dan schrik je wakker en denk je… waaaaw! Het komt uiterst sporadisch voor dat een revival act op Bear Family, dat immers gespecialiseerd is in re-releases van oude muzikale mottenballen, beland. Dus not bad voor een nog relatief nieuw talent in rockabillyland, om in de klauwen van de berenfamilie geraakt te zijn! Bravo! (om maar eens met de titel van een beroemd Duits tienermagazine te spreken). Miss Sugarhill laat zelfs de bleek gepoederde ‘vrouwelijke man’ Little Richard op diens oerhit Lucille witjes worden. Een lekker ruige rocker, deze versie hier! Eigen penseltje She Don’t Love You (volgens goede Amerikaanse traditie natuurlijk geen correct school-Engels), dat overduidelijk een Dani Klein (van het Belgische Vaya Con Dios) atmosfeer uitstraalt, valt niet alleen op door de powerzang van de Keulse, maar ook door het coole gitaargetokkel van André Tolba alias Adriano Batolba (ex-Backbeats). Dit nummer is echt voor het ruigere volk, de hotrodders en bikers onder de rockabillies. Een stevig vet nummer. Paladins-fans komen volledig aan hun trekken in Sticks And Stones, de cover van Titus Turner. Smullen in optima forma! Als we het dan toch over hedendaagse versies van oude juweeltjes hebben, dan mag daarin Money Honey van The Drifters niet ontbreken. De blanke zangeres met zwarte stem Ella Mae Morse, ging deze Miss Dynamite hier reeds voor in 1954. Nu 57 jaar later maakt het nummer deel uit van een, van begin tot einde, stevig rockend album. Andermaal een eigen pennenstreek: Gisele. Met sensuele vervoering, al luisterend in een schaars belichte kamer met een zielig kaarsje dat verwoede pogingen doet het luchtruim een romantische sfeer te verlenen, laten we dit nummer via onze oorschelp naar binnen glijden en afzakken naar het kriebelgedeelte, dat gewoonlijk rond Valentijnsdag (de dag dat ik deze recensie schreef) extra activiteit vertoont. Na dit heerlijke onderuitzaknummer worden we woest wakker geschud met haar interpretatie van Arthur Crudup’s That’s Allright Mama, dat wat vreemd gemixt is. Het klinkt wat rommelig, vooral tijdens het refrein. Bassofielen komen echter helemaal op hun kosten bij de contrabassolo en een kleine gimmick horen we hier nog in de zang, waarin Peggy met een licht Speedy Gonzales stemmetje af en toe een eigen flair aan het nummer geeft. Ook grootmeester Setzer wordt niet vergeten. Van zijn hand komt immers de gevoelige ballad I Won’t Stand In Your Way, waarbij ik als 17-jarige snotaap in 1983 mijn eerste kalverliefde traantjes wegpinkte. Dat nummer wordt hier op een prijzenswaardige wijze gerevived. Als we dan toch al in de 80’s zitten, dan is het niet verwonderlijk dat een andere hit uit 1983, Breakaway van Tracey Ullman (uit de vingers van Jackie DeShannon), hier acte de présènce geeft. Een pittige versie die haar gelijke niet kent! De reeds eerder geciteerde vette rockabilly-lijn wordt doorgetrokken in Switch Blade (Brian Setzer Orchestra) dat echte ‘powerhouse billy’ genoemd mag worden.
Conclusie: een vet rockabilly album voor de stoere binken. Zet je spaarvarkentje maar op dieet, het loont!
Info: www.bear-family.de. (Henri Smeets)


THE BEST OF RIPSAW RECORDS vol. 1
Part Records, PART-CD 650.005

Ripsaw Records werd in 1976 opgericht door Johnathan Strong en de in 2006 overleden Jim Kurkuff. In 1990 zag de voorlopig laatste release van dit label het levenslicht, want het zou tot 2010 duren voordat er een volgende CD uitgebracht zou gaan worden. De nu te bespreken verzamelaar tellen we niet mee, want dit is een product van Part Records uit Duitsland dat de opnames op dit album in licentie uitbrengt, al gingen in het verleden andere labels Part al voor. Deze serie moet wel het eerste echte overzicht van de releases van Ripsaw Records gaan vormen.
Wel, wat voor namen vinden we eigenlijk op Ripsaw terug? Louie Setzer & the Appalachian Mountain Boys hadden de eer om de eerste single vol te spelen (Ripsaw 209, als eerbetoon aan Elvis’ eerste single op Sun). Deze groep was geen rock ‘n’ roll band, doch een bluegrassgroep. De A-zijde heeft dus ook niet voor niets een titel als Bluegrass Hall Of Fame, echter het is de B-zijde Sweet Alla Lee die hier vertegenwoordigd is. Uiteraard is dit dus eveneens traditionele bluegrass. Daarna was het voornamelijk rock ‘n’ roll en aanverwante stijlen die de dienst van Ripsaw gingen uitmaken. Onder de meest bekende namen uit de jaren ‘80 zien we Billy Hancock en Tex Rubinowitz. Hancock’s uitstekende pianorocker The Boogie Disease werd een populaire song ten tijde van de rock ‘n’ roll revivalperiode en dat kunnen we ook zeggen van de Tex Rubonowitz’ rockabillysong Hot Rod Man. Ze werden destijds door het Franse Big Beat op 10-inch uitgebracht en werden heuse cultsongs in de scéne. Billy Hancock is trouwens het best vertegenwoordigd op deze verzamel-CD met maar liefst 7 songs en dat is prima voor diegene die nog niet bekend zijn met de veelzijdige Hancock die zich zowel rockabilly (Rootie Tootie) als jive (When I See You) en rock ‘n’ roll ballads (This Time) toe-eigende. Over bekende namen gesproken: de jonge Eddie Angel (Eddie Heeren) is de gitarist in Feelin’ Right Tonight van Martha Hull. In zijn solo’s hoor je Eddie op zijn eigen wijze tekeer gaan en hij creëert daarmee al duidelijk zijn handelsmerk. Ook opvallend: de Crazy Cavan cover Both Wheels Left The Ground vertolkt door Bobby Smith. Al was teddyboy rock ‘n’ roll typisch Brits, toch hakten ook Amerikaanse rockers met een dergelijk bijltje, zie ook Wheels On Fire van Kid Tater & the Cheaters. De gelijkenis qua sound is er natuurlijk ook dankzij het gebruik van elektrische bas, want in Amerika ging men pas veel later (weer) gebruik maken van de contrabas (met de groep High Noon als ‘nieuwe’ pioniers). Van geheel andere orde was de groep The Uptown Rhythm Kings die het op een jaren ’50 rhythm & blues wijze gooiden in de nummers Oooh-Wow! En No Use Knockin’ , beiden met blazers in de hoofdrol. De verrassing op het album vormen echter de drie songs van Marti Brom op het album. Deze songs zijn namelijk van het gloednieuwe Marti Brom album, het eerste album dat Ripsaw na 10 jaar weer heeft uitgebracht. Daarbij vind ik het opvallend dat deze songs nog tot de (naar mijn mening althans) beste songs op dit album behoren ook! Ik heb het dan over de prachtige honky-tonker Get A Little Goner, de schone countryballad Mascara Tears en de aanstekelijke jiver Finders Keepers van Wynona Carr.
Goed idee, deze release. Op naar volume 2! Info: www.part-records.de (Frans van Dongen)


ROCKS/ ELLA MAEA MORSE
Bear Family, BCD 16672 AR

De laatste jaren worden we overstelpt met pré-Elvis rock ‘n’ roll. Een eerbetoon aan hen die Elvis en de zijnen voorgingen in het rock ‘n’ roll-idioom, ook al werd de muziek toen nog niet zo genoemd. Dat vóór 1954 al puur gerockt & gerollt werd is voor ‘die-hearts’ niet nieuw, maar voor relatief nieuwe rock ‘n’ roll fans wellicht een oorverdovende verfrissing. Tot die frisse oerrockers uit de prehistorie van de rock ‘n’ roll behoort de zangmatige evenknie van Elvis: Ella Mae Morse. Zoals ‘Mr. Hip Wiggle’ een blanke was die als een zwarte klonk, zo deed Ella dat (met haar sexy touch in de stem) ook, echter reeds in de tijd dat Elvis net geboren was (rond 1935)! En dan zijn we meteen bij twee andere onvermijdelijke details: segregatie en ouderdom. Over dat eerste kunnen we kort zijn. Het was destijds niet vanzelfsprekend dat er bands waren met een mix van blanke en zwarte artiesten. Ella is ook in dat opzicht baanbrekend geweest, dus niet alleen qua zang. Wat dat tweede item betreft, de leeftijd, zit ze (geboren rond 1924: officieel 1923, maar andere bronnen vermelden 1924) in dezelfde leeftijdscategorie als Chuck Berry en Bill Haley. Wat dan opvalt is, dat ze carrière maakt in de 30’s/ 40’s, maar dat ze net als de oudere generatie (geboren rond 1910), met Louis Jordan en Joe Turner als prominente vertegenwoordigers, in de mid-50’s probeert met oude nummers nog eens rockend bij de nieuwe generatie aan te slaan, hetgeen (net als bij Louis en Joe) uiteindelijk jammerlijk mislukt. Zo ging ook voor haar de muzikale pijp uit in 1957. En dat, terwijl leeftijdsgenoten Chuck en Bill juist wel scoorden!
Je mag Ella zonder meer kwalificeren als een vrouw met een bewogen leven en repertoire. Vier keer getrouwd, zes kinderen en even zo vele hits: Cow Cow Boogie (1942, op dit album), Shoo Shoo Baby (1943), Louis Jordan’s cover Buzz Me (1946), Blacksmith Blues (1952, op dit album), Oakie Boogie (1952, op dit album) en Forty Cups Of Coffee (1953, op dit album), jawel het nummer dat we kennen van Bill Haley en de zijnen, maar eigenlijk het hersenspinsel is van rhythm & blueser Danny Overbea. Ze nam ook in 1954 Razzle Dazzle op, eveneens bekend van Bill. Als blanke zangeres had ze twee hits in de Rhythm & Blues charts: Shoo Shoo Baby en Buzz Me. Ella was een veelzijdige zangeres: jazz, swing, blues, jumpblues, easy listening, rock ‘n’ roll, hillbilly, country… nog iets vergeten? Uiteraard staan op dit prachtproduct uit huize Bear Family merendeels rockers uit de periode 1942-1957. Als kind had ze al enkele maanden gezongen in het orkest van Jimmy Dorsey, maar toen bleek dat ze minderjarig was, was de muzikale liefde over. Maar nieuwe liefde vond ze in de band van Boogiepianist Freddie Slack en in het duetteren met Johnny Mercer (bekend van ‘Pat Boone’s’ Bernadine uit 1957) en countrylegende Tennessee Ernie Ford.
Het zingende uithangbord van (het nog steeds bestaande) Capitol Records, nog lang voordat Gene Vincent, Wanda Jackson en Tommie Sands er de sterren van de hemel zongen, had net als Elvis een ‘gekleurde’ zang. En dat valt te beluisteren in de albumopener Drifter’s Money Honey uit 1954, een nummer dat de rockkoning twee jaar later eveneens opnam. De sensuele uitstraling van Ella kan je niet ontgaan en laat mijn testosteron lekker swingen: Have Mercy Baby! (cover van Dominoes). Rock Me All Night Long ademt een duidelijke Louis Prima sfeer uit, terwijl de cover van rhythm & blues diva (samen met Laverne Baker) Ruth Brown, Daddy Daddy met ‘zwarte’ Marilyn Monroe-zuchtjes, je al gauw laat verleiden tot de uitspraak ‘I prefer reds’. Terug naar de beginperiode van de roodharige, met The House Of Blue Lights (met een jivey dialoog met Don Raye), waarin haar jazzy voorliefde doorklinkt. Eveneens van de 1954 sessie stamt een andere cover van Ruth Brown, 5-10-15 Hours, een nummer dat ze voortreffelijk zingt (schitterende vibratie in de stem), ook al vind ik haar versie gekuister dan die van Ruth, en dat een heerlijke slow rocking beat heeft, afgewisseld met big band sound, vanwege de blazerssectie. Juist met die blazerssectie werd gejojoot, dan weer wel erbij, dan weer een sessie zonder. Zo vind ik ze minder geslaagd in de eveneens uit 1954 stammende Teardrops From My Eyes. Teveel swing en te weinig rock. Dat is wel even anders in Lavern Baker’s How Can You Leave A Man Like This (wat een statement!), met heerlijke sax (een standaard ingrediënt in alle songs van Miss Morse, van de longen van Dave Cavanaugh, die zoiets als ‘vaste prik’ was (met uitzondering van een enkele sessie) en coole guitarlicks die je doen denken aan Chuck Berry’s minestreelwerk. Coasters’ Lovey Dovey is een glansvolle slow doo-wopper, die echt in die tijd (1955) past. Maar wellicht was Ella met 31 lentes in die tijd al te oud voor het jonge publiek om stand te houden tussen de aanstormende ‘vinger aflikkers’ als Connie Francis, Wanda Jackson, Janis Martin, Jo-Ann Campbell (om me tot de meest prominente venusrockers te beperken)? Eigenlijk zat ze in hetzelfde vaarwater als Gale Storm. Goeie stem, goed uiterlijk, maar net niet sexy genoeg meer om glazen ogen of brilglazen te laten breken/ springen (zoals bij de melkman bij het zien van Jayne Mansfield in de film The Girl Can’t Help It). De boogie, met jazzy touch in de solo’s, Get It Off And Go uit ’47 is het voorlopige sluitstuk van de ‘zwarte’ muzikale kant van Ella. In cultsong Oakie Boogie, dat op het album twee maal te beluisteren is: de unissued versie en de in 1952 op plaat uitgebrachte versie, horen we haar op de country-boogie tour. Met piano geram van William Liebert dat zelfs ‘killer’ Jerry Lee laat verbleken en heerlijke steelguitar-breaks van Speedy West. Ook bekende muzikanten als Skeets McDonald en Jimmy Bryant zijn van de partij. Met Ernie Tennessee Ford aan haar zijde legt ze in 1952 een heerlijke stomper met False Hearted Girl op het dansparket. Greyhound is eigenlijk een voorloper van de sound die we van Jo-Ann Campbell kennen en (voor onze Britse rock ‘n’ roll-liefhebbers) van Wee Willie Harris en Don Lang. Een sound die ik omschrijf als ‘het carnaval der dieren’, audiomatig uitgebeeld met trombones (neushoorns) en trompetten (olifanten). Jump Back Honey (jawel, Gene zong het vier jaartjes later ook (maar dan wel beduidend rockiger)), is erg overgoten met een blazerssectie die door elkaar heen blaast alsof ze het spoor bijster is. A Little Further Down The Road A Piece laat het zangeresje uit het Amerikaanse Paris horen als een vrouwelijke Louis Prima, in een tweegesprek met Don Raye. Waarom het Marilyn Monroe-achtige doedeldeuntje Bouncin’ Ball op het album staat ontgaat me even. Dat zou je ook van de oppeppende mambo Big Mamou (waarin ze eveneens Spaans zingt) zeggen, ook al is het best een leuk nummer dat zo uit een film geplukt kon zijn. Wat dat betreft, ook daar weer een overeenkomst met Elvis, ook Ella maakte zich verdienstelijk in diverse speelfilms: The Sky’s The Limit (1943) met Fred Astaire, Reveille With Beverly (1943), Ghost Catchers (1944), South Of Dixie (1944) en Hit And Run (1957), met daarin Cleo Moore (de bad girl tegenhangster van Jayne Mansfield en Marilyn Monroe). Terug naar de muziek. Forty Cups Of Coffee (1953) is even geheel andere koffie dan de versie van Bill Haley uit 1957, gewoon een swingversie, terwijl Haley reeds in 1953 zijn eerste schreden richting rock ‘n’ roll maakte met Crazy Man Crazy. Vreemd dus, als je bedenkt dat Ella reeds vóór 1953 rockende songs opnam… je zou dus een rockendere versie van Forty Cups Of Coffee verwachten. Doo-wop-stomper Give A Little Time To Your Lover (lijkt me wel handig) met Hammond orgeltje is wel weer een exponent van de rockende kant van miss Morse. Dat kun je weer niet bepaald beweren van The Blacksmith Blues, dat Guy Mitchell of het 50’s musical alter ego van Britse oerrocker Tommy Steele alle eer aan zou doen. Wat dit met rock ‘n’ roll van doen heeft? Ella rocks? Lijkt me gewoon een albumvuller. Won’t You Listen To Me Baby? (typisch vrouwelijke uitspraak) uit 1956 daarentegen toont dat ze inmiddels door had hoe de ‘nieuwe muziekstroming’ de popcornsmullende teenagers uit de luie stoel moest krijgen. Dan, de uitgebrachte versie van Oakie Boogie. Dit is gewoon hillbilly boogie. De unissued versie, eerder op het album, is rockender! Smack Dab In The Middle, dat we van Wee Willie Harris kennen is softer dan die van de steeds in Flintstone kleding optredende Harris. De doo-wopper Yes, Yes I Do (wederom met orgeltje) heeft wat trekjes van Perry Como’s Kewpie Doll. Yeeeehaaaaa, it’s razzle dazzle time! Ella weet aardig in de buurt te komen van Bill Haley’s origineel, ook al is het wat braver (zoals dat voor een meisje ook hoort). De Fats Domino kraker Ain’t That A Shame is van dezelfde sessie en is een doo-wopversie met Jordanairs inslag. Piddility Patter Patter valt meer in de categorie van de highschool Frankie’s en Bobby’s en heeft veel weg van een kruising tussen een jonge Brian Hyland en Jo-An Campbell. Seventeen… Ella Mae Morse rocks! When Boy Kiss Girl, is niet alleen een oubollige titel die geheel de sfeer van die tijd weergeeft, maar tevens zitten we nog steeds in dezelfde sessie uit 1955. Ook deze doo-wopper rockt behoorlijk! En dat geldt ook voor het fenomenale Give Me Love met een ‘dowackado dowackado’- achtergrondkoor dat we kennen van Ferlin Husky en een orkest-rock ‘n’ roll sound heeft, zoals we die gewend zijn uit de Duitse rock ‘n’ roll eind jaren vijftig. Dan een rock ‘n’ roll-nummer in de stijl van de Britse Terry Dene: Rockin’ And Rollin’, dat pas 40 jaar later in 1997 van stof ontdaan werd en aldus het grotere publiek kon bereiken. Je zou zeggen dat vrouwen helemaal weg zijn van alles wat met huwelijk te maken heeft. Maar Ella dacht daar in Rock & Roll Wedding toch echt even anders over. Ze vond het nummer maar niks en dat hoor je ook: ze zingt de song alsof ze net in scheiding ligt (iets waar ze reeds drie keer eerder ervaring mee heeft gehad, voorafgaande aan de opname van dit nummer in 1956). Dan weer even een grote sprong terug naar het prille begin, toen er nog geen vuiltje aan de lucht was in het liefdesleven: Mr. Anthony’s Blues. Rock ‘n’ roll? Dat moet een vergissing zijn! Dat geldt ook voor Cow Cow Boogie. Niet echt een stampende boogie, ondanks de titel. Meer een Walt Disney Three Little Pigs deuntje.
En als we het dan al over pigs hebben: of Ella werkelijk over het gehele album rockt is aan de luisteraar overgelaten. Mijn knorrepot met krulstaartje, die de centjes voor dit album reeds heeft laten rollen, vindt echter dat het niet geheel de lading dekt (ook al is het zeker geen slecht album!). Een minpuntje nog: het boekje is slecht gebonden en valt na een paar keer in de handen houden al uit elkaar. Jammer, dat ben je van deze firma toch niet gewend. Info: www.bear-family.de.
(Henri Smeets)

naar boven



10 februari 2011

PLAY FOR KEEPS/ THE ASTROLITES
Heptown Records, HTR052

Geen flauw idee waarom het hardere werk tegenwoordig zo vaak in onze recensies opduikt. Het zal best wel populair zijn, maar dat zijn teddy boy of hepcat bands ook, en die releases vinden blijkbaar moeilijker hun weg naar onze redactie. Met andere woorden: wil je gerecenseerd worden op de enige echte Nederlandstalige ‘50s lifestyle site, stuur dan zeker je release onze richting uit! Maar ter zake, naar Zweden en naar het trio The Astrolites, ons helemaal onbekend, ook al verscheen hun debuut Hard Luck in 2007. Eén bekende naam in de bezetting: Uno Eiving, contrabassist van Jack Baymoore & the Bandits. The Astrolites hebben evenwel totaal niets te maken met de hepcat stijl van Jack Baymoore, want het gaat hier dus om luid, stevig en modern. Toch stoort dat niet, wegens a) prima gespeeld, b) de uitstekende geluidskwaliteit van de CD, c) de erg catchy melodietjes met meezingrefreinen, en d) het aanstekelijke van pretpunk zonder het vervelende gedram ervan. Alweer een trio dat klinkt als een kruising tussen Batmobile en Golden Earring? Inderdaad, maar voor één keer helemaal uit te luisteren zonder dat het begint te vervelen. Elf eigen composities, twee covers: I’m Coming Home (Johnny Horton) als trage rock, en Ring Of Fire (Johnny Cash) als uptempo party time. Als jij houdt van dit soort high speed rockabilly, leg dan zeker je oor eens te luisteren op www.myspace.com/astrolitesband. Info: www.hepcat.se en www.heptownrecords.com, verdeling via Sonic Rendez-Vous. (Frantic Franky)


UNLEASHED/ 777
Part Records PART-CD 689.001

Ik heb 777 (je spreekt het uit als Triple Seven) één keer live gezien, in september 2009 tijdens de Billy Lee Riley Tribute in The Rambler in Eindhoven. Ze verkochten daar een mini-CD, maar ik had toen niet bepaald de onweerstaanbare drang om die te kopen, omdat ze naar mijn smaak veel te veel Brian Setzer klonken. Trio bezetting? Check. Zanger-gitarist met Gretsch? Check. Ik weet niet of wat ze toen verkochten hun Or Don’t You Dare uit 2005 was, maar in elk geval staan zes van de zeven nummers van Or Don’t You Dare (de afwezige is This Just Ain’t No Lovesong) nu ook op het full length debuut van deze in 2005 in Osnabrück opgerichte band. Alle 12 nummers op de CD zijn trouwens gepend door zanger-gitarist Nikolai Petrova. Tot mijn opluchting klinkt de CD niet echt Brian Setzer, al ademt ie wel hetzelfde sfeertje uit: rocksongs gespeeld op z’n rockabilly’s, gitaar in de hoofdrol, lang uitgesponnen solos, veel tempowissels en veel jazzy gefriedel. Op het eerste gehoor lijkt de CD door het ontbreken van de gebruikelijke clichés- uitgezonderd de contrabas solo’s en die draak van een trage - wat minder toegankelijk, maar na enkele luisterbeurten begin je‘m te waarderen. Voor liefhebbers van het moderne werk geldt dus opnieuw: check ze uit op www.myspace.com/777 en www.tripleseven-music.de. Info: www.part-records.de (Frantic Franky)


naar boven



28 januari 2011

STRINGS OF FORTUNE/ ROCK OF AGES
Sam Sam Music, CDHL 20554

De Zoetermeerse formatie tingelt al langere tijd aan de muzikale weg op fortuinlijke snaren. Laat je niet misleiden door de toch wat ‘new age’-achtige cover (vooral de achterkant), het is gewoon lekkere vocale en instrumentale rock ‘n’ roll (instro). Het gezelschap rond ‘oudgedienden’ Han Olijerhoek (lead gitaar), Pierre Jaworski (vocals), Ed Jaworski (ritmegitaar), Arjan van den Oever (strings of toch synthesizer?) en Wilfried Hatasolt (basgitaar), Leon van der Geest (drums), rocken er lustig op los in de twee inviteersongs van het album: Lightriders en Happy Home. Het midtempo Sponza, net als de eerste twee songs een eigen ‘compootje’, plaveit de weg naar het eerste vocale nummer, de oude uit 1960 daterende Crickets-kraker Don’t Ask About Love. Jeugdsentiment puur voor de doelgroep van deze CD, die vooral uit gerimpelde tieners zal bestaan. Een andere vocale cover trilt in ons oor met one-hit wonder Phil Phillips‘ smash hit uit 1959 (no. 1 in rhythm & blues chart en no. 2 in billboard Hot-100): Sea Of Love, ooit door de Honeydrippers naar nummer 3 gezongen in diezelfde Billboard Hot-100 in 1984. Ondanks dat het eigentijdse opnames zijn, straalt het toch een vintage flair uit. Het zelfgepende en gezongen Tamara, heeft qua sfeer iets weg van A Steelguitar And A Glass Of Wine van Paul Anka uit 1962. Het vocale Trouble zweept je op, ook al vind ik de monotone drum wat te computerachtig en te hard klinken (op hoofdtelefoon althans, ook al horen rock ‘n’ roll-CD’s eigenlijk in een CD-jukebox te zitten, shame on me), waardoor het te zeer de aandacht trekt, jammer. Daardoor lijkt me bijna nog de voortreffelijke zang op dit nummer te ontgaan. Als we dan toch kritisch zijn, dan nog een opmerking over de geluidskwaliteit. Het lijkt wel alsof alle nummers van LP zijn opgenomen, want er is aan het einde van een nummer steeds rommelen te horen (zoals bij een platennaald over vinyl). Als dat geen nostalgie is! Zanger Pierre heeft even pauze op de Shadows-achtige songs Coral (slow) en Strings Of Fortune (uptempo). De ballade You lijkt qua sound wat op een sentimentele, naar ‘de ware’ smachtende, Engelbert Humperdinck met vetkuif. Na deze wegdromer klinkt het rockende Radio Lindau uit de speakers, allicht een ode aan die goeie ouwe tijd daar in Duitsland voor vele Nederlands-Indische bands. Refereert de song aan het in 1923 opgerichte Radio Lindau? Helaas is de zang namelijk niet duidelijk te verstaan op dit nummer. Andermaal galmt een bekende gouwe ouwe door het luchtruim: Connie Francis’ Everybody’s Somebody’s Fool uit 1960. Zij het, dat het zonder emotie, te technisch, gezongen wordt. Daar waar Connie helemaal verliefd is, lijkt het alsof Pierre niet weet waar de song over gaat. Jammer. De krachtige instro Force straalt inderdaad kracht uit. Ook al lijkt die extra gitaar in het refrein niet goed gemixed, klinkt ‘erbij geplakt’. Niettemin, toch een leuk nummer. Het gevoelige Maleise Risau is zowel gezongen als instrumentaal te beluisteren. Een echt ‘mens erger je niet’-song, lekker relaxed.
Al met al toch een album dat zeker past in de categorie spaarvarkenslachters. Conclusie: Instro-liefhebbers zullen ervan smullen evenals liefhebbers uit de volksstam der ‘nostalgiërs’. Info: www.samsammusic.com (Henri Smeets)


LICENSE TO THRILL/ COJACK 59
Cyberbilly Records, 1421

De tijden veranderen: vroeger stuurde men ons een CD, tegenwoordig krijgen we een gratis digitale download aangeboden. De moderne tijd, net wat u zegt. Deze License To Thrill is te koop als digitale download via websites als iTunes, maar we hebben de CD zelf nog nooit gezien. Vreemd genoeg staan de nummers op onze computer in een andere volgorde als vermeld op het hoesje, en de videoclip die hier zou moeten opstaan vonden we nergens. Kan natuurlijk ook aan onze onkunde liggen...
Cojack 59 is de Deense singer-songwriter-gitarist-producer Anders Carstensen die zich tot nu toe vooral met pop, rock en alternatieve muziek bezighield. Nu heeft ie zich op de rockabilly gestort en daarbij zet hij het grove geschut in: in de promo lezen wij dat hij “zijn respect betuigt voor de originele helden van de rockabilly, maar niet bang is om dat op zijn eigen manier te doen. Misschien brengt hij het genre wel naar the next level. The Stray Cats hebben rockabilly decennia lang gedefinieerd, maar na hun afscheidstour in 2008 moeten andere artiesten de fakkel overnemen”. Nu begrijpen wij dat je dat soort dingen moèt schrijven omdat de mainstream media anders geen flauw idee hebben waar het over gaat, maar ònze tenen gaan altijd krullen van ergernis bij dit soort onzin. Goed, laten we dan maar eens luisteren. De “CD” is erg modern van sound, aanpak en attitude. We horen inderdaad veel Stray Cats invloed (de intro’s van Chase The Devil en Cyberbilly bijvoorbeeld), maar is dat nou een referentie? We weten dat een Brian Setzer gitaar verplicht is in de ultramoderne rockabilly, zo vaak hoor je die immers, maar als je toch zo goed bent, verzin eens wat anders. Verrassender is dat we ook echo’s van The Polecats horen! Alle 12 songs "written, performed and produced by Anders Carstensen”, waaronder wij verstaan dat ie alles (uitgezonderd de piano in één nummer) allemaal in z'n eentje heeft opgenomen achter zijn ongetwijfeld super-de-luxe mengtafel. Op zich niet erg (wij hebben de huis-, tuin- en keukenvlijt van Hanc C. Burnette altijd weten te smaken), wel dat het bijna steriel clean klinkt. Bovendien begint het vrij snel allemaal hetzelfde te klinken (dat er nogal wat lange nummers opstaan helpt niet), niet zozeer qua stijl, wel qua sound, omdat we enkel gitaar, (contra?)bas en drums horen, buiten die ene keer die piano, in één ander nummer een mondharmonica, en in nog één ander nummer blazers die klinken alsof ze uit een computerdoosje komen. Bovendien treedt Carstensen al snel buiten de Stray-/ Polecats paden en begint ie heen en weer te springen tussen een Sleepwalk gitaar in rockballad stijl en uptempo poprock, soms zelf letterlijk zoals in het titelnummer. Andere songs koppelen die poprock aan doo-wop bop bop backings. En zo gaat dat maar door, terwijl The Stray Cats-sound steeds meer plaats moet ruimen maken voor niet-rockabilly. Niet leuk: de humor die wij hadden verwacht op basis van songtitels als My Danish Accent (dat ie helemaal niet heeft), Snow Man On A Frying Pan en Mozzarella De Lux (Every Thursday) blijkt er bij een casual beluistering helemaal niet te zijn.
Samengevat: een commercieel klinkende mix van moderne rock 'n' roll en rock met veel flashy gitaarwerk. Cyberbilly zeker, zoals een van de songtitels luidt? Het resultaat vinden we nooit echt 100% geslaagd: enerzijds te rock voor de popliefhebber, anderzijds te poppy voor fans van het stevigere hedendaagse werk, in de volksmond beeldrijk omschreven als noch vis noch vlees. Toch geïntrigeerd? Vorm je eigen mening op www.myspace.com/cojack59 , waarop we dan toch die videoclip vonden. (Frantic Franky)


ROCK ‘N’ ROLL PHILOSOPHY/ THE FOGGY MOUNTAIN ROCKERS
Part Records, PART-CD 627.008

Toen jullie redacteur, als presentator, samen met deze band op het podium stond in 2005 op het Teddyboyfestival in Vlissingen, kon hij nog niet vermoeden dat ze allen nóg een hobby delen: filosofie. Zeker de rock ‘n’ roll-filosofie is een interessant vakgebied. En als je dacht dat deze opmerking alleen maar gekkigheid is, heb je mooi naast het befaamde potje gepist. Want de populaire TV-presentator met Schmalztolle (vetkuif) uit het Rheinland, net als de Foggy Mountain Rockers, Götz Alsmann (in de 80’s o.a. voor rockabillylabel Mac Records actief (yep!), bekend als voormalig rock ‘n’ roll-radiodeejay Prof. Bob, als bandlid van zijn eigen rockabilly-/ jive-band The Sentimental Pounders, van gemeenschappelijke projecten met Sunny Domestozs en The Keytones, die echter de laatste jaren het ruwe muziekgeweld heeft verruild voor zoetsappige easy listening en jazz) is ooit afgestudeerd (!) op de rock ‘n’ roll. Jawel! Die afstudeeropdracht is in boekvorm verkrijgbaar en inmiddels een collectors item: Rock & Roll Subversiv (betekent: rock ‘n’ roll rebellerend, ook al kennen de Duitsers tevens het minder chique woord voor subversiv: ‘rebellisch’). Goed, het blijkt dus dat rock ‘n’ roll een wetenschap is (er bestaat zelfs een technisch (!) boek over de rock ‘n’ roll: The Art Of Rock And Roll van Charles T. Brown, waarin de diverse stijlen (rockabilly, doo-wop etc.) vanaf de 50’s volledig worden ontleed). Rock ‘n’ roll is dus ‘salonfähig’ geworden, zeg universiteitsrijp. Genoeg gefilosofeerd, naar de muziek zelf! Sinds dat optreden in 2005 is er qua bezetting niet veel veranderd, zij het dat men versterking heeft gevonden in de persoon van basgitarist Olaf Gross (sinds 2010). De overigen zijn veteranen, de meesten zelfs nog van de oerbezetting uit 1992 toen alles begon. We horen: zanger Heiko Piecha, ritmegitarist Ingo Goerges, percussionist Domenico Todaro, drummer Sven Schürmann en leadgitarist Mario Oehlmann (die in rockabillymekka Finland woont). Foggy Mountain Rockers is een typisch voorbeeld van Deutsche Gründlichkeit (Duitse grondigheid): de band pakt alles gedegen en weloverwogen aan, een beetje atypisch voor rock ‘n’ rollers (smile). Voor de rest is het een echte bende Teddyboys hoor. Een band die in haar ruim 18-jarige bestaan een behoorlijke reputatie heeft opgebouwd. Op dit album eren ze de Nederlandse oerrockers Ronnie Nightingale & The Haydocks (in 2006 op het Teddyboyfestival Vlissingen, met enkele Foggy Mountain Rockers-leden als bezoekers), die reeds jaren geleden de 80’s neo-rockabilly hebben ingeruild voor de 70’s teddyboy, met diens song Don’t Break My Heart Again. Dit nummer is tevens het langste nummer met ruim 5 minuten. Daar waar men in de 50’s gewoonlijk bleef plakken rond de 2 minuten is het gemiddelde inmiddels opgeschoven naar de 3 minuten. Dit album is daar geen uitzondering op. Het kortste nummer op dit album is 2:49! De meeste songs zijn dik drie minuten of enkelen zelfs meer dan 4 minuten. Met 18 tracks levert dat toch gauw een zatte 75 minuten muziek op. De songs zijn, behoudens het eerbetoon aan Ronnie en de zijnen, allen eigencomposities (merendeels) uit de pen van zanger Heiko Piecha en Mario Oehlmann. Het is goede ouderwetse teddyboy van topkwaliteit, ook al hebben de songs een ietwat eigen soms eigentijds aandoende touch. Tekstueel bewegen hun nummers, die ook afgedrukt staan in het schitterende booklet, zoals gewoonlijk tussen liefde en ‘being a teddyboy’. It’s Not Too Late To Be Wild, Pain Hurts, Be Apart en logo Teddyboy Anthem zijn eersteklas Tedstompers. Geheimtip What Are You Waitin’ For is swingende rock ‘n’ roll met een lichte doo-wop touch, terwijl men in The Fog het rockabillypad kruist, om in Alone in een ruige country-achtige omgeving te belanden. Dat je een Man’s Ruin ook op teddyboy-wijze kunt bezingen is een schrale troost bij de oude wijsheid dat mooie vrouwenogen nog geen gelukzaligheid in optima forma hoeven betekenen (als we het dan toch al over filosoferen hebben…). Countrysong The Wanted Man In Black wordt afgewisseld met de uptempo rocker Tender Days (met doo-wop feeling). Something Wrong With You en Teddyboy Movement laten Teds-harten harder bonken. Countrysong Wanderin’ Stars is weer eens een teken dat de band zich niet als een zuivere Tedband ziet. Overigens, dat er nauwelijks superlatieven in deze recensie te vinden zijn, betekent geenszins dat de kwaliteit niet goed zou zijn, integendeel: het is zo goed, dat je lovende woorden tekort komt! De rockabilly The Beat is een song, die qua titel ook treffend het karakter van dit album weergeeft: het is ‘the beat’ die je de rock ‘n’ roll laat beleven, zoals je die als rock ‘n’ roll-fan wilt beleven: wild, dirty en cool. Ook al is rockabilly-instro Illuminati meer een beschaafd toonbeeld van vakmanschap. Voor de één is het gewoon muziek, voor de ander zelfs een religie: de rock ‘n’ roll. Echter, op Rock ‘n’ Roll Religion zou zelfs de bisschop nog de voetjes van de vloer laten gaan. En voor alle mannen die volgens hun vrouwen tijgers zijn, het kan ook anders: de werewolf rocker She Brings Back The Wolf In Me is quasi het corpus delicti. Als afsluiter het reeds geciteerde eerbetoon aan de Nederlandse nachtegaaltjes der teddyboymuziek. Als je spaarvarken zou kunnen spreken, zou die zeggen: thank God, I’m a teddypig! Conclusie: een topalbum van een topband, je hoort gewoon het jarenlange vakmanschap. Info: www.part-records.de (Henri Smeets)


RIP AND RUN/ JINX JONES
Home Braend Records, geen cat. nr.

De titel klinkt als ‘CD rippen en dan gauw wegrennen’. Maarrrrrr dat ontmoedigen wij ten zeerste, want zijn we niet toevallig nog overblijfselen uit de brave generatie die nog iets in de handjes wil hebben: single, EP, LP, CD? Prrrrrrecies!
Sinds de jaren ‘70 weten we al dat Amerikanen meer experimenteer lustig zijn dan Europeanen als het gaat om het ‘reviven’ van vintage rockabilly. Daar komt nog eens bij dat de jongere generatie tegenwoordig, opgegroeid met andere muziekstijlen, naar hartenlust de verschillende ‘muziek’stijlen met rockabilly mixt, hetgeen al dan niet geslaagde crossovers oplevert.
De van oorsprong Denverse muzikale kameleon (heden woonachtig in San Francisco) is daar geen uitzondering op, ondanks dat zijn teens in de jaren ‘70 lagen. Je ziet het de man niet aan, muziek houdt je jong! Niettemin, wellicht dat die jongere generatie van nu Jinx beter kent dan de oudere ‘kuifjes’, omdat deze man zijn zeer verdienstelijke bijdrage heeft geleverd aan de grote hit van R&B (niet vintage rhythm & blues!) diva’s En Vogue: Free Your Mind.
Bo Diddley zong ooit eens het wijze rock ‘n’ roll-wijsje You Can’t Judge A Book By Looking At It’s Cover en dat geldt zeker voor dit album en de bijbehorende artiest. Ik heb nog nooit zo’n marginaal “ingedoste” (!) CD gezien van een zo grootse artiest! De ’57 Gretsch Country Club, ’68 Fender Telecaster (met Bigsby tremelo), Fender Jazzmaster (jawel!) en ’69 Guild Artist Award-tokkelaar, begon rond 1976 op zich opmerkzaam te maken, rond 1978 maakte hij deel uit van de doo-wop showband Tom Slick en in 1979 begeleidde hij al gitaargrootmeester Chuck Berry. Hij hupte van band Jinx Jones & The Jaguars via The Tel Rays en Jinx Jones and Friends tot The Bachelors en nu dus Jinx Jones & The Kingtones. Ondanks dat Jinx van veeeeeele muziekmarkten thuis is en naast zijn huidige band Jinx Jones & The Kingtones, ook een jazztrio exploiteert, is het hier besproken album een ‘tutti frutti’ van mainstream vintage rock ‘n’ roll, doo-wop, jive, surf, rockabilly, country en een vleugje jazz. Een gewaagd concept, want niet velen zullen zo’n brede rock ‘n’ roll-/ muzieksmaak hebben, maar ik vind het cool dat iemand het toch aandurft.
Jinx is overduidelijk verliefd op gitaren en dat hoor je ten overvloede! De binnenkomer On Parole And Out Of Control laat de Texaan niet alleen vocaal horen als een jonge Brian Setzer, maar zeker ook gitaarmatig! Zie hem daarom dan ook gemakshalve als ‘het kleine broertje’ van Brian. De sound van dit nummer mag evenmin verbazen: de hedendaagse Setzer rockabillysound, vrijwel letterlijk gekopieerd. De jiver Never Live It Down swingt niet alleen lekker, maar toont ‘s mans gevoel voor authenticiteit! Na deze swingende noten uit de zwarte hoek van de Amerikaanse muziek naar de blanke country: Doghouse. Opvallend is het gemak waarmee Jinx zich tussen de verschillende stijlen beweegt. In de jazzy instro How High The Moon hangt hij helemaal de ‘snaar-aaier’ uit en heeft er helemaal zin in, zo klinkt het gewoon. Van de elitaire jazz naar de gewone rhythm & blues Time To Have A Good Time Pt. 1 (de aanduiding Pt. 1, wellicht in navolging van Bill Doggett’s Honky Tonk Pt. 1 & Pt. 2). Verderop staat trouwens, voor diegene die niet genoeg kan krijgen van deze partystomper, nog Part 2. Groter kan de overstap bijna niet zijn van mid 50’s rhythm and blues naar early 60’s ‘verwende strandjongetjes’ surf: Rip And Run. Jinx is eigenlijk een wandelende jukebox. Stop er een dime in en hij speelt gewoon wat je wilt. Het frappante aan dit nummer zijn enkele Japans aandoende guitarlicks die we kennen van onze eigen Treble Spankers van weleer, maar meer nog van de gespleetoogde 60’s eleki-bands (instro gitaarbands) uit het land van de rijzende zon zelf. Aan einde van het nummer haalt hij warempel uit zijn gitaar nog een cellogeluid. Hot Rod Heartbreaker is meer mainstream rock ‘n’ roll, dat ondanks de drive wellicht toch wat te soft is voor tussen het glimmende chrome en de gepimpte carrosserieën op hotrod festivals. Daar kan het motorgeluid aan het einde van het nummer geen verandering in brengen. Maar okay, dat was even onder de noemer m..renn..ken (niet uitleggen aan je kroost). Jinx is blijkbaar geheelonthouder (dat heeft niets met het overslaan van een paar dagen verplicht ‘tussen de lakens’-werk te maken, maar is gewoon een ‘Bob’), want in plaats van een droevige blues heeft hij er een vrolijke country-polka van gemaakt: No Beer In Heaven. Minder vrolijk, maar daarvoor heel bluesy, gaat het toe in de instro Vibro Exotica. Een nummer voor smullers van het rustige gitaarwerk. Lekker rocken voor de bakvissen (ouwe nozemterm voor ‘lekkere dingen’), die Jinx hier Redneck Barbie(s) noemt. What Makes You Think I’m So Lonesome klinkt als een kruising tussen Guy Mitchell’s Heartaches By The Number en Marty Robbins’ Cigarettes And Coffee Blues (hier in Nederland beter bekend van Ricky & The Rhythm Strings). Prairie Dog Daddy heeft niks te maken met een dorstige door de woestijn rijdende cowboy, maar is gewoon verblankte jumpblues met countrytintje. Tot slot leidt het rustige nummer Roma’s Song met een zeer hoog ‘oogjes dicht, snaveltjes toe’-gehalte je naar bed. Het is tevens het meest poppige nummer, dit schildpad-instrumentaaltje.
Eindconclusie: zowel voor gitarofielen als muzikale allesvreters een heerlijk album. En omdat spaarvarkentjes ook allesvreters zijn… Info: www.jinxjones.com en www.homebraend.com (Henri Smeets)


naar boven



14 januari 2011

COME TO NEW ORLEANS/ CHRIS ALMOADA & THE BROKEN HEARTS
Rydell’s Records RR710/1

Chris Almoada is de leadgitarist van Easy Lazy C & his Silver Slippers, een van de wildere en voor mijn geld betere Franse bands, en deze CD is de eerste release op een gloednieuw Frans label, Rydell’s Records, opgericht door ene Steve Rydell die ergens midden in Frankrijk een studiootje begonnen is. Nou, zowel Rydell als producer en Almoada als zanger hebben in elk geval talent zat, zo blijkt uit dit album. Dat Almoada een aardig potje gitaar kan spelen wisten we al van bij Easy Lazy C, hier toont hij dat hij ook vocaal sterk genoeg is om zelf een album te dragen, met als enige nadeel zijn accent, euvel dat zowat alle Fransmannen parten speelt. Ik heb ooit een (uiteraard) Franstalige omstandig horen uitleggen dat alle Amerikaanse rockabillies ook maar in hun eigen lokale accent zongen en dat daar nog nooit iemand om heeft gemaald. Waar ik niets aan kan toevoegen, dus laten we maar ophouden met zeuren, vooral omdat Almoada op zich een goeie stem heeft, een vriendelijke stem ook, wat hoger dan de gemiddelde rockabilly, maar aangenaam om te horen en passend bij de muziek die hij maakt. En die muziek is, misschien niet verwonderlijk voor een gitarist, vooral melodieus, in tegenstelling met de white rock van Easy Lazy C. Melodieuze rockabilly is de boodschap, al verwachtte ik op basis van de titel van de CD New Orleans muziek. Covers zijn ondermeer Rock Crazy Baby (Art Adams), Kiss Me Baby (Al Ferrier), Sally Ann (Doug Clayton), Rock ‘n’ Roll Fever (Cecil Campbell & the Tennessee Ramblers) en Show Me The Way To Go Home (hier toegeschreven aan Glen Glenn maar eigenlijk een oude folksong in 1925 bewerkt door Irving King, pseudoniem van het Britse componistenteam James Campbell en Reginald Connelly – zoek op YouTube de instrumentale Dixieland versie uit 1925 van The Tennessee Happy Boys en de vocale charleston versie uit 1925 door The California Ramblers, en u ontdekt automatisch dat - verrek - zelfs U2 dit ooit heeft gespeeld !). De originelen van al die songs zijn misschien niet de wildste rock ‘n’ roll ooit uitgebracht, maar wel steeds melodieus. Zelfs het doodgecoverde Broken Heart van The Moonlighters blijft fris klinken in Almoada’s sprankelende uitvoering. Broken Heart staat er zelfs twéé keer op, de tweede versie voorzien van Mexicaanse trompet. Die trompet duikt ook op in het titelnummer, maar dan gewoon als trompet, sinds Sonny Burgess een volwaardig rock ‘n’ roll instrument. All The Time klinkt veel frivoler dan Sleepy Labeef’s rauwe origineel, Gene Vincent’s Cruisin’ krijgt een heel ander arrangement, en bij een gitarist mag een instrumentale fingerpicker niet ontbreken, in casu Cannonball Rag van gitaarheld Merle Travis. De eigen nummers misstaan niet in dit gezelschap: Another Mornin’ is een goeie shuffle in tegentijd, Cool Cat had van Lew Williams kunnen zijn, Somebody’s Knockin’ en Gone Really Gone zijn rockers in overdrive. Het geheel bewijst vooral dat melodie en toch volle gas doorrocken niet noodzakelijk in contrast met elkaar staan. Almoada wordt op deze CD niet begeleid door hetzelfde dozijn Fransmannen die álle Franse rockabillybands lijken te bevolken, maar door zijn eigen Broken Hearts, zijnde contrabassist Pascal Freyche (ex-Al Willis & the Swingsters) en de uit de jazz afkomstige drummer Gael Pétetin. Capabel groepje, zo lijkt me: ze spelen prima, en de mixing van dit album doet hen recht aan: de contrabas zit voorbeeldig in de mix, zang en de flashy gitaar zitten mooi scherp vooraan. Extra gast op de CD is pianist Jean-Pierre Cardot (ook bij Little Lou & the Exotix en Nico & the Rhythm Dudes) en hij zorgt uiteraard dat een deel van de tracks niet alleen rocken maar ook rollen.
Eindconclusie: zo moesten er meer debuten zijn!
Info: www.myspace.com/rydellsrecords en www.myspace.com/chrisalmoada, en check vooral ook het promoclipje voor de CD. (Frantic Franky)

Demo Recensie

THE SUNCOURT RAMBLERS/ THE SUNCOURT RAMBLERS

Deze demo kreeg ik in handen gestopt door Koen Depreitere met de vraag “jij zit toch in de roots, niet ?” Tja, wat heet in de roots zitten? Het enige voordeel van oud worden is dat je meer muziek leert kennen. Begonnen met rockabilly leerde ik gaandeweg meer muziekjes waarderen in diverse genres als country, big band swing, crooners, vaudeville, Hawaiiaanse muziek, ska, calypso of wat ook meer. En dan zit je in de roots zeker? Altijd beter dan in de rats zitten, zeg ik altijd maar. Het betrof hier bluegrass, aldus Koen, en omdat hij vroeger zong en gitaar speelde bij de bijzonder luidruchtige Demon Teds (ze speelden na net geen 10 jaar hun laatste optreden op 28 augustus 2009), een groep die ik makkelijkshalve bij de psychobilly indeel, verwachtte ik me aan een of ander trashy gedoe. Groot was mijn verbazing toen me duidelijk werd dat het hier wel degelijk de real stuff betrof, authentieke onvervalste bluegrass uit de oude doos! The Suncourt Ramblers komen uit Belgisch Limburg en zijn met zeven. Buiten Koen (die hier contrabas speelt) ken ik niemand van de band, maar ik hoor en zie akoestische gitaar, viool, mandoline, banjo, ukelele en dobro. Deze demo werd live opgenomen bij een optreden, met na elk nummer een beleefd en netjes uitfadend applaus. Alle nummers zijn klassiekers en traditionals (Riding That Midnight Train, Nine Pound Hammer, My Sweet Blue Eyed Darling, Rank Stranger, Columbus Stockade Blues, High On A Mountain Top, Hold Whatcha Got), terwijl we Rollin’ In My Sweet Baby’s Arms, Cigarettes Whiskey And Wild Wild Women en Mama Don’t Allow ook in rock ‘n’ roll middens als bekend mogen beschouwen. Dirty Old Town is vooral bekend als folksong van The Dubliners (u kent ongetwijfeld de hitversie van The Pogues uit 1985) maar werkt wonderwel als bluegrass, en Man Of Constant Sorrow is sinds de film O Brother Where Art Thou (2000) verplichte kost. Enig nummer dat op negatieve wijze opvalt is Rocky Raccoon, een Beatles nummer van hun White Album uit 1968, beter bekend als “de dubbele witte”. In deze bluegrass setting is het totaal overbodig, want het klinkt alsof een singer-songwriter nadrukkelijk zijn solo folkding wou doen. Die ene misstap daargelaten klinkt deze live opname geheel volgens de regels van de bluegrass kunst : een afwisseling van snelle en medium tempo nummers, verschillende leadzangers met op gezette tijden de hele band die vocaal een tandje bijsteekt, elkaar opvolgende solo’s van viool, banjo, dobro en mandoline. Vergeleken met hét rockende en ronkende bluegrass ijkpunt in onze scene, de Nederlandse Hillbilly Boogiemen annex Blue Grass Boogiemen, klinken The Suncourt Ramblers minder ervaren (kan ook niet anders, de Boogiemen hebben járen voorsprong) maar daarom niet minder enthousiast of authentiek. Want zo klinken ze wel degelijk, en gelukkig vooral niet gepolijst, er zit een rauw kantje aan zowel zang als muziek, en de slap van de contrabas geeft een rock ‘n’ roll injectie aan het klaaglijk jankende instrumentarium.
The Suncourt Ramblers lijken me de ideale band om deze zomer in Vlaanderen wat parkfeesten en andere door de overheid gesubsidieerde festivalletjes op te vrolijken. Het laatste wat Koen me vertelde is dat de banjospeler (als ik me goed herinner, want de drank vloeide die avond weer rijkelijk) opgestapt is en ze een accordeonist hebben ingelijfd. Zo gaan ze misschien naar de toekomst toe wat meer richting cajun, hahaha. Als u ook in de roots zit, hou ze dan in de gaten op www.myspace.com/suncourtramblers. Meer info over Koen Depreitere vindt je op www.demonland.be (Frantic Franky)

naar boven

CD Recensies

5 januari 2011

SLEIGHING TOGETHER
Old Time Mono Recordings, geen cat. nr.

Okee, we weten het, kerst is achter de rug, maar we kregen dit pas op 30 december in handen gedrukt door Mario Mattucci van de Belgische bands The Be-Bop’s en Charlie Roy & his Black Mountains Boys, en wat moeten we dan? Wachten tot kerst 2011? Dan is het helemaal vijgen na, euh, pasen. Deze CD-R is huis-, tuin- en keukenvlijt door Mattucci en de zijnen in elkaar gebokst om te verkopen tijdens optredens in december. Er staat nergens vermeld wie nu juist meespeelt op deze opnames, maar Mario bevestigt me dat het wel degelijk The Be-Bop’s zijn die de begeleiding verzorgen.
The Ukelele Girls openen met Santa Claus Is Comin' To Town in een medium tempo old time country boogie versie met de verplichte jingle belletjes, na de gitaarsolo zingt de hele band mee. Hoe oud zijn ze nu, Emma en Laurie? Twaalf en veertien, en daarmee nog steeds met voorsprong de jongste rockabilly artiesten in heel Europa, denk ik. Ze klinken een beetje aarzelend hier en zingen niet voor het volle pond door. Misschien te snel opgenomen zonder dat het liedje voldoende gerodeerd was tijdens optredens? Zou kunnen, want kerstliedjes zing je natuurlijk enkel in december. Nicky Black, de nieuwe zanger (!) van The Be-Bop’s na het vertrek van David Green, brengt White Christmas in een rustige medium tempo country interpretatie, met een stem die me wat doet denken aan de verhalende stijl van Willie Nelson. Muzikaal en vocaal erg geslaagd, én helemaal anders dan de White Christmas die The Be-Bop’s mid jaren ’90 opnamen voor de You Can’t Stop The Christmas Hop compilatie op Be Be’s Records (D). Mario zelf zet zijn Charlie Roy hoed op voor nog meer oldtime hillbilly met Faron Young's Gonna Tell Santa Claus On You, toepasselijk door de neus gezongen en met kalme jazzy lead en steel gitaar, net als de akoestische gitaar én de contrabas door Mario eigenhandig ingespeeld. Afsluiter is Jingle Bells, opnieuw hillbilly met The Ukelele Girls die het refrein voor hun rekening nemen en Nicky Black die de strofen zingt. Zijn stem klinkt hier helemaal anders maar even goed als in White Christmas. Best een goeie stem, hoor, en dus zeker een geslaagde personeelswissel bij The Be-Bop’s! Ik heb hem nog niet gezien bij de 'nieuwe' Be-Bop’s maar wel al met zijn eigen band Nicky Black & the Mystery Strings die zowat het hele eind ’50 begin ’60 repertoire van Cliff & the Shadows naspelen, niet als saaie retro maar als wilde rock ‘n’ roll. Maar terug naar Sleighing Together: muzikaal meer aanleunend bij de stijl van Charlie Roy & his Black Mountains Boys dan bij The Be-Bop’s had dit vroeger een various artists vinyl-EP geweest die ongetwijfeld een collector item zou worden, anno 2011 kan je het à 7 euro kopen als een met de computer gekopieerde CD-R. De tijden veranderen, en helaas niet altijd ten goede. Ik veronderstel dat dit enkel te koop is bij optredens van The Be-Bop's en Charlie Roy, dus check out www.myspace.com/charlieroy en www.myspace.com/thebebops (Frantic Franky)


ROCKABILLY TOWN/ THE SUN SKIPPERS
Skip Records SKIPCD03

Hun lang verwachte tweede album, zeggen deze Zwitsers zelf ironisch, want hun vorige verscheen in 2001! Waaraan die lange stilte te wijten is vermelden ze er niet bij. Ik ken het reeds in 1993 opgerichte trio niet, dus kunnen we dit album geheel onbevooroordeeld beluisteren. Zes Sun covers, een foto van Memphis op het hoesje, een foto van de Sun studio binnenin en uiteraard de naam van de groep: dit bezoek aan Rockabilly Town is overduidelijk een tribute aan Sun Records, het bekendste en misschien wel beste onafhankelijke rock ‘n’ roll label uit de jaren ’50, de kraamkamer van de rock ‘n’ roll als het ware, want zowel Elvis als Carl Perkins als Jerry Lee Lewis als Johnny Cash als Roy Orbison namen er hun eerste plaatjes op. Daarom verrast het dat The Sun Skippers totaal niet Sun klinken. Nee, dit klinkt standaard 'moderne' rockabilly, met de cymbalen en hi-hat netjes in de mix en veel slap op de contrabas. En laat dat nu net zijn hoe Sun niét klonk, want daar was het steevast een bont allegaartje bij wijze van spreken opgenomen met één microfoon rond een hoop instrumenten die ergens in de achtergrond een merkwaardige maar bijzonder opwindende maniakale muzikale brei vormden. Een bijkomend probleem bij The Sun Skippers is dat ze – laten we de dingen bij hun naam noemen – niet echt goed zijn, dus het feit dat ze oorspronkelijk in 1993 opgericht werden bewijst in elk geval dat het volhouders zijn. De muzikanten zijn vrij gewoontjes, de zang is zwak. Op het menu zoals gezegd zes Sun covers (You Can Do No Wrong van Carl Perkins, Get Rhythm en Blue Train van Johnny Cash, Rockin’ With My Baby van Malcolm Yelvington, Trouble Bound van Billy Lee Riley, Southbound Line van Tracy Pendarvis), en drie niet-Sun covers: Rockabilly Blues van Johnny Cash’ gelijknamige LP uit 1980, Movin’ South van Bill Scott Davis die dat merkwaardig genoeg in de jaren ’70 opnam (hier wordt het melodieuze countrybilly), en de traditional Rovin’ Gambler, ondermeer gedaan door The Everly Brothers, Hank Thompson, Tennessee Ernie Ford en Marty Robbins – de versie van The Sun Skippers lijkt me gebaseerd op die van Marvin Rainwater onder de titel Gamblin’ Man. Naast de covers bevat de CD ook zes eigen composities van zanger-gitarist Steve Blaser (hij speelt op sommige nummers ook piano, mondharmonica en elektrische bas, waardoor The Sun Skippers soms veel “voller” klinken dan een trio), en tot slot een nummer van gast Dano Paladini, een andere rockende Zwitser die gitaar en duozang bijdraagt op zijn eigen Hayride Boogie, een nummer dat niets met de Louisiana Hayride van doen heeft uitgezonderd de vermelding van Elvis’ passage daar. Paladini nam die Hayride Boogie zelf al eerder op voor zijn album Louisiana Hayride uit 1994. De eigen songs zijn divers: Sunrise is - u had het al door - een eerbetoon aan Sun in de typische Scotty Moore fingerpick, Rockabilly Town en Hot Rod Chevy zijn moderne rockabilly die totaal niks met Sun vandoen hebben. Hun (gezongen, niet instrumentale zoals je zou verwachten) Harmonica Boogie noemen ze zelf een ode aan bluesharp meesters als Big Walter "Shaky" Horton, Joe Hill Louis en Doctor Ross die alle drie voor Sun opnamen, ik noem het daarentegen standaard bluesrock zoals die elke zaterdagavond in het plaatselijke bluescafé gespeeld wordt, wat helaas evenzeer geldt voor hun Rockabilly Blues (Texas 1955) cover en hun eigen instrumental Beale Street Strut. Guitar Weekend is een medium tempo instrumentale fingerpicker met overdubs in de stijl van Chet Atkins, Les Paul, de jonge Eddie Cochran of Glen Glenn's gitarist Gary Lambert. De niet vermelde ghost track is opnieuw Hayride Boogie maar dan in een heel ander arrangement, namelijk als een geinige parodie op de zwarte gospel-achtige vocal harmony - om opnieuw naar Sun te refereren in de stijl van The Prisonaires. De 'zwarte' stemmen zijn erg goed gedaan, maar helaas zit je met dat zware Duitse accent van Steve Blaser.
Verrassend op deze CD is ook dat sommige van de eigen nummers veel beter gespeeld klinken dan de Sun covers. Misschien spelen ze die eigen songs al veel langer en hebben ze ze daarom vlotter onder de knie, al kan dat gewoon een foute interpretatie van mijnentwege zijn natuurlijk. En uiteindelijk is het best jammer dat The Sun Skippers niet echt een fantastische band zijn, want hier en daar hoor je goeie ideeën, zoals de catchy opener Rockabilly Town of hun arrangement van Get Rhythm dat richting bluesbop gaat!
In elk geval is deze CD veel meer dan enkel een Sun tribute. U ziet maar wat u er mee doet. Aan het bestelnummer te zien is dit een release in eigen beheer, dus check www.sunskippers.ch , helaas helemaal in het Duits, gelukkig uitgezonderd de Hörproben zoals dat daar zo mooi heet. Opvallend is dat ze in hun toerschema vier evangelische kerken hebben aangedaan met een 'Hillbilly Christmas Tour'!
(Frantic Franky)

naar boven



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina